ECLI:NL:RBOVE:2025:7003

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
11687439 \ CV EXPL 25-1508
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:203 BWArt. 6:205 BWArt. 6:119 BWArt. 1:439 BWArt. 9 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering onverschuldigde betaling voorschot behandeling verslaving in Thailand

De bewindvoerder van een cliënt onder beschermingsbewind betaalde een voorschot van €12.500 aan een buitenlandse behandelaar voor een behandeltraject in Thailand. De zorgverzekeraar VGZ vergoedde later de behandeling, waarna de behandelaar het voorschot niet terugbetaalde. De bewindvoerder vorderde daarom terugbetaling op grond van onverschuldigde betaling.

De behandelaar voerde verweer dat de vergoeding van VGZ alleen betrekking had op verlengingen van de behandeling en niet op de eerste behandeltermijn waarvoor het voorschot was betaald. De rechtbank oordeelde dat de vergoeding wel degelijk betrekking had op de eerste behandeltermijn en dat de behandelaar het voorschot onterecht heeft behouden.

De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en Nederlands recht van toepassing was. De vordering van de bewindvoerder werd toegewezen, inclusief wettelijke rente vanaf het moment dat de behandelaar in verzuim was geraakt. De behandelaar werd tevens veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de behandelaar tot terugbetaling van €12.500 met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11687439 \ CV EXPL 25-1508
Vonnis van 2 december 2025
in de zaak van
[eisende partij], h.o.d.n. [eisende partij],
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [belanghebbende],
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder respectievelijk [belanghebbende],
gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[gedaagde],
te [vestigingsplaats 2] (Thailand),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[belanghebbende] heeft een behandeltraject gevolgd bij [gedaagde] in Thailand. De bewindvoerder van [belanghebbende] heeft, in afwachting van een vergoeding door de zorgverzekeraar (hierna: VGZ of zorgverzekeraar), een voorschot van in totaal € 12.500,00 aan [gedaagde] betaald. De behandeling is tweemaal verlengd tot een totale duur van zestien weken. De zorgverzekeraar heeft vervolgens een bedrag van in totaal € 20.964,50 aan [gedaagde] vergoed voor de behandeling van [belanghebbende]. Nu [gedaagde] het betaalde voorschot niet aan [belanghebbende] (respectievelijk de bewindvoerder) heeft terugbetaald ondanks vergoeding van die behandeling door VGZ, vordert de bewindvoerder op grond van onverschuldigde betaling restitutie van het bedrag van € 12.500,00. De kantonrechter wijst deze vordering toe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord en het aanvullende antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de e-mailberichten van 23 en 30 oktober 2025 met productie(s) van [belanghebbende],
- de mondelinge behandeling van 3 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Ter bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van [belanghebbende] is een beschermingsbewind over de goederen van [belanghebbende] ingesteld. Daarbij is de bewindvoerder tot bewindvoerder benoemd.
2.2.
In verband met een verslaving van [belanghebbende] heeft zij contact gezocht met [gedaagde] om in Thailand voor haar verslaving te worden behandeld. De bewindvoerder heeft, in aanloop naar de behandeling, met [gedaagde] contact gehad over (de betaling van) het behandelingstraject.
2.3.
Op 25 april 2023 heeft de bewindvoerder voor een eerste behandeling van [belanghebbende] van zes weken (hierna ook: de eerste behandeltermijn), vooruitlopend op de vergoeding door de zorgverzekeraar, een voorschot betaald aan [gedaagde] van € 12.500,00.
2.4.
In totaal is [belanghebbende] 16 weken bij [gedaagde] behandeld. Na de eerste behandeltermijn is haar verblijf aansluitend verlengd. De eerste verlenging (hierna ook: de tweede behandeltermijn) vond plaats direct aansluitend aan de eerste behandeltermijn en de tweede verlenging (hierna ook: de derde behandeltermijn) vond plaats nadat [belanghebbende] voor vijf weken in Nederland is verbleven.
2.5.
Op 19 juli 2023 heeft de zorgverzekeraar kenbaar gemaakt dat – bij wijze van wijziging van een eerder op 30 juni 2023 vastgesteld bedrag van € 7.422,24 – een bedrag van € 12.530,70 voor de behandeling wordt vergoed. Vervolgens heeft de zorgverzekeraar nogmaals € 8.433,80 vergoed voor een volgende behandeltermijn.
2.6.
Op 8 september 2023 is namens de bewindvoerder een e-mail aan [gedaagde] gestuurd, waarin is verzocht het bedrag van € 12.500,00, ten titel van onverschuldigde betaling, aan [belanghebbende] te voldoen. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
2.7.
Op 5 april 2024 en vervolgens op 14 november 2024 is namens de bewindvoerder [gedaagde] aangemaand om tot betaling over te gaan.
2.8.
[gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

