ECLI:NL:RBOVE:2025:6994

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
11534601 \ CV EXPL 25-415
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6 algemene voorwaardenArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verweerder moet leasekosten en extra kosten aan eiser betalen wegens tekortschieten in beëindigingsovereenkomst

In deze civiele zaak tussen eiser B.V. en verweerder staat de beëindiging van een leaseovereenkomst centraal. Verweerder stelde dat hij sinds december 2023 heeft geprobeerd de overeenkomst te beëindigen, maar dat eiser hier niet aan meewerkte. De kantonrechter stelde vast dat verweerder dit onvoldoende heeft onderbouwd, omdat hij geen concrete gegevens over telefoongesprekken en e-mails kon overleggen.

Vanaf maart 2024 gaf verweerder aan de auto te willen inleveren, maar eiser betwistte dat verweerder geen reactie had ontvangen. Uit de correspondentie bleek dat eiser wel degelijk heeft gereageerd en de contractuele afkoopsom heeft genoemd. Verweerder was op de hoogte van de beëindigingskosten maar heeft de auto niet ingeleverd, waardoor hij als eerste tekort is geschoten door een betalingsachterstand te veroorzaken.

De kantonrechter concludeert dat verweerder de gevorderde hoofdsom van €13.319,29, de contractuele rente, incassokosten van €908,19 en proceskosten van €2.731,78 moet betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en verweerder wordt veroordeeld tot betaling binnen veertien dagen na aanschrijving.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente, incassokosten en proceskosten aan eiser wegens tekortschieten in de leaseovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11534601 \ CV EXPL 25-415
Vonnis van 2 december 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: Jongejan & Wisseborn,
tegen
[verweerder],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [verweerder],
procederend in persoon.

1.Samenvatting

In het tussenvonnis is [verweerder] in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt te onderbouwen dat de kosten onnodig zijn opgelopen omdat hij sinds december 2023 heeft geprobeerd om de overeenkomst met [eiser] te beëindigen en [eiser] hieraan niet heeft meegewerkt. De kantonrechter oordeelt dat [verweerder] zijn verweer onvoldoende heeft onderbouwd. Dat maakt dat [verweerder] de door [eiser] gevorderde bedragen inclusief de extra kosten moet betalen. Dit oordeel zal in dit eindvonnis hierna worden toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 augustus 2025,
- de akte van [verweerder],
- de akte uitlating met producties 8 tot en met 10 van [eiser],
- de reactie van [verweerder],
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling

