ECLI:NL:RBOVE:2025:6967

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
11810755 \ CV EXPL 25-1284
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:96 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en betaling huurachterstand toegewezen aan woningstichting

De woningstichting vordert ontbinding van de huurovereenkomst en betaling van een huurachterstand van €4.606,40 plus wettelijke rente. De huurder, onder bewind gesteld sinds 29 augustus 2025, betwist de ontbinding maar erkent de achterstand. De bewindvoerder stelt dat uitzetting niet wenselijk is vanwege de persoonlijke omstandigheden van de huurder.

De kantonrechter oordeelt dat de bewindvoerder als formele procespartij optreedt en dat het beding over buitengerechtelijke incassokosten in de algemene voorwaarden oneerlijk is, waardoor deze kosten worden afgewezen. De huurachterstand en wettelijke rente worden toegewezen.

Hoewel de huurder samenwerkt met de bewindvoerder en hulp zoekt, is de achterstand inmiddels opgelopen tot acht maanden en is er geen inkomen. De kantonrechter vindt dat de omstandigheden geen overmacht vormen en wijst de ontbinding en ontruiming toe met een termijn van 14 dagen. Tevens wordt de bewindvoerder veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, rente, gebruiksvergoeding en proceskosten.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de bewindvoerder veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente, gebruiksvergoeding en ontruiming binnen 14 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : 11810755 \ CV EXPL 25-1284
Vonnis van 2 december 2025
in de zaak van
de stichting
STICHTING VIVERION,
gevestigd en kantoorhoudende te Lochem,
eisende partij, hierna te noemen de Woningstichting,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[bewindvoerder],handelend onder de naam [bewindvoerder] V.O.F.,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder van
[gedaagde](hierna te noemen [gedaagde]), wonende te [woonplaats],
zaakdoende te [plaats],
gedaagde partij, hierna te noemen de bewindvoerder q.q.,
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 juli 2025;
- de (mondelinge) conclusie van antwoord van 29 juli 2025 van [gedaagde];
1.2.
De Woningstichting heeft op 14 augustus 2025 een akte specificatie vordering ten behoeve van de mondelinge behandeling van 26 augustus 2025 overgelegd.
1.3.
De mondelinge behandeling is gehouden op 26 augustus 2025. Namens de Woningstichting is verschenen [naam 1], vergezeld van
[naam 2], werkzaam bij Groothuis Ligtermoet & Nijhuis. [gedaagde] is eveneens verschenen. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.4.
De procedure is aangehouden tot de rolzitting van 9 september 2025. Op deze rolzitting heeft de Woningstichting een akte uitlating genomen. Daarna heeft de kantonrechter de bewindvoerder q.q. in de gelegenheid gesteld om te reageren op deze akte. Zowel de bewindvoerder q.q. als [gedaagde] hebben een reactie toegestuurd. Hierop heeft de Woningstichting op de rol van 4 november 2025 nog een antwoordakte genomen.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt van de Woningstichting de woning gelegen aan [adres] tegen een huurprijs van op dit moment € 593,00 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
2.2.
Vast staat dat er een achterstand bestaat in de huurbetalingen.
2.3.
[gedaagde] is bij beschikking van de kantonrechter van 28 augustus 2025 per
29 augustus 2025 onder bewind gesteld met als bewindvoerder [bewindvoerder], handelend onder de naam [bewindvoerder] V.O.F.

3.Het geschil

3.1.
De Woningstichting vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
De Woningstichting legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens de Woningstichting de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] heeft de huurachterstand niet betwist. [gedaagde] is het echter niet eens met de gevorderde ontbinding en ontruiming. Door persoonlijke en financiële problemen is hij niet in staat (geweest) om zijn (huur)achterstand te betalen. [gedaagde] wil graag in de woning blijven wonen.
3.4.
Tijdens de procedure is [gedaagde] (vanaf 29 augustus 2025) onder bewind gesteld (registerkaartnummer BM 25990/1503). De bewindvoerder q.q. heeft bij brief van 6 oktober 2025 haar reactie gegeven. Volgens de bewindvoerder q.q. is het niet wenselijk dat [gedaagde] uit zijn woning wordt gezet omdat de problemen dan groter worden.

