ECLI:NL:RBOVE:2025:6983

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
11935336 \ CV EXPL 25-3384
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 4.3 Arbeidstijdenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling achterstallig loon en loon tijdens arbeidsongeschiktheid bij geschil over contracturen

Eiser trad in augustus 2025 in dienst bij gedaagde en meldde zich na zes weken ziek. Hij ontving geen loon over de gewerkte periode en arbeidsongeschiktheid. Eiser vorderde betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, loon tijdens ziekte conform cao, afgifte van bruto-netto specificaties, incassokosten en proceskosten.

Gedaagde stelde dat er geen veertig uren contract was, maar een min-max contract, en betwistte de opgegeven overuren. De kantonrechter oordeelde dat eiser voldoende aannemelijk had gemaakt dat een veertig urencontract was overeengekomen, mede op basis van WhatsApp-berichten en een niet-ondertekend contract. Ook werden de overuren als voldoende bewezen geacht.

De kantonrechter kende het achterstallig loon toe, inclusief wettelijke rente en een gematigde wettelijke verhoging. Tevens werd loon tijdens arbeidsongeschiktheid toegekend op basis van de cao, waarbij het gemiddelde overurenbedrag werd berekend over de periode vanaf indiensttreding tot ziekmelding. Verder werd gedaagde veroordeeld tot afgifte van loonstroken met een dwangsom, betaling van incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, loon tijdens arbeidsongeschiktheid, afgifte van loonstroken, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11935336 \ CV EXPL 25-3384
Vonnis in kort geding van 3 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. F. Havers,
procederend met een toevoeging, afgegeven onder nummer 2HB2594,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. E.F.M. Baert.

1.Waar deze zaak over gaat

[eiser] is in augustus 2025 in dienst getreden bij [gedaagde] . Na zes weken werkzaamheden te hebben verricht meldt [eiser] zich ziek. [eiser] heeft geen loon van [gedaagde] ontvangen, zowel voor de gewerkte periode als voor de periode van arbeidsongeschiktheid. [eiser] vordert betaling van het niet uitbetaalde loon, de wettelijke verhoging daarvan en afgifte van bruto-netto specificaties door [gedaagde] . [gedaagde] voert aan dat zij met [eiser] geen veertig uren contract is overeengekomen, zoals [eiser] betoogt, maar een min-max contract, en dat [eiser] de door hem opgegeven overuren niet daadwerkelijk heeft gewerkt. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] grotendeels toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 29 oktober 2025, met producties 1 t/m 6,
- de producties 7 t/m 11 van [eiser] ,
- de producties van [gedaagde] ,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 19 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eiser] met daarin een wijziging van eis,
- de pleitnota van [gedaagde] .