Na tussenvonnis
3.1.
Bij tussenvonnis is [verweerder] in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt te onderbouwen dat de kosten onnodig zijn opgelopen omdat hij sinds december 2023 bij [eiser] heeft aangegeven dat hij de overeenkomst wilde beëindigen en [eiser] hieraan niet heeft meegewerkt door niet een beëindigingsvoorstel in de zin van artikel 2.6 van de algemene voorwaarden te sturen. In het bijzonder is hierover in het tussenvonnis onder 5.5. overwogen:
‘‘
Het is aan [verweerder] om in die akte toe te lichten op welk(e) moment(en) hij heeft gevraagd om beëindiging van de overeenkomst door uiteen te zetten en te onderbouwen wanneer hij met [eiser] heeft gebeld over de beëindiging en met wie hij daarover in welke bewoordingen heeft gesproken, en de e-mails die hij in dit kader heeft toegezonden aan [eiser] als bijlage bij de akte te overleggen.’’
-
Vanaf december 2023
3.2.
In zijn akte alsmede in zijn reactie op de antwoordakte van [eiser] heeft [verweerder] gesteld dat hij lange tijd bezig is geweest met [eiser] om de overeenkomst te beëindigen. Hoewel hij niet alles op papier heeft staan heeft hij hierover vaak telefonisch contact gehad met [eiser], aldus [verweerder].
3.3.
Bij antwoordakte heeft [eiser] aangevoerd dat, anders dan [verweerder] tijdens de zitting naar voren heeft gebracht, niet is gebleken dat [verweerder] al vanaf december 2023 contact heeft gehad met [eiser] over de beëindiging van de overeenkomst. Dit komt volgens [eiser] ook omdat daarover tussen partijen in de maanden december 2023, januari 2024 en februari 2024 niet is gesproken.
3.4.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Gelet op de betwisting van [eiser] had het op de weg van [verweerder] gelegen om concreet aan te geven wanneer hij heeft gezegd dat hij de overeenkomst wilde beëindigen, door toe te lichten op welke dagen hij heeft gebeld, met wie hij heeft gesproken en wat er is besproken. Dit is ook zo overwogen in het tussenvonnis in r.o. 5.5. Dit heeft [verweerder] niet gedaan. Ook heeft [verweerder] bijvoorbeeld geen verklaringen van [hulpverlening] en/of zijn vriendin overgelegd, die zijn stellingen op dit punt ondersteunen. Dat maakt dat de kantonrechter niet kan vaststellen of partijen vanaf december 2023 telefonisch hebben gesproken over de beëindiging van de overeenkomst. Hiermee heeft [verweerder] eigenlijk al niet aan zijn verplichtingen van het tussenvonnis voldaan. [verweerder] heeft voor de latere periode nog wel nadere informatie overgelegd maar dat is niet genoeg om te oordelen dat [eiser] tekortgeschoten is in de contractuele verplichting tot het aanbieden van een afkoopsom. De kantonrechter zal dat per periode toelichten.
-
Maart 2024 tot augustus 2024
3.5.
Bij akte heeft [verweerder] gesteld dat hij in ieder geval per e-mail op 12 maart 2024 aan zijn contactpersoon bij [eiser] ([contactpersoon]) duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij de auto wilde inleveren. Volgens [verweerder] is er vervolgens niet gereageerd door [eiser], ondanks dat hij meermalen telefonisch contact heeft geprobeerd te zoeken met [contactpersoon] of iemand anders van [eiser]. Ook heeft [verweerder] e-mailcorrespondentie over de periode 21 augustus 2024 tot en met 2 september 2024 overgelegd. Volgens [verweerder] blijkt hieruit dat hij geen duidelijkheid kreeg van [eiser] over wat hij nu precies moest doen en wat de financiële gevolgen voor hem waren.
3.6.
Bij antwoordakte heeft [eiser] betwist dat [verweerder] geen antwoord heeft ontvangen op zijn mail van 12 maart 2024. Op 13 maart 2024 heeft [verweerder] volgens [eiser] namelijk een brief gekregen waarin de contractuele afkoopsom per 1 april 2024 wordt genoemd. Het is vervolgens [verweerder] geweest die niets meer van zich liet horen, aldus [eiser]. Ook heeft [eiser] betwist dat [verweerder] niet wist wat zijn opties waren. Uit de mails in de periode augustus 2024 volgt volgens [eiser] dat [verweerder] is geïnformeerd over de contractuele afkoopsom per 1 september 2024. Voor zover [verweerder] heeft bedoeld te vragen in zijn mails of hij de auto kon kopen verwijst [eiser] naar haar website. Daar staat te lezen dat dit niet mogelijk is omdat dit pas kan aan het einde van de leaseperiode, aldus [eiser].
