ECLI:NL:RBOVE:2025:6968

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
C/08/339645 / KG ZA 25-250
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming en medewerking verkoop ouderlijke woning in nalatenschapsprocedure

Partijen zijn broers en erfgenamen van hun overleden vader, met de ouderlijke woning als onderdeel van de nalatenschap. De woning wordt bewoond door gedaagde en zijn dochter. Eiser, als boedelgevolmachtigde, wil de nalatenschap afwikkelen en de woning vrij van huur en gebruik verkopen. Gedaagde verzet zich niet tegen verkoop, maar weigert te vertrekken zolang de woning niet verkocht is.

Eiser vordert onder meer ontruiming en medewerking aan verkoop. Gedaagde voert verweer dat hij geen inzicht heeft in zijn erfdeel en financiële mogelijkheden, en dat hij door persoonlijke omstandigheden moeilijk woonruimte kan vinden. De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van eiser om de woning te verkopen en de financiële lasten niet langer te dragen zwaarder weegt dan het belang van gedaagde om te blijven wonen.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen grotendeels toe, veroordeelt gedaagde tot ontruiming per 1 februari 2026, medewerking aan verkoop en overdracht, en legt een dwangsom op bij niet-naleving. De kosten van de procedure worden gecompenseerd. De vordering tot medewerking aan verdeling van de nalatenschap wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning per 1 februari 2026 en medewerking aan verkoop en overdracht.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/339645 / KG ZA 25-250
Vonnis in kort geding van 4 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.T. Slofstra,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de producties van [eiser]
- de akte wijziging van eis
- de mondelinge behandeling van 20 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiser]
- de aantekeningen van [gedaagde] die ter zitting als verweer zijn aangemerkt.
1.2.
Ten slotte is vonnis gevraagd. Het vonnis is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

Partijen zijn broers van elkaar en beiden voor de helft erfgenaam in de nalatenschap van hun vader. Tot die nalatenschap behoort de ouderlijke woning. Deze wordt op dit moment bewoond door [gedaagde] en zijn dochter. [eiser] is boedelgevolmachtigde. Hij wil de nalatenschap afwikkelen en de woning ‘vrij van huur en gebruik’ verkopen. [eiser] heeft daartoe in deze procedure een aantal vorderingen ingesteld, waaronder een ontruimingsvordering. [gedaagde] verzet zich niet tegen de verkoop van de woning, maar weigert te vertrekken uit de woning zolang deze niet verkocht is.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen grotendeels toe. [gedaagde] moet meewerken aan de verkoop van de woning en de woning per 1 februari 2026 hebben verlaten.
De voorzieningenrechter licht haar beslissing hieronder toe.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn broers. Hun vader is overleden op [overlijdensdatum] 2024. De moeder van partijen is al eerder overleden.
3.2.
Partijen zijn ieder voor de helft erfgenaam van de nalatenschap van hun vader. Partijen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
3.3.
[gedaagde] heeft aan [eiser] een boedelvolmacht (voor de duur van twee jaar te rekenen vanaf de sterfdag van vader) gegeven om mede namens hem beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten.
3.4.
Tot de nalatenschap behoort de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Deze is nog niet verdeeld. Ook de overige tot de nalatenschap behorende bestanddelen zijn nog niet verdeeld tussen partijen.
3.5.
[gedaagde] bewoont de woning. De dochter van [gedaagde] is er eind 2022 bij ingetrokken.
3.6.
[gedaagde] en de dochter hebben verbouwingswerkzaamheden aan de woning uitgevoerd of laten uitvoeren.
3.7.
De woning is per 13 november 2024 getaxeerd op een marktwaarde van € 420.000,-
3.8.
In een bij deze rechtbank gevoerde procedure tussen partijen heeft de kantonrechter bij vonnis van 27 mei 2025 geoordeeld dat er geen sprake is (geweest) van een huurovereenkomst tussen vader en [gedaagde] maar van een gebruiksovereenkomst.
3.9.
Bij brief van 27 maart 2025 heeft de advocaat van [eiser] namens [eiser] de gebruiksovereenkomst opgezegd per 1 mei 2025. Tevens heeft de advocaat van [eiser] namens [eiser] – bij blijvende bewoning van de woning door [gedaagde] - aanspraak gemaakt op een redelijke gebruiksvergoeding vanaf het moment van overlijden van vader tot het moment dat [gedaagde] de woning heeft verlaten.
3.10.
Bij brieven van 2 en 19 juni 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] opnieuw gesommeerd om de woning te verlaten en zijn medewerking aan verkoop van de woning te verlenen. Daarbij is ook expliciet gewezen op de noodzakelijke verkoop en het ontbreken
van middelen op de ervenrekening om de lopende lasten te blijven dragen.
3.11.
