ECLI:NL:RBOVE:2025:6998

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
11775417 \ CV EXPL 25-2014
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering achterstallige toeslag op grond van Arbeidsvoorwaardenregeling Kosters

De werknemer was als koster in dienst bij de werkgever en vorderde betaling van een achterstallige toeslag voor onregelmatige en onaangename werkuren op grond van de Arbeidsvoorwaardenregeling Kosters (AVRK). De werkgever betwistte de toepasselijkheid van de AVRK en stelde dat de werknemer al gecompenseerd was via pensioenpremies en loonverhoging.

De kantonrechter oordeelde dat de AVRK van toepassing was op de arbeidsovereenkomst, mede omdat de werkgever door verwijzing in de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt dat de regeling gold. De uitleg van artikel 17 AVRK Pro gebeurde volgens de cao-norm, waarbij werd vastgesteld dat een koster die op onregelmatige of onaangename uren werkt recht heeft op een toeslag van 25% van het bruto maandsalaris.

De werknemer had voldoende onderbouwd dat hij op dergelijke uren werkte en de werkgever had dit niet effectief betwist. De kantonrechter wees het verweer van de werkgever af dat reeds compensatie had plaatsgevonden en oordeelde dat de toeslag niet gematigd hoefde te worden op grond van redelijkheid en billijkheid. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de achterstallige toeslag, de gemiste pensioenopbouw, wettelijke rente en een gematigde wettelijke verhoging van 5%, alsmede de proceskosten.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige toeslag, pensioenopbouw, wettelijke rente, wettelijke verhoging en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11775417 \ CV EXPL 25-2014
Vonnis van 2 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: Gereformeerd Maatschappelijk Verbond,
tegen
[gedaagde],
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. A. Balke.

1.De zaak en de uitspraak in het kort

1.1.
[eiser] is als koster in dienst geweest bij de [gedaagde]. [eiser] vordert in deze procedure betaling van een achterstallige toeslag voor onregelmatige en onaangename werkuren op grond van de Arbeidsvoorwaardenregeling Kosters. De [gedaagde] vindt dat de vordering afgewezen moet worden omdat die arbeidsvoorwaardenregeling volgens haar niet van toepassing is en [eiser] bovendien al op andere wijze is gecompenseerd voor de onregelmatige en onaangename werkuren. Ook vindt zij dat toewijzing van de volledige achterstallige toeslag in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
1.2.
De kantonrechter zal in dit vonnis de vorderingen van [eiser] grotendeels toewijzen. De kantonrechter legt dat oordeel hierna uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 18 september 2025 met productie van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Met ingang van 16 mei 2004 is [eiser] in dienst getreden bij de [gedaagde] in de functie van koster voor acht uur per week. Partijen hebben op 11 mei 2006 een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten die inhield dat [eiser] voor onbepaalde tijd en voor 38 uur per week werkzaam zou zijn als koster. Het laatstgenoten bruto loon bedroeg € 3.778,58 exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.
3.2.
[eiser] is als lid aangesloten bij de vakbond Christennetwerk GMV (hierna CGMV). De [gedaagde] is als lid aangesloten bij het Steunpunt KerkenWerk (hierna SKW). CGMV en SKW hebben namens hun leden gezamenlijk de Arbeidsvoorwaardenregeling Kosters (hierna AVRK) gesloten. In de preambule van de AVRK 2025 is het volgende opgenomen:
“(..) Deze arbeidsvoorwaardenregeling heeft tot doel een landelijke richtlijn te zijn bij de invulling van de arbeidsrelatie en arbeidscontracten in de kerken (NGK en samenwerkingsgemeenten met CGK). Door hun lidmaatschap van SKW / CGMV conformeren zij zich aan de inhoud en passen de arbeidsvoorwaardenregeling onverkort toe.”
3.3.
In artikel 17 van Pro de AVRK is het volgende opgenomen:
Artikel 17: Toeslagregeling Pro
Indien de koster op onregelmatige of onaangename uren werkzaamheden verricht en/of
verantwoordelijkheid gaat dragen voor de exploitatie van buffet en keukenverkoop dient een
expliciete keuze gemaakt te worden tussen de toeslagregeling en de provisieregeling als
aanvulling op het maandelijks inkomen. De kerk dient met de koster ofwel artikel 17a ofwel artikel 17b overeen te komen.