3.De feiten

3.1.
[eiser] is op 18 augustus 2025 in dienst getreden bij [gedaagde] . [eiser] en [gedaagde] hebben een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd voor de duur van één jaar afgesloten.
3.2.
Op 30 september 2025 heeft [eiser] zich ziekgemeld.
3.3.
[eiser] heeft [gedaagde] op 8 oktober 2025 per brief gesommeerd achterstallig loon en loon gedurende zijn arbeidsongeschiktheid te betalen.
3.4.
Op 6 november 2025 heeft [eiser] twee loonstroken over de maanden augustus en september 2025 ontvangen inclusief betaling van het daarop aangegeven loon.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert (na wijziging van eis en samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot:
betaling van € 5.826,98 bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente over beide bedragen,
betaling van € 6.634,74 bruto per maand gedurende de arbeidsongeschiktheid van [eiser] tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,
afgifte van deugdelijke bruto/netto specificaties aan [eiser] op straffe van een dwangsom,
betaling van buitengerechtelijke incassokosten,
betaling van proceskosten.
4.2.
[eiser] legt aan de vorderingen ten grondslag dat hij met [gedaagde] een arbeidsovereenkomst van veertig uren per week is overeengekomen, hij op zaterdagen heeft gewerkt en daarnaast overuren heeft gemaakt waarover hij, op grond van de geldende Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kramen (hierna: cao), een toeslag ontvangt van 50% respectievelijk 30%. [eiser] verwijst ook naar artikel 16 van Pro de cao op basis waarvan [gedaagde] , rekening houdend met de gemiddelde overuren en zaterdaguren, tijdens de arbeidsongeschiktheid van [eiser] loon aan hem zou moeten betalen.
4.3.
[gedaagde] voert verweer.
4.4.
[gedaagde] voert aan dat zij met [eiser] geen veertig uren contract is overeengekomen, maar een min-max contract, en dat [eiser] minder overuren heeft gemaakt dan opgegeven.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij de voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarna moet de kantonrechter beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. In deze procedure is geen plaats voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
5.2.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Voldoende aannemelijk is dat [eiser] voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van zijn loon bij [gedaagde] en hij het risico loopt om, zolang hij zijn volledige loon niet ontvangt, (verder) in financiële problemen te raken.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kantonrechter zal eerst beoordelen of voldoende aannemelijk is dat partijen een contract van veertig uren per week zijn overeengekomen en of [eiser] de door hem opgegeven hoeveelheid overuren heeft gemaakt. Daarna zal de kantonrechter de vorderingen van [eiser] beoordelen.
[eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat partijen een veertig uren contract zijn overeengekomen
5.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Het geschil spitst zich toe op de vraag wat de inhoud van die overeenkomst is: [eiser] stelt dat een veertig urencontract is overeengekomen, [gedaagde] stelt dat dit een min- max contract betreft.
5.5.
[eiser] heeft aangevoerd dat partijen kort na 17 juli 2025 met elkaar hebben gesproken over indiensttreding bij [gedaagde] . Daarbij zou expliciet zijn gesproken over een veertig urencontract. [eiser] werkte bij zijn vorige werkgever ook veertig uren per week en had het geld nodig om zijn vaste lasten te betalen. Volgens [eiser] zou hij niet bij [gedaagde] zijn gaan werken en zou hij zijn contract bij zijn vorige werkgever hebben verlengd als hij geen contract van veertig uren bij [gedaagde] had kunnen krijgen. [eiser] heeft verder aangevoerd dat hij begin september 2025 op papier een arbeidscontract voor veertig uren per week van [gedaagde] heeft ontvangen die niet door [gedaagde] was ondertekend. Hij heeft dat contract niet direct ondertekend teruggezonden omdat hij nog twee vragen over de inhoud had, namelijk over de hoogte van het loon (in verband met de omstandigheid dat in het contract, zo stelt hij, abusievelijk het maandloon van een 20-jarige was vermeldt terwijl hij op 8 september 2025 21 jaar zou worden) en over de omvang van de werkzaamheden (in het contract staat dat hij verplicht is om alle door of namens de werkgever in redelijkheid op te dragen werkzaamheden te verrichten). Door [gedaagde] is het voorgaande niet weersproken, zodat de kantonrechter aanneemt dat een en ander juist is.
5.6.
Uit de WhatsApp conversatie met de heer [bestuurder 1] , middelijk bestuurder van [gedaagde] , kan worden afgeleid dat [eiser] vraagt om uitbetaling van een (voorschot op) loon op 26 september 2025, waarna [bestuurder 1] meldt dat hij daarvoor een getekend contract moet hebben. [eiser] meldt daarop dat hij het contract zal tekenen, maar vraagt daarbij om 16:12:35
“Hoeveel was het brutoloon nu ik 21 ben?”. [bestuurder 1] antwoordt daarop om 16:13:09 :
“Staat in de cao”. Direct daarna, om 16:13:30 antwoordt [eiser]
“2975 bruto dus”.
5.7.
Gelet op de omstandigheid dat [bestuurder 1] in de WhatsApp conversatie niet weerspreekt dat het loon € 2.975,00 bruto is (het in de cao vermelde maandloon bij een volledige werkweek voor een 21-jarige) gaat de kantonrechter ervan uit dat partijen hierbij een veertig urencontract voor ogen hadden. Bij een min max contract ligt immers vermelding van een uurloon en niet het maandloon voor de hand. Dat partijen refereerden aan een veertig urencontract wordt bevestigd doordat vaststaat dat [eiser] even later (om 16:43:58) – en twee dagen voordat hij zich ziek heeft gemeld – als pdf een ingescande versie van een papieren contract dat uitgaat van veertig vaste uren per week aan [bestuurder 1] heeft gezonden. Op diezelfde dag (om 17:04:43) stuurt hij dezelfde pdf per WhatsApp ook aan de andere middelijk bestuurder van [gedaagde] , de heer [bestuurder 2] . [bestuurder 2] heeft daarop niet aangegeven dat dit contract onjuist zou zijn.