Bij e-mail van 20 juni 2025 heeft de dochter van [gedaagde] namens [gedaagde] aan [eiser] bericht dat [gedaagde] geen ontruimingsdatum kan noemen zolang geen volledige en verifieerbare inzage bestaat in de omvang van zijn erfdeel en zolang geen passende woonruimte is gevonden.
3.12.
Per brief van 15 juli 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] voor de laatste maal gesommeerd de woning te verlaten vóór 20 augustus 2025, met aankondiging van een kort geding bij het uitblijven van vrijwillig vertrek.
3.13.
Bij exploot van 22 oktober 2025 heeft [eiser] [gedaagde] laten dagvaarden in kort geding.

4.De vorderingen en de standpunten van partijen

4.1.
[eiser] vordert – na toegestane wijziging van eis – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt om mee te werken aan de verdeling van de nalatenschap;
II. [gedaagde] veroordeelt om binnen 14 dagen, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de woning staande en gelegen aan de [adres] met de zijne(n) te verlaten met medeneming van al de spullen, dus veegschoon, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen en de woning
ontruimd achter te laten;
I II. [gedaagde] veroordeelt om voor zover nodig zijn medewerking te verlenen aan het verlenen van de opdracht tot verkoop aan de makelaar tegen de door de makelaar getaxeerde en vervolgens bepaalde verkoopprijs vrij van huur en gebruik;
IV. [gedaagde] veroordeelt om met de makelaar de verkoopovereenkomst aan te gaan met degene die een marktconforme prijs biedt en dat in het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod marktconform is, zij zich dienen te conformeren aan de door de makelaar aangegeven marktconforme prijs vrij van huur en gebruik;
V. [gedaagde] veroordeelt om bij de notaris zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning met toebehoren staande en gelegen aan de [adres] aan de koper(s) en hiervoor een vervangende machtiging ex artikel 3:174 BW Pro te verlenen in het geval [gedaagde] zijn medewerking hiertoe niet verleent;
VI. bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag (of gedeelte daarvan) dat hij niet voldoet aan de onder I. t/m IV., althans dat in het geval de vervangende machtiging als genoemd onder V. niet wordt verleend, hij niet voldoet aan de onder I. t/m V. gevorderde voorzieningen, met een maximum van € 25.000,-.
VIl. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
4.2.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de nalatenschap van hun vader spoedig moet worden afgewikkeld. De hypotheeklasten en overige kosten lopen door, terwijl de ervenrekening leeg is. [gedaagde] betaalt geen woonlasten. De woning moet worden verkocht. Verkoop van de woning is alleen mogelijk zonder bewoning (door [gedaagde] en zijn dochter). De makelaar zal anders niet overgaan tot verkoop van de woning.
Potentiële kopers zullen het risico van discussies met [gedaagde] over vertrek/ontruiming woning niet willen nemen. [eiser] wenst uit de onverdeeldheid te geraken. Van hem kan niet langer worden gevergd dat hij de maandelijkse hypotheeklasten en overige lasten voldoet. Hij heeft inmiddels al een bedrag van € 25.000,- van zijn spaargeld aangesproken om de lasten te voldoen. Hij kan die kosten niet blijven dragen en dat is bovendien ook niet redelijk. De bank zal gaan dreigen met executie. [gedaagde] frustreert door in de woning te (ver)blijven de verkoop ervan en ook de afwikkeling van de nalatenschap. [gedaagde] weet al meer dan een half jaar dat hij de woning dient te verlaten. Hij heeft tijd genoeg gehad om andere woonruimte te vinden.
4.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.
Hij verzet zich niet tegen de verkoop van de woning, maar wel tegen de voorafgaande ontruiming daarvan. Ondanks herhaalde verzoeken van [gedaagde] heeft [eiser] geen nadere toelichting of bewijsstukken verstrekt met betrekking tot de nalatenschapsposten, noch rekening en verantwoording afgelegd omtrent het door hem gevoerde beheer van de nalatenschap. Hij verkeert volledig in het ongewisse omtrent de omvang van zijn erfdeel en daarmee zijn financiële mogelijkheden om vervangende woonruimte te betrekken.
Hij beschikt niet over een vast inkomen. In de afgelopen maanden heeft hij wegens een heupoperatie en complicaties nadien niet kunnen werken. Daardoor was hij tijdelijk arbeidsongeschikt en kon hij geen inkomen aantonen bij verhuurders, wat het vinden van woonruimte ernstig bemoeilijkte. De door [eiser] verzochte ontruiming binnen 14 dagen zou betekenen dat hij feitelijk op straat komt te staan.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij, zoals zij partijen tijdens de mondelinge behandeling ook heeft medegedeeld, het vooraf naar de wederpartij en de rechtbank verzonden verweerschrift heeft aangemerkt als ter zitting overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen ten behoeve van de zitting. De in die aantekeningen geformuleerde tegeneis kan de voorzieningenrechter niet in behandeling nemen, nu [gedaagde] niet bij – de in handelszaken verplicht gestelde – advocaat maar in persoon is verschenen.