3.7.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Met de mail van 12 maart 2024 heeft [verweerder] voldoende onderbouwd dat hij toen bij [eiser] heeft aangegeven dat hij de auto graag wilde inleveren en daarmee de overeenkomst wilde beëindigen. Volgens [eiser] heeft zij hierop gereageerd bij brief van 13 maart 2024. [verweerder] heeft in zijn reactie op de antwoordakte van [eiser] betwist dat hij deze brief heeft ontvangen. Los van de vraag of [verweerder] de brief van [eiser] heeft ontvangen, is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] niet tekortgeschoten is. Een enkele mail waarop [eiser] mogelijk niet gereageerd zou hebben, is daarvoor onvoldoende. Daarbij weegt mee dat uit de door [verweerder] over de periode augustus 2024 overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt, anders dan de correspondentie die bij conclusie van antwoord is overgelegd door [verweerder], dat [verweerder] wel een antwoord van [eiser] heeft ontvangen. Op 21 augustus 2024 heeft [eiser] gereageerd, nadat [verweerder] op diezelfde dag heeft aangegeven dat hij van de auto af wilde. Daarin schrijft [eiser] dat als [verweerder] de auto wil inleveren het handig is dat hij de auto zo snel mogelijk laat ophalen, zodat de overeenkomst kan worden beëindigd en dat [verweerder] hiervoor een afspraak kan maken. Op verzoek van [verweerder] heeft [eiser] vervolgens ook op 22 augustus 2024 en 27 augustus 2024 de afkoopsom per 1 september 2024 aan [verweerder] doorgegeven. Hiermee heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter voldaan aan haar verplichting om mee te werken aan een eerdere beëindiging van de overeenkomst. Uit de mails van [verweerder] in die periode blijkt ook dat hij op de hoogte was van de afkoopsom en de beëindigingskosten. Het is vervolgens [verweerder] geweest die de auto niet heeft ingeleverd. De enkele omstandigheid dat [verweerder] stelt dat hij geen duidelijke reactie heeft gehad op zijn vraag wat het zou kosten als hij de auto zou overnemen maakt dit niet anders. Dat de communicatie van [eiser] niet duidelijk genoeg was voor [verweerder] is gelet op het voorgaande niet genoeg om te oordelen dat [eiser] is tekortgeschoten in de contractuele verplichtingen. [verweerder] kon uit de voorwaarden, de informatie op de website waar [eiser] naar verwijst en de mailwisseling in augustus 2024 afleiden hoe hij de auto kon inleveren en was in ieder geval vanaf augustus 2024 op de hoogte van de beëindigingskosten. Daarmee moet worden vastgesteld dat [verweerder] als eerste is tekortgeschoten in de verplichtingen op grond van de overeenkomst door een betalingsachterstand te laten ontstaan.
-
Conclusie
3.8.
Uit het vorenstaande volgt dat [verweerder] zijn verweer dat [eiser] tekortgeschoten is in haar verplichting om mee te werken aan een eerdere beëindiging van de overeenkomst onvoldoende heeft onderbouwd. Nu vaststaat dat [verweerder] vanaf augustus 2024 een betalingsachterstand heeft laten ontstaan, kan zonder nadere onderbouwing niet gezegd worden dat het aan een toerekenbare tekortkoming van [eiser] heeft gelegen dat er extra kosten (rente, incassokosten en proceskosten) zijn bijgekomen.
3.9.
Zoals al in het tussenvonnis is overwogen, betekent dit dat de vorderingen van [eiser] inclusief de extra kosten worden toegewezen. De kantonrechter blijft voor het overige bij wat er in het tussenvonnis al is overwogen en beslist.
De vorderingen
-
Hoofdsom
3.10.
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] in zijn reactie op de antwoordakte van [eiser] geen verweer meer voert tegen de door [eiser] gevorderde hoofdsom. [verweerder] zal dan ook een bedrag van € 13.319,29 aan hoofdsom moeten betalen.
-
De bijkomende kosten (contractuele rente, incassokosten en proceskosten)
3.11.
[verweerder] is ook de contractuele rente verschuldigd over de hoofdsom tot en met 28 januari 2025 voor een bedrag van € 314,78, alsmede de contractuele rente over de hoofdsom vanaf 29 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. [verweerder] heeft de facturen van [eiser] namelijk niet op tijd betaald, zodat hij de contractuele rente op grond van de overeenkomst en algemene voorwaarden moet betalen.
3.12.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal het bedrag van € 908,19 worden toegewezen.
3.13.
[verweerder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.015,00
(2,5 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.731,78
Betalingsregeling
3.14.
De kantonrechter merkt op dat voor het geval [verweerder] een betalingsregeling wil treffen, hij zich daarvoor moet wenden tot (de gemachtigde van) [eiser].

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.542,26, vermeerderd met de rente van 18,375% per jaar over een bedrag van € 13.319,29, vanaf
29 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening,
4.2.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 2.731,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.