Partijen zijn broers en erfgenamen van hun overleden vader, met de ouderlijke woning als onderdeel van de nalatenschap. De woning wordt bewoond door gedaagde en zijn dochter. Eiser, als boedelgevolmachtigde, wil de nalatenschap afwikkelen en de woning vrij van huur en gebruik verkopen. Gedaagde verzet zich niet tegen verkoop, maar weigert te vertrekken zolang de woning niet verkocht is.
Eiser vordert onder meer ontruiming en medewerking aan verkoop. Gedaagde voert verweer dat hij geen inzicht heeft in zijn erfdeel en financiële mogelijkheden, en dat hij door persoonlijke omstandigheden moeilijk woonruimte kan vinden. De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van eiser om de woning te verkopen en de financiële lasten niet langer te dragen zwaarder weegt dan het belang van gedaagde om te blijven wonen.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen grotendeels toe, veroordeelt gedaagde tot ontruiming per 1 februari 2026, medewerking aan verkoop en overdracht, en legt een dwangsom op bij niet-naleving. De kosten van de procedure worden gecompenseerd. De vordering tot medewerking aan verdeling van de nalatenschap wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.