Artikel 17a: Toeslag
De werknemer die op onregelmatige of onaangename uren werkzaamheden verricht, ontvangt een toeslag van 25% van het voor de werknemer geldende bruto maandsalaris. Deze toeslag maakt deel uit van het totale bruto inkomen.
Artikel 17b: Provisieregeling
1. De in functieomschrijving Koster II/III voorkomende werkzaamheden, verbonden aan de exploitatie van een buffet en/of keuken, kunnen worden uitgevoerd met inachtneming van onderstaande.
2. Indien werkgever en werknemer zijn overeengekomen de provisieregeling toe te passen,
gelden onderstaande bepalingen:
a. de (te verwachten) provisie is gelijk of hoger dan 25% van het bruto maandsalaris zoals
genoemd in artikel 17a.
b. de provisie bedraagt 25% van het totaal van de omzet en de opbrengst van de verhuur. Voor de berekening van de omzet gelden de prijzen zoals aan derden in rekening
worden gebracht;
c. de medewerker ontvangt per maand een voorschot op de hem toekomende provisie.
Aan het einde van het jaar vindt een definitieve afrekening plaats;
d. de aan de medewerker toekomende provisie maakt deel uit van het totale bruto inkomen.”
3.4.
De arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden op 31 augustus 2025 geëindigd.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van de [gedaagde]:
tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 57.556,61 bruto, zijnde de achterstallige toeslag conform artikel 17 van Pro de AVRK over de periode maart 2020 tot einde arbeidsovereenkomst;
tot vergoeding van gemiste pensioenopbouw over voormeld bedrag;
tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over voornoemd bedrag;
tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over het onder 1 genoemde bedrag, vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van betaling met een maximum van 50%, althans een ander in goede justitie te bepalen bedrag;
tot betaling van de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van gemachtigde en verschotten en de nakosten, indien gedaagde niet binnen de in het vonnis gestelde termijn tot vrijwillige betaling overgaat, te vermeerderen met btw.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft vanaf de aanvang van de arbeidsovereenkomst op onregelmatige en onaangename uren gewerkt zonder dat hij daarvoor op grond van artikel 17 AVRK Pro gecompenseerd is. In verband met de verjaringstermijn van vijf jaar vordert hij de achterstallige toeslag voor de afgelopen vijf jaar (vanaf maart 2020) van € 57.556,61 bruto.
4.3.
De [gedaagde] voert verweer. De [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
Volgens de [gedaagde] is de AVRK niet op de arbeidsovereenkomst van toepassing en, voor zover de AVRK wel van toepassing zou zijn, is het onduidelijk hoe artikel 17 AVRK Pro precies moet worden uitgelegd. Verder heeft [eiser] niet op onregelmatige of onaangename uren gewerkt en is [eiser] al gecompenseerd voor eventuele onregelmatige of onaangename uren omdat de [gedaagde] het werknemersdeel van de pensioenafdracht betaalde en [eiser] vanaf augustus 2022 een hoger loon heeft betaald. Tot slot voert de [gedaagde] aan dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid wanneer zij de volledige toeslag aan [eiser] moet betalen. Zij vindt daarom dat zij hetgeen zij meer heeft betaald dan waartoe zij op grond van de AVRK toe verplicht was, mag verrekenen met de nog te betalen toeslagen.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
In deze zaak staat de vraag centraal of de AVRK van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en de [gedaagde] en, indien dat het geval is, hoe artikel 17 AVRK Pro moet worden uitgelegd en of [eiser] recht heeft op een toeslag op grond van dit artikel.
Is de AVRK van toepassing?