5.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
5.3.
[eiser] heeft een voldoende spoedeisend belang bij de beoordeling van zijn vorderingen. De hypotheeklasten en de overige kosten van de nalatenschap die [eiser] betaalt lopen door, terwijl de ervenrekening leeg is. Het uitblijven van de gevraagde medewerking van [gedaagde] aan verkoop en ontruiming van de woning heeft [eiser] in een (financieel) onzekere positie gebracht. Van [eiser] kan niet worden gevergd dat hij nog langer in een onverdeelde gemeenschap blijft en dat hij de uitkomst van een bodemprocedure zou moeten afwachten. [eiser] is in zoverre ontvankelijk in zijn vorderingen. De voorzieningenrechter komt daarmee toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.
Wat ligt ter beoordeling voor?
5.4.
Kern van het geschil is of [gedaagde] gehouden is om - ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van partijen - zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning én of hij de woning op korte termijn dient te verlaten ten behoeve van de verkoop van de woning.
5.5.
De voorzieningenrechter wijst de gevorderde medewerking ten behoeve van de verkoop van de woning en ook de gevorderde ontruiming toe.
5.6.
Partijen zijn ieder voor de helft deelgenoot in de nalatenschapsboedel van hun vader. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat hij al maandenlang uit eigen middelen de lasten van de woning voorschiet omdat de ervenrekening leeg is en dat hij de kosten niet langer kan blijven dragen. De noodzaak om tot een behoorlijke verdeling van de woning, althans de verkoop van de woning te geraken, is daarmee in beginsel gegeven. De woning moet worden verkocht.
5.7.
[gedaagde] verzet zich niet tegen verkoop van de woning en ziet in dat de woning verkocht moet worden. [gedaagde] weigert echter de woning te ontruimen en te verlaten voorafgaand aan het verkopen van de woning. De argumenten die [gedaagde] daartoe heeft aangevoerd kunnen echter niet leiden tot een afwijzing van de verlangde medewerking tot verkoop en ontruiming van de woning.
5.8.
Niet in discussie is dat [gedaagde] al geruime tijd in de woning verblijft (met zijn dochter), zonder dat hij daarvoor enige vergoeding betaalt. Niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van een concrete overeenkomst die ten grondslag ligt aan dat recht van (kosteloos) gebruik en bewoning door [gedaagde] (en zijn dochter). De kantonrechter in deze rechtbank heeft bij vonnis van 27 mei 2025 geoordeeld dat er geen sprake is van een huurovereenkomst. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat vader de woning aan hem in gebruik heeft gegeven en dat het altijd de wens van zijn ouders is geweest dat hij in de woning zou kunnen blijven wonen. [gedaagde] heeft dit standpunt – na gemotiveerde betwisting door [eiser] – echter niet onderbouwd. [gedaagde] voert verder aan dat hij heeft gezocht naar andere woonruimte, maar dat hem dat niet is gelukt vanwege het ontbreken van een vast inkomen. Los van de omstandigheid dat [gedaagde] niet met stukken inzichtelijk heeft gemaakt dat hij (actief) heeft gezocht naar andere woonruimte (zijn verklaring tijdens de mondelinge behandeling dat hij pas op zoek gaat naar andere woonruimte wanneer duidelijk is wat de omvang van zijn erfdeel is en de nalatenschap is afgewikkeld geeft daar ook geen blijk van), ziet de voorzieningenrechter niet in waarom zijn (huidige) inkomenspositie hem belet in het daadwerkelijk vinden van andere woonruimte. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij werkt als (freelance) [beroep 1] (en ook als [beroep 2]). Niet valt, zonder andersluidende onderbouwde stellingen daartoe, in te zien dat [gedaagde] - ook al was hij tijdelijk arbeidsongeschikt vanwege zijn heupoperatie -, niet in staat moet worden geacht woonruimte te kunnen bekostigen. Daar komt bij dat gevolgen van deze persoonlijke omstandigheden niet op [eiser] afgewikkeld kunnen worden.
Als [gedaagde] elders had gewoond had hij immers ook woonlasten gehad.
5.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van [gedaagde] om niet (vrijwillig) over te gaan tot ontruiming voorafgaand aan het te koop zetten van de woning, niet opweegt tegen het belang van [eiser] om tot spoedige verkoop van de woning over te gaan. Van [eiser] , als deelgenoot, kan in alle redelijkheid immers niet langer worden verlangd dat hij in de gegeven omstandigheden de financiële lasten van de woning voor zijn rekening neemt dan wel blijft nemen. Voldoende aannemelijk is dat de makelaar de woning in onbewoonde staat beter/sneller kan verkopen en dat hij niet tot verkoop van de woning zal overgaan zolang [gedaagde] in de woning verblijft. [gedaagde] heeft dat overigens ook niet weersproken.