4.De beoordeling

Onderbewindstelling

4.1.
Als sprake is van een procedure over een onder bewind gesteld goed – zoals de rechten voortvloeiend uit een huurovereenkomst – moet de bewindvoerder q.q. en niet de rechthebbende zelf in rechte worden betrokken. Dit volgt uit de beslissing van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525). De goederen van [gedaagde] zijn in dit geval pas na het uitbrengen van de dagvaarding (bij beschikking van 28 augustus 2025 van de kantonrechter te Enschede) onder bewind gesteld. Daarbij is [bewindvoerder], handelend onder de naam [bewindvoerder] V.O.F. tot bewindvoerder benoemd. Uit het hiervoor genoemde arrest volgt ook dat de bewindvoerder die vervolgens in rechte verschijnt als formele procespartij te gelden heeft en het geding kan overnemen. Er is gebleken dat de bewindvoerder q.q. op 6 oktober 2025 een reactie aan de kantonrechter heef toegestuurd. Hiermee is de bewindvoerder in rechte verschenen en zal zij als formele procespartij gelden. Dit is in de kop van dit vonnis verwerkt.
Ambtshalve toetsing
4.2.
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde overgelegde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de hoofdsom, gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval voor de gevorderde hoofdsom en de gevorderde vergoeding van rente maar wel voor de buitengerechtelijke incassokosten. Verwezen wordt naar overweging 4.6..
De huurachterstand
4.3.
De bewindvoerder q.q. heeft niet weersproken dat de huurachterstand moet worden betaald. De huurachterstand van € 4.606,40, tot en met oktober 2025, zal dan ook worden toegewezen.
De wettelijke rente
4.4.
De gevorderde wettelijke rente zal, als onweersproken, worden toegewezen zoals hierna vermeld.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.5.
De Woningstichting heeft een bedrag van € 210,66 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. In artikel 15 van Pro de “Algemene huurvoorwaarden voor woonruimte Viverion” van 1 januari 2009, is het volgende opgenomen:
“Indien één der partijen een verplichting uit de wet/en of de huurovereenkomst niet nakomt en daardoor de andere partij gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moet nemen, zijn alle daaruit voorvloeiende kosten voor rekening van die ene partij. De daarbij door de ene partij aan de andere partij te betalen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft. Deze buitengerechtelijke incassokosten bedragen tenminste 15% van de uit handen gegeven vordering, met een minimum van € 25,- vermeerderd met het geldend BTW-percentage.”
4.6.
De kantonrechter overweegt over de oneerlijkheid van het beding het volgende. Het beding suggereert dat vanaf het moment dat de vordering uit handen is gegeven direct incassokosten verschuldigd zijn. Op grond van de wet is een consument pas incassokosten verschuldigd als hij
nahet intreden van het verzuim een veertiendagenbrief heeft ontvangen die aan alle in artikel 6:96 lid 6 BW Pro genoemde eisen voldoet. Daarnaast moet in het beding de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden genoemd. Deze eisen zijn echter niet opgenomen in artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat het beding ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke incassokosten. Daarmee wordt het beding als oneerlijk beoordeeld. Nu sprake is van een oneerlijk beding, is terugvallen op de wettelijke regeling niet mogelijk. [1] Als gevolg van bovenstaande wordt de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
Wat betekent dit voor de bewindvoerder q.q.?
4.7.
De bewindvoerder q.q. moet aan de Woningstichting betalen een bedrag van
€ 4.646,66 (bestaande uit € 4.606,40 aan huurachterstand tot en met oktober 2025 plus
€ 40,26 aan wettelijke rente berekend tot 8 juli 2025), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.855,46 vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling.
De ontbinding en ontruiming
4.8.
Tijdens de mondelinge behandeling van 9 september 2025 heeft de Woningstichting naar voren gebracht dat zij bereid is om de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te wijzigen in een voorwaardelijke ontbinding en ontruiming onder voorwaarden. Deze voorwaarden zijn:
  • [gedaagde] wordt onder bewind gesteld;
  • [gedaagde] neemt contact op met de gemeente voor schuldhulpverlening om zodoende een betalingsregeling te kunnen treffen voor de huurachterstand;
  • [gedaagde] betaalt de lopende huurtermijnen vanaf september 2025.
Daarop is de procedure aangehouden. Echter heeft de Woningstichting in zowel haar akte van 9 september 2025 als de akte van 4 november 2025 naar voren gebracht dat [gedaagde] niet aan alle voorwaarden heeft voldaan. Hoewel [gedaagde] inmiddels wel onder bewind is gesteld, beschikt hij nog steeds niet over enig inkomen. Ook is [gedaagde] niet verschenen op de afspraak met de gemeente voor een schuldenregeling. Daarnaast is de huurschuld verder opgelopen, aldus de Woningstichting. Volgens de Woningstichting kan, gelet op de omstandigheden van [gedaagde], in redelijkheid niet langer van haar worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt voortgezet. Daarbij heeft de Woningstichting ook nog gewezen op de eerdere veroordeling van [gedaagde] van 30 juli 2019 vanwege een huurachterstand. Deze ontruiming is kort voor de datum geannuleerd omdat [gedaagde] de volledige achterstand heeft voldaan, aldus de Woningstichting.
4.9.
De bewindvoerder q.q. heeft bij brief van 6 oktober 2025 naar voren gebracht dat [gedaagde] volledige medewerking verleent aan de bewindvoering. Volgens de bewindvoerder q.q. zijn er nog geen inkomsten, maar is er een gesprek gepland bij de gemeente voor het aanvragen van een uitkering. De aanvraag was niet meteen in te dienen omdat er nog iemand staat ingeschreven op het adres van [gedaagde], aldus de bewindvoerder q.q.. Ook heeft de bewindvoerder q.q. naar voren gebracht dat het niet wenselijk is dat [gedaagde] uit de woning wordt gezet, omdat de problemen alleen maar groter worden.
4.10.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De bewindvoerder q.q. en/of [gedaagde] zijn verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [2] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [3]
4.11.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand 5 maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels 8 maanden.
De kantonrechter is van oordeel dat de betalingsachterstand, waarvan in deze zaak sprake is, van zodanige omvang is, dat deze de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De door de bewindvoerder q.q. genoemde financiële en persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] leveren geen overmacht op en ontslaan [gedaagde] niet van de verplichting om de huur op tijd te voldoen. Hoewel het te prijzen is dat [gedaagde] wil meewerken met alle hulp die hem geboden wordt, is die enkele omstandigheid, gelet ook op de hoogte van de huurachterstand en de inkomenssituatie van [gedaagde], in dit stadium van onvoldoende gewicht ten gunste van [gedaagde]. Daarbij heeft de kantonrechter ook meegewogen dat [gedaagde] in 2019 eerder veroordeeld is en dat dit als een waarschuwing had moeten gelden voor [gedaagde]. De gevorderde ontbinding en ontruiming zal worden toegewezen. De termijn voor ontruiming zal op 14 dagen worden gesteld.
4.12.
De Woningstichting wil ook dat de bewindvoerder q.q. wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 593,00 (met inbegrip van de eventuele indexering van de huurprijs), te rekenen vanaf de maand november 2025 tot het moment dat de bewindvoerder q.q. het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Nu op dit punt geen verweer is gevoerd, zal de vordering als zodanig worden toegewezen.
De proceskosten
4.13.
De bewindvoerder q.q. is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van de Woningstichting worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
595,00
(2,5 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.374,43