5.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de AVRK van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Wat partijen in de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen is niet alleen afhankelijk van de inhoud van de tekst van de arbeidsovereenkomst, maar ook van wat partijen hebben verklaard en over en weer in de gegeven omstandigheden uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (de Haviltex-norm). In dit kader is van belang dat de [gedaagde] lid was van het SKW (en [eiser] van CGMV) en dat het SKW en CGMV jaarlijks onderhandelen over de tekst van de AVRK, waarna zij de definitieve versie ter stemming aan hun leden voorleggen. Wanneer de leden van SKW en CGMV voor de regeling stemmen, komt de regeling tot stand en geldt die voor de afgesproken periode. In de AVRK 2025 is de bedoeling van de regeling dat leden zich door hun lidmaatschap conformeren aan de inhoud daarvan en de regeling onverkort toepassen, ook expliciet in de preambule opgenomen. Namens [eiser] is onbetwist toegelicht dat de arbeidsvoorwaardenregeling ook in de jaren daarvoor deze bedoeling had. Hoewel de [gedaagde] zich, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht, niet gebonden acht aan de AVRK omdat de AVRK geen bindende regeling zoals een cao is en het SKW volgens de [gedaagde] niet bevoegd was haar bij het aangaan van de AVRK te vertegenwoordigen, heeft zij bij [eiser] wel de indruk gewekt dat de AVRK op de arbeidsovereenkomst van toepassing was. In artikel 6 van Pro de arbeidsovereenkomst is namelijk als volgt verwezen naar de AVRK:
“De werknemer ontvangt een bruto maandsalaris van € 2.255,- op basis van 38 uren per week. Deze beloning is gebaseerd op functieschaal 3 met 9 functiejaren. Functie 3 houdt in koster met beheersverantwoordelijkheid. E.e.a. conform de arbeidsvoorwaardenregeling van het GMV. Exemplaren van de functie-inhoud alsmede de voorwaardenregeling zijn bijgevoegd.”[eiser] heeft de arbeidsovereenkomst met de AVRK vervolgens van de [gedaagde] ontvangen en partijen hebben niet expliciet over de inhoud daarvan gesproken of onderhandeld.
5.3.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden heeft de [gedaagde] bij [eiser] door de verwijzing naar de AVRK in de arbeidsovereenkomst het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de AVRK op de arbeidsovereenkomst van toepassing was. Anders dan de [gedaagde] aanvoert was de toepasselijkheid van de AVRK in de arbeidsovereenkomst niet alleen beperkt tot de functieomschrijving, althans dat hoefde [eiser] niet zo te begrijpen. De verwijzing naar de AVRK is namelijk opgenomen in artikel 6 van Pro de arbeidsovereenkomst waarin niet alleen afspraken worden gemaakt over de aard van de functie, maar juist ook over de beloning. Voor toepasselijkheid hoefde de AVRK bij deze stand van zaken niet expliciet op de gehele arbeidsovereenkomst van toepassing te worden verklaard zoals de [gedaagde] heeft betoogd en had het op haar weg gelegen de werking van de AVRK uit te sluiten of te beperken indien zij zich daaraan (gedeeltelijk) niet gebonden achtte. Ook de stelling van de [gedaagde] dat de AVRK niet (onverkort) van toepassing is omdat zij het werknemersdeel van het pensioen betaalde zonder dat zij daartoe volgens de AVRK verplicht was, gaat niet op. Uit alleen het feit dat er op een onderdeel een voor [eiser] gunstigere voorwaarde is overeengekomen, hoefde [eiser], gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, niet te begrijpen dat de AVRK in de visie van de [gedaagde] niet, of slechts gedeeltelijk van toepassing was.
Hoe moet artikel 17 AVRK Pro worden uitgelegd?
5.4.
Partijen verschillen van mening over de uitleg van artikel 17 AVRK Pro. Volgens [eiser] moet artikel 17 AVRK Pro zo worden uitgelegd dat een koster recht heeft op 25% van zijn bruto maandloon wanneer hij op onregelmatige of onaangename uren werkt. Onaangename uren zijn volgens [eiser] onder andere uren in de avonden, uren op zaterdag, uren tijdens zijn vakantie en (zeer) lange werkdagen. De [gedaagde] betwist dat. Volgens de [gedaagde] is niet duidelijk wat onder onaangename uren moet worden verstaan en zijn onaangename en onregelmatige uren bovendien inherent aan de werkzaamheden van een koster. Ook moet de bepaling volgens de [gedaagde] zo worden uitgelegd dat een koster alleen recht heeft op een verhoging van 25% over het uurloon voor de onaangename uren en niet over het volledige bruto maandloon.
5.5.