5.10.
[gedaagde] (en zijn dochter) zullen de woning per 1 februari 2026 dienen te hebben verlaten, zodat de makelaar de woning daarna in onbewoonde staat kan verkopen.
[gedaagde] beschikt daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter over een redelijke termijn om andere woonruimte te vinden.
5.11.
Nu [gedaagde] zich op het standpunt heeft gesteld zijn medewerking ten behoeve van de verkoop niet te verlenen en de woning niet te zullen verlaten en ontruimen voordat de woning verkocht is, zullen de vorderingen van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen tot het verlenen van zijn medewerking aan de verkoop van de woning en de gedwongen ontruiming op de wijze zoals gevorderd onder II. tot en met V., worden toegewezen.
5.12.
Dat [eiser] , zoals [gedaagde] heeft gesteld, geen rekening en verantwoording heeft afgelegd over het door hem gevoerde beheer over de nalatenschap en geen inzicht heeft gegeven in de omvang van zijn erfdeel, hetgeen [eiser] overigens heeft betwist, kan aan toewijzing van de gevorderde ontruiming niet in de weg staan. Dat is geen voorwaarde die [gedaagde] kan stellen om zijn medewerking aan ontruiming van de woning te onthouden. Daar komt bij dat [eiser] in deze procedure inzicht heeft gegeven in de financiële situatie, zodat [gedaagde] inmiddels daar wel inzicht in heeft.
5.13.
De stelling van [gedaagde] dat het ook de wens van de ouders van partijen was dat de dochter van [gedaagde] in de woning kon blijven wonen – welke stelling [eiser] heeft betwist en [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt – kan niet ter beoordeling voorliggen. Het gaat hier om de verkoop en ontruiming van de woning die onderdeel uitmaakt van de nalatenschap van vader en waarvan [eiser] en [gedaagde] ieder deelgenoot zijn. De dochter van [gedaagde] is geen (direct) belanghebbende in deze procedure. De dochter van [gedaagde] kan uiteraard meebieden op de woning op het moment dat deze te koop staat.
Dat de woning in waarde is vermeerderd ten gevolge van verbouwingen die [gedaagde] en zijn dochter hebben bekostigd, zoals [gedaagde] stelt, kan in deze procedure ook niet ter beoordeling voorliggen, nu geen daartoe strekkende vordering is ingediend. Partijen twisten overigens niet over het antwoord op de vraag of er verbouwingen hebben plaatsgevonden, maar wel over het antwoord op de vraag wie deze verbouwing heeft bekostigd. Ook de beantwoording van die vraag ligt niet voor in deze procedure.
Dwangsom
5.14.
De voorzieningenrechter zal de gevorderde (gemaximeerde) dwangsom toewijzen, nu daarvoor in de gegeven omstandigheden voldoende aanleiding bestaat. [gedaagde] heeft zich hiertegen overigens niet verweerd.
Afwijzing vordering onder I.
5.15.
De vordering onder I. zal worden afgewezen. Gelet op de vorderingen van [eiser] en het door partijen in deze procedure gevoerde debat, betreft het geschil tussen partijen in deze procedure enkel de verkoop en ontruiming van de woning en niet de verdeling van de nalatenschap. Ook is niet onderbouwd waar het spoedeisend belang voor die verdeling uit bestaat.
proceskosten
5.16.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk 1 februari 2026 de woning staande en gelegen aan de [adres] met de zijne(n) te verlaten met medeneming van alle spullen, dus veegschoon, en onder afgifte van alle sleutels (waaronder begrepen de toegangscodes) ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen en de woning ontruimd achter te laten,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om voor zover nodig zijn medewerking te verlenen aan het verlenen van de opdracht tot verkoop aan de makelaar tegen de door de makelaar getaxeerde en vervolgens bepaalde verkoopprijs vrij van huur en gebruik,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om met de makelaar de verkoopovereenkomst aan te gaan met degene die een marktconforme prijs biedt en dat in het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod marktconform is, zij zich dienen te conformeren aan de door de makelaar aangegeven marktconforme prijs vrij van huur en gebruik,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] om bij de notaris zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning met toebehoren staande en gelegen aan de [adres] aan de koper(s) en hiervoor een vervangende machtiging ex artikel 3:174 BW Pro te verlenen in het geval [gedaagde] zijn medewerking hiertoe niet verleent,
6.5.
bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag (of gedeelte daarvan) dat hij niet voldoet aan de onder 6.1. tot en met 6.3althans dat in het geval de vervangende machtiging als genoemd onder 6.4.niet wordt verleend, hij niet voldoet aan de onder 6.1. tot en met 6.4. gevorderde voorzieningen, met een maximum van € 25.000,-,
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.