Pas twee dagen later en nadat [eiser] aan [bestuurder 1] heeft gemeld dat hij aan [bestuurder 2] heeft laten weten dat hij in verband met een bezoek aan de huisarts die middag niet aanwezig zal zijn en hij aan [bestuurder 1] verder meldt dat hij ook de volgende dag in verband met een bezoek aan de huisarts niet aanwezig zal zijn, bericht [bestuurder 1] per WhatsApp dat [eiser] een verkeerd contract zou hebben teruggezonden.
Gelet op:
  • i) de chronologie van de berichten die over en weer zijn uitgewisseld tussen [eiser] en [bestuurder 1] ;
  • ii) de omstandigheid dat tussen partijen expliciet is gesproken over een in de cao vermeld maandloon gebaseerd op een veertigurige werkweek;
  • iii) de omstandigheid dat [bestuurder 2] in het geheel niet heeft aangegeven dat de aan hem verzonden pdf onjuist zou zijn; en
  • iv) de omstandigheid dat niet weersproken is dat [eiser] bij zijn vorige werkgever ook een veertigurige werkweek had en aannemelijk is dat [eiser] goede redenen had om niet akkoord te gaan met een min-max contract met een onzeker aantal uren en dus een onzeker inkomen;
is voldoende aannemelijk dat het door [eiser] teruggezonden contract (op basis van een veertigurige werkweek), de door hem ondertekende en ingescande versie betreft van een door [gedaagde] begin september aan hem gegeven papieren versie van dat contract. Het moet er dus voor worden gehouden dat [gedaagde] aan [eiser] een contract op basis van een veertigurige werkweek ter hand heeft gesteld. In het verlengde daarvan betekent dat, dat de kantonrechter ervan uitgaat dat door aanbod en aanvaarding tussen partijen een veertig urencontract is overeengekomen.
[eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de door hem opgegeven overuren zijn gemaakt
5.8.
De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat het in beginsel op de weg van [eiser] ligt om aannemelijk te maken dat hij overuren heeft gemaakt en wat de omvang van deze overuren zijn. Aan de onderbouwing door [eiser] mogen geen al te hoge eisen gesteld worden, omdat het aan [gedaagde] is om een deugdelijke urenregistratie bij te houden op grond van artikel 4.3 Arbeidstijdenwet.
5.9.
De kantonrechter is voorhands van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de overuren welke hij heeft opgegeven daadwerkelijk heeft gemaakt. [eiser] heeft zijn stelling onderbouwd met overzichten van WhatsApp gesprekken waaruit blijkt dat de door [eiser] opgestelde urenoverzichten aan [gedaagde] zijn toegestuurd. [eiser] heeft daarbij aangevoerd dat het gebruikelijk was om door de werknemer zelf bijgehouden urenoverzichten te appen in de “Uren [gedaagde] ” app. [gedaagde] heeft deze werkwijze niet betwist. Wel heeft [gedaagde] betwist dat [eiser] de opgegeven overuren heeft gewerkt, maar dit heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd. [gedaagde] heeft verwezen naar de loonstroken van augustus en september 2025 en een Excel-bestand waarin de urenadministratie zou zijn bijgehouden. [gedaagde] heeft dit Excel-bestand niet overlegd. De loonstroken zijn op zichzelf, zonder administratieve onderbouwing, geen deugdelijke urenregistratie. [gedaagde] is hierdoor niet geslaagd in haar verweer.
De kantonrechter zal de vordering tot betaling van achterstallig loon toewijzen
5.10.
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter het voldoende aannemelijk acht dat [eiser] een arbeidscontract had van veertig uren per week en dat hij de door hem opgegeven overuren heeft gemaakt. Op grond van artikel 29 lid 3 van Pro de cao worden overuren verhoogd met een toeslag van 30% en op grond van artikel 33 lid 1 van Pro de cao worden diensturen op zaterdagen verhoogd met een toeslag van 50%. Daar komt bij dat [eiser] vanaf het moment dat hij 21 jaar oud is geworden op grond van artikel 22 van Pro de cao recht heeft op een hoger loon. De loonvordering is hierdoor als volgt opgebouwd:
[afbeelding]
5.11.
[eiser] heeft inmiddels over de maanden augustus en september 2025 een bruto loon ontvangen van € 5.892,73, zodat nog resteert een bedrag van € 1.920,41 bruto. De kantonrechter zal de vordering tot betaling van dit achterstallig loon toewijzen. Daarnaast zal de kantonrechter de hierover gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van uitbrengen van de dagvaarding toewijzen, aangezien [eiser] niet heeft gesteld op welke dag het loon opeisbaar is geworden. De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke verhoging over het loon matigen tot 25%, vanwege de toegewezen wettelijke rente over het achterstallig loon.
De kantonrechter zal de vordering tot betaling van loon tijdens arbeidsongeschiktheid toewijzen
5.12.