De kantonrechter overweegt dat artikel 17 AVRK Pro uitgelegd moet worden aan de hand van de CAO-norm. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wordt de cao-norm toegepast op regelingen die naar hun aard bestemd zijn de rechtspositie van derden te beïnvloeden, zonder dat die derden invloed hebben (gehad) op de inhoud of de formulering van die regeling, terwijl de onderliggende partijbedoeling voor die derden niet kenbaar is. Niet gesteld of gebleken is dat partijen invloed hebben gehad op de bewoordingen van de bepalingen in de AVRK, zodat de cao-norm moet worden toegepast. Hoewel tussen partijen vaststaat dat de AVRK geen bindende cao is in de zin van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst, rechtvaardigt de wijze van totstandkoming dus wel een uitleg volgens de cao-norm.
5.6.
De cao-norm houdt in dat een bepaling naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst, van doorslaggevende betekenis is. Uit de tekst van artikel 17 AVRK Pro volgt dat een koster die op onregelmatige of onaangename uren werkt recht heeft op een toeslag van 25% (artikel 17a AVRK) of provisie (artikel 17b AVRK). [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de toeslagregeling van 25% gedurende het dienstverband van [eiser] in alle opeenvolgende regelingen van de AVRK stond en in ieder geval traceerbaar in de gepubliceerde regelingen vanaf 2008. Omdat de toeslag van artikel 17a AVRK op grond van artikel 17b lid 2 sub b AVRK onderdeel is van de provisieregeling, heeft de koster in het geval op onregelmatige of onaangename uren wordt gewerkt in ieder geval recht op een toeslag. Omdat [eiser] alleen de toeslag vordert, zal de kantonrechter de provisieregeling van artikel 17b AVRK verder buiten beschouwing laten.
5.7.
Uit artikel 17 AVRK Pro volgt niet wat moet worden verstaan onder onaangename of onregelmatige uren en hoeveel van deze uren moeten zijn gewerkt voordat er een recht op toeslag ontstaat. Zoals hiervoor overwogen moet de bepaling in het licht van de gehele regeling worden gelezen. Daarom is ook de preambule van de AVRK 2025 van belang voor de uitleg van artikel 17 AVRK Pro. In de preambule van de AVRK 2025 is onder andere het volgende opgenomen:
Beloningsstructuur:
Zowel SKW als CGMV constateren dat er moeite bestaat bij het begrijpen en correct toepassen van artikel 17 “toeslag”. Volgens de regeling komt bijna elke koster in aanmerking voor de 25% toeslag omdat veelal gewerkt wordt op onregelmatige en onaangename uren. Dit artikel is gedateerd en vraagt om aanpassing. Eind 2023 is er besloten om in het voorjaar van 2024 een gerichte studie en benchmark te doen naar de gehele systematiek waarbij de toeslagregeling meer geïntegreerd wordt in de salaristabellen (…) De studie en benchmark is inmiddels afgerond. Samengevat is het basissalaris van de NGK koster lager dan een vergelijkbare functie bij de PKN. Daartegenover staat dat na verplichte toepassing van artikel 17, dus met 25% toeslag, de salarissen weer hoger uitvallen dan die van de PKN. (…) Als CGMV en SKW waren we eerst voornemens de 25% toeslag onverkort te verwerken in het basissalaris om genoemde onduidelijkheden weg te nemen. Echter lijkt dit meer consequenties te kunnen hebben dan eerder voorzien. Daarom is besloten de praktijk van de kerken concreet en volledig in beeld te brengen. (…) Pas daarmee kunnen wij goed onderbouwd bezien welke consequenties vastzitten aan voorstellen ter wijziging. Eventuele wijzigingen worden in het najaar van 2025 aan u voorgelegd”.
5.8.
Partijen zijn het erover eens dat het werken op onregelmatige en onaangename uren inherent is aan het werk van koster. Volgens [eiser] betekent dat dat artikel 17 AVRK Pro nagenoeg altijd van toepassing is. De [gedaagde] voert aan dat dit niet de bedoeling van de bepaling kan zijn geweest en de bepaling daarom juist niet moet worden toegepast. De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de tekst van artikel 17 AVRK Pro, gelezen in het licht van de preambule, volgt dat de toeslagregeling van artikel 17 AVRK Pro op nagenoeg alle kosters van toepassing is. Uit de preambule volgt verder dat er snel aanspraak gemaakt kan worden op de toeslag om de lagere lonen van de AVRK te compenseren. [eiser] heeft in dit kader onbetwist gesteld dat dit ook de bedoeling van de eerdere versies van de AVRK was. Ook volgt uit de preambule dat om die reden inmiddels het voornemen bestaat om de regeling te integreren in de salaristabel. Dat is alleen nog niet gebeurd en daarom is de regeling in de door [eiser] gevorderde periode van 2020-2025 onverminderd van kracht.