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres],
5.2.
veroordeelt de bewindvoerder q.q. om het perceel, met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde] bevindt binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten onder afgifte van de sleutels en geheel ter vrije beschikking van de Woningstichting te stellen, met aanzegging dat, indien de bewindvoerder q.q. daarmee in gebreke mochten blijven, de ontruiming door de deurwaarder zal worden bewerkstelligd en [gedaagde] met alle zich daarop en daarin bevindende personen en niet aan de Woningstichting toebehorende roerende zaken uit genoemd perceel te doen brengen naar de openbare straat;
5.3.
veroordeelt de bewindvoerder q.q. om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de Woningstichting:
1. € 4.606,40 aan opeisbaar geworden en onbetaald gelaten huurtermijnen berekend tot en met de maand oktober 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over
€ 2.855,46 vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
2. € 40,26 € 40,26 aan wettelijke rente, berekend tot 8 juli 2025;
2. € 40,26 een bedrag gelijk aan de maandelijkse huurprijs, zoals deze zonder ontbinding van de huurovereenkomst zou hebben gegolden voor elke maand of gedeelte van een maand, gelegen tussen 1 november 2025 en de daadwerkelijke ontruiming,
5.4.
veroordeelt de bewindvoerder q.q. in de proceskosten van € 1.374,43, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen de kosten van betekening, indien de bewindvoerder q.q. niet binnen genoemde termijn betaalt en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025. (ak).

Voetnoten

1.HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:2021:68.
2.Artikel 6:265 BW Pro.
3.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)