[eiser] heeft zijn vordering tot betaling van loon bij arbeidsongeschiktheid gebaseerd op artikel 16 van Pro de cao. In artikel 16 staat Pro vermeld dat het loon bij ziekte bestaat uit onder andere het functieloon en “het bedrag dat de werknemer gemiddeld gedurende de periode van 52 weken voorafgaande aan de eerste dag van arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen aan overuren, zaterdag- en zondaguren voor zover deze de 40 uur per week overschrijden en de toeslagen van 50% en 100% over deze uren. Het gemiddelde aantal overuren kan niet hoger zijn dan 15 en het totale bedrag van dit onderdeel kan niet meer bedragen dan 48,75% van het functieloon (zijnde de waarde van 15 overuren a 130%).” Partijen verschillen van mening over welke periode het gemiddeld aantal overuren moet worden berekend. Volgens [eiser] gaat het daarbij om de periode van indiensttreding tot ziekmelding, en volgens [gedaagde] gaat het daarbij om de gehele 52 weken voorafgaand aan de ziekmelding.
5.13.
Vaste rechtspraak is dat voor uitleg van een cao-bepaling in beginsel de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de tekst van de gehele overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn. Het komt hierbij dus niet aan op de bedoeling van partijen bij de cao, maar op de betekenis die uit objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waaruit de cao is opgesteld. Bij deze uitleg kan ook in aanmerking worden genomen de in de cao gebruikte formuleringen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende tekstinterpretaties kunnen leiden. [1] Gelet op deze uitlegmaatstaf ligt het voor de hand dat indien de werknemer minder dan 52 weken voor de ziekmelding in dienst is getreden, het gemiddeld aantal overuren wordt berekend over de periode vanaf indiensttreding tot ziekmelding en niet over een periode van 52 weken. Een zuiver tekstuele uitleg heeft tot gevolg dat indien de werknemer kort nadat hij in dienst is getreden arbeidsongeschikt raakt, gedurende zijn arbeidsongeschiktheid een significant lager bedrag aan overuren zou ontvangen dan wanneer hij langer dan 52 weken in dienst is geweest en heeft overgewerkt in die (gehele) periode, terwijl de bedoeling van de cao zal zijn zoveel mogelijk aan te sluiten bij het daadwerkelijke loon dat de desbetreffende werknemer heeft ontvangen. Een uitleg waarbij het gemiddeld aantal overuren wordt berekend over de periode tussen indiensttreding en ziekmelding indien dat korter is dan 52 weken is in lijn met het arrest van het hof Den Bosch. [2] Daarbij komt dat de werkgever tegen mogelijke grote afwijkingen van het gemiddelde (die meer voor de hand liggen bij een kortere periode waarover het gemiddelde wordt berekend) wordt beschermd door de maximering die in de cao is opgenomen.
5.14.
Ten aanzien van de berekening van het loon bij arbeidsongeschiktheid overweegt de kantonrechter als volgt. [eiser] heeft gemiddeld meer dan 15 overuren per maand gewerkt, zodat op grond van artikel 16 sub d van Pro de cao het gemiddeld bedrag aan overuren moet worden berekend over 15 overuren à 130%. Daarnaast heeft [eiser] over de gewerkte zes weken 43,25 zaterdaguren gewerkt. Per maand is dit 28,83. Op grond van artikel 16 van Pro de cao is het loon bij arbeidsongeschiktheid dus als volgt opgebouwd:
- functieloon
2.918,07
- 15 overuren à 130%
327,15
- 28,83 zaterdaguren à 150%
725,73
Totaal
3.970,95
Het totale bedrag aan overuren en zaterdaguren, in dit geval € 1.052,88, mag op grond van artikel 16 sub d van Pro de CAO niet hoger zijn dan 48,75% van het functieloon. Dat is niet het geval. De kantonrechter zal daarom de vordering tot betaling van het loon bij arbeidsongeschiktheid toewijzen zoals hiervoor uiteengezet. [gedaagde] is hierdoor gehouden een bedrag van € 3.970,95 per maand aan [eiser] te betalen tijdens zijn arbeidsongeschiktheid, dus vanaf zijn de ziekmelding tot uiterlijk het moment dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 18 augustus 2026.
[gedaagde] moet bruto/netto specificaties aan [eiser] afgeven
5.15.
De kantonrechter zal de vordering tot afgifte van deugdelijke bruto/netto specificaties aan [eiser] toewijzen. [gedaagde] heeft hier geen verweer tegen gevoerd. De kantonrechter zal de dwangsom toewijzen als stok achter de deur voor [gedaagde] , maar zal deze wel matigen en maximeren zoals is vermeld in de beslissing.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.16.
De vordering van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief. Daarom zal een bedrag van € 288,06 worden toegewezen te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van uitbrengen van de dagvaarding, aangezien [eiser] niet heeft gesteld op welke dag de buitengerechtelijke incassokosten opeisbaar zijn geworden.
Proceskosten
5.17.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.206,00

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag aan achterstallig loon van € 1.920,41 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25%, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het achterstallig loon inclusief de wettelijke verhoging, met ingang van 29 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] gedurende zijn arbeidsongeschiktheid maandelijks tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het loon bij arbeidsongeschiktheid van € 3.970,95 bruto tot uiterlijk 18 augustus 2026,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om gelijktijdig aan [eiser] deugdelijke bruto/netto specificaties af te geven op straffe van een dwangsom van € 25,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 1.000,00 is bereikt,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 288,06 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 29 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.206,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025. (hg)

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1049 en Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:678.
2.Hof Den Bosch 16 mei 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AX9683.