5.9.
Uit de tekst van artikel 17 AVRK Pro volgt verder dat de koster die op onregelmatige en onaangename uren werkt, recht heeft op 25% van het voor werknemer geldende bruto maandsalaris. Er is dus een koppeling gemaakt met het maandsalaris van de betreffende medewerker. In de tekst van artikel 17 AVRK Pro, noch de preambule is een aanknopingspunt te vinden voor de stelling van de [gedaagde] dat alleen een toeslag verschuldigd zou zijn over de gewerkte onaangename of onregelmatige uren. Dit strookt ook niet met het feit dat de AVRK al een aparte overwerkregeling kent. Dat betekent dat een koster die een beroep op de toeslagregeling kan doen, recht heeft op 25% van het bruto maandloon.
Kan [eiser] aanspraak maken op de toeslag?
5.10.
[eiser] stelt dat hij op onregelmatige en onaangename uren heeft gewerkt. Ter onderbouwing verwijst hij naar door hem overgelegde weekoverzichten waaruit volgt dat hij op onregelmatige basis (vrijwel) alle doordeweekse dagen, meerdere avonden per week, op zondag en soms op zaterdag werkte. De zondag is daarbij als een gewone werkdag aangemerkt in de arbeidsovereenkomst. Volgens [eiser] zijn de door hem overgelegde weekoverzichten een voorbeeld voor hoe al zijn weken er tussen maart 2020 en augustus 2025 uitzagen.
5.11.
De kantonrechter overweegt dat de [gedaagde], zoals zij ook ter zitting heeft verklaard, de door [eiser] overgelegde overzichten en gestelde uren op zich niet betwist, maar dat er volgens haar ook rustigere periodes waren zoals tijdens de Coronapandemie en tijdens vakanties en dat [eiser] bovendien hulpkosters had. Dat heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling vervolgens gemotiveerd weersproken. [eiser] heeft toegelicht dat er nagenoeg geen hulpkosters beschikbaar waren en dat die bovendien alleen op zondagen inzetbaar waren, waardoor hij als de hulpkoster beschikbaar was, één keer per jaar op vakantie kon. Ook heeft hij toegelicht dat zijn werkzaamheden er tijdens de Coronapandemie wellicht anders uitzagen, maar dat hij toen juist extra druk was, onder andere vanwege de extra werkzaamheden als gevolg van de coronamaatregelen en het aantal uitvaarten in die periode. De [gedaagde] heeft dat niet betwist. Ook heeft de [gedaagde] erkend dat zij met [eiser] gesprekken heeft gevoerd over het feit dat [eiser] teveel uren werkte en te zwaar belast was, en dat zij [eiser] daarnaast bewust beloond heeft met een salarisverhoging na de zware periode tijdens de Coronapandemie. Uit de stellingen van [eiser] en de onvoldoende gemotiveerde betwisting van de [gedaagde] volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat voldoende vaststaat dat [eiser] op onregelmatige en onaangename uren in de zin van artikel 17 AVRK Pro heeft gewerkt. Het enkele feit dat ook anderen soms het kerkgebouw afsloten na een vergadering in de avond zoals [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht, maakt dat oordeel niet anders.
5.12.
De [gedaagde] stelt dat zij [eiser] al gecompenseerd heeft voor de onregelmatige en onaangename uren door vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst het werknemersdeel van de pensioenpremie te betalen en door hem vanaf augustus 2022 een loonsverhoging te geven. Daarin volgt de kantonrechter haar niet. Partijen zijn niet overeengekomen dat die vergoedingen de aanspraak op de toeslag van artikel 17 AVRK Pro (deels) zouden vervangen en hebben daar ook niet over gesproken. [eiser] hoefde er dan ook geen rekening mee te houden dat hij, door het accepteren van de tegemoetkomingen van de [gedaagde], zijn recht op de toeslag (deels) prijsgaf.
Moet de toeslag gematigd worden op grond van de redelijkheid en billijkheid?
5.13.
Volgens de [gedaagde] is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid wanneer zij de volledige toeslag moet betalen. Zij voert daartoe aan dat zij vanaf de aanvang van de arbeidsovereenkomst het werknemersdeel van de pensioenpremie heeft betaald terwijl zij daartoe op grond van de AVRK niet verplicht was en dat zij [eiser] een loonsverhoging heeft gegeven, waardoor zij vanaf augustus 2022 tot het einde van de arbeidsovereenkomst een hoger loon heeft betaald dan het loon dat zij volgens de AVRK verschuldigd was. De [gedaagde] vindt daarom dat zij de toeslag op grond van artikel 17 AVRK Pro mag verrekenen met die bedragen.
5.14.
De kantonrechter volgt de [gedaagde] daarin niet. Zoals de kantonrechter hiervoor heeft overwogen heeft de [gedaagde] om andere redenen een hoger loon en het werknemersdeel van de pensioenpremie betaald en was het niet de kenbare intentie van partijen om daarmee het recht op de toeslag te beperken. Daar komt bij dat [eiser], zoals hij stelt, al vanaf de aanvang van zijn voltijd arbeidsovereenkomst in 2006, recht heeft gehad op betaling van de toeslag, maar dat hij zijn vordering vanwege de verjaringstermijn heeft beperkt tot de gemiste toeslag over alleen de afgelopen vijf jaar. Dat weegt mee bij het oordeel dat de betaling van de volledige toeslag over de afgelopen vijf jaar niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Omdat de [gedaagde] geen vordering heeft op [eiser], kan zij die ook niet verrekenen met het bedrag dat zij nog aan [eiser] moet betalen.
5.15.
Gelet op het voorgaande heeft [eiser] recht op betaling van de toeslag op grond van artikel 17 AVRK Pro over de periode vanaf maart 2020 tot en met het einde van de arbeidsovereenkomst in augustus 2025. [eiser] heeft gemotiveerd gesteld (en de [gedaagde] heeft niet betwist) dat de toeslag over die periode bruto € 57.556,61 bedraagt. De vordering zal daarom worden toegewezen.
Is de [gedaagde]p
ensioenopbouw en wettelijke rente verschuldigd?
5.16.
Uit artikel 17a AVRK volgt dat de toeslag deel uitmaakt van het brutoloon, dat betekent dat de [gedaagde] ook de pensioenopbouw over de toeslag moet betalen. [eiser] heeft echter niet onderbouwd hoeveel pensioenpremie er had moeten worden afgedragen en of er een grondslag is om die premies aan [eiser] te betalen of via het pensioenfonds. Omdat vaststaat dat er wel pensioenpremies over dit bedrag hadden moeten worden afgedragen door de [gedaagde] en de [gedaagde] tegen dit deel van de vordering geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering worden toegewezen. Partijen kunnen dan – zonodig in overleg met het pensioenfonds, vaststellen hoeveel pensioenopbouw [eiser] is misgelopen en of dit via het pensioenfonds of rechtstreeks moet worden vergoed aan [eiser].
5.17.
De [gedaagde] is ook de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro verschuldigd over de achterstallige toeslag vanaf het moment dat die opeisbaar is geworden. Dat betekent dat de wettelijke rente berekend moet worden over de maandelijkse toeslag vanaf de maand dat die verschuldigd is geworden, tot de dag van de volledige betaling.
Is de [gedaagde] de wettelijke verhoging verschuldigd?
5.18.
[eiser] vordert de wettelijke verhoging over de niet betaalde toeslag van (maximaal) 50%. De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 5% omdat, hoewel de [gedaagde] een deel van het loon niet tijdig heeft betaald, haar geen (groot) verwijt treft. Het betreft een aanvullende loonaanspraak waarvan de [gedaagde] zich niet bewust was. Daarbij komt ook dat het een omvangrijke aanvullende loonaanspraak over een langere periode betreft waarover de [gedaagde], naast de wettelijke verhoging, ook al de wettelijke rente verschuldigd is.
Proceskosten
5.19.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
1.630,00
(2 punten × € 815,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.641,47

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt de [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 57.556,61, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de maand waarop de toeslag opeisbaar is geworden tot aan de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt de [gedaagde] tot vergoeding van de gemiste pensioenopbouw over het bedrag van € 57.556,61,
6.3.
veroordeelt de [gedaagde] tot betaling van de wettelijke verhoging van 5% over het bedrag van € 57.556,61 op grond van artikel 7:625 BW Pro,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.641,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.(mb)