3.Het geschil

3.1.
De bewindvoerder vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 12.500,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
De bewindvoerder legt aan zijn vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat hij het bedrag van €12.500,00 onverschuldigd heeft voldaan. De bewindvoerder heeft het bedrag van € 12.500,00 voor de eerste behandeltermijn betaald als voorschot. De zorgverzekeraar heeft zich vervolgens bereid verklaard om deze eerste behandeltermijn van zes weken te vergoeden. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om eventuele vervolgbehandelingen betaald te kunnen krijgen door de zorgverzekeraar. [belanghebbende], noch haar bewindvoerder, heeft zich akkoord verklaard om het voorschot van €12.500,00 aan te wenden voor vervolgbehandelingen. Gelet op het beschermingsbewind, waarvan [gedaagde] op de hoogte was, mocht alleen de bewindvoerder toestemming geven voor vervolgbehandelingen. De bewindvoerder doet uitdrukkelijk een beroep op artikel 1:439 BW Pro. De laatste behandeling van vier weken zou bovendien door [gedaagde] om niet worden verricht, aldus de bewindvoerder.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert – samengevat – aan dat zij weliswaar vergoeding heeft gevraagd aan de zorgverzekeraar voor de eerste behandeltermijn, maar dat dit door de zorgverzekeraar is afgewezen. De zorgverzekeraar heeft weliswaar twee vergoedingen toegekend, maar deze zien op de tweede en derde behandeltermijn (eerste en tweede verlenging). In ieder geval zijn de door VGZ toegekende vergoedingen aangewend voor de eerste en tweede verlenging. [gedaagde] wist weliswaar dat sprake was van beschermingsbewind, maar de bewindvoerder heeft samen met [gedaagde] de vluchten voor [belanghebbende] omgeboekt, waarmee [gedaagde] ervan uit is gegaan dat de bewindvoerder heeft ingestemd met een verlenging van de behandeling van [belanghebbende] (ondanks dat VGZ hiervoor (nog) geen vergoeding heeft toegekend.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Rechtsmacht
4.1.
[gedaagde] is gevestigd in Thailand en [belanghebbende] is woonachtig in Nederland, zodat er internationale aspecten verbonden zijn aan deze zaak. Hierdoor moet eerst onderzocht worden of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.
4.2.
Nu gedaagde in Thailand is gevestigd, dient de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te worden beoordeeld aan de hand van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
4.3.
[gedaagde] heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet weersproken en desgevraagd ter zitting aangegeven dat uit haar verschijning en het niet betwisten van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, mag worden afgeleid dat de Nederlandse rechter bevoegdheid toekomt.
4.4.
De kantonrechter stelt dan ook vast dat zij, op grond van artikel 9 onder Pro a Rv bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen aangezien [gedaagde] in de procedure is verschenen zonder de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te betwisten.
Toepasselijk recht
4.5.
[gedaagde] heeft de toepasselijkheid van het Nederlands recht niet weersproken en desgevraagd heeft zij ter zitting medegedeeld in te stemmen met toepassing van het Nederlandse recht.
4.6.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De bepaling van het toepasselijke recht geschiedt ten aanzien van deze vordering op grond van onverschuldigde betaling aan de hand van de Rome II-Verordening (EG) nr. 864/2007, die op grond van haar universele karakter (artikel 3 Rome Pro II) van toepassing is, ook indien één van de partijen buiten de Europese Unie is gevestigd, zoals in dit geval [gedaagde], in Thailand.
4.7.
Partijen hebben geen uitdrukkelijke rechtskeuze gemaakt, maar nu de bewindvoerder zijn vordering op Nederlands recht heeft gebaseerd en [gedaagde] in deze procedure is verschenen zonder daartegen verweer te voeren – en zij dit ter zitting uitdrukkelijk heeft bevestigd – leidt de kantonrechter hieruit af dat partijen (stilzwijgend) hebben gekozen voor toepassing van Nederlands recht in de zin van artikel 14, eerste lid, Rome II-Verordening, zodat het geschil naar Nederlands recht wordt beoordeeld.
Onverschuldigde betaling
4.8.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de bewindvoerder een bedrag van €12.500,00 onverschuldigd heeft betaald aan [gedaagde].
4.9.
Op grond van artikel 6:203 lid 1 BW Pro is degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Een betaling is derhalve alleen onverschuldigd, indien er op het moment van betaling geen rechtsgrond voor de betaling bestaat of deze rechtsgrond nadien is komen te vervallen. Tussen partijen is niet in geschil dat de bewindvoerder, in het kader van de overeenkomst tot behandeling van [belanghebbende] een bedrag van € 12.500,00 heeft betaald op de bankrekening van [gedaagde] en dat dit bedrag door [gedaagde] is ontvangen. Evenmin is in geschil dat tussen partijen is overeengekomen dat [gedaagde] bij de zorgverzekeraar vergoeding van de behandeling van [belanghebbende] zou aanvragen, en dat, wanneer VGZ tot vergoeding zou overgaan, het voorgeschoten bedrag door [gedaagde] aan [belanghebbende] zou worden terugbetaald. De kantonrechter begrijpt het standpunt van de bewindvoerder zo dat de rechtsgrond voor de betaling van de € 12.500,00 is komen te vervallen toen VGZ de behandeling aan [gedaagde] heeft vergoed. Het geschil tussen partijen ziet in het bijzonder op de vraag of VGZ de behandeling waarvoor de bewindvoerder heeft betaald, inmiddels heeft vergoed en daarmee of voor de betaling van de bewindvoerder aan [gedaagde] nog een rechtsgrond bestaat. Hierover overweegt de kantonrechter als volgt.
4.10.
Volgens de bewindvoerder is door de verzekeringsvergoeding en gelet op de afspraak tussen partijen, de rechtsgrond voor de betaling komen te vervallen en is de betaling daarmee onverschuldigd geworden. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de bewindvoerder naar een brief van 19 juli 2023 van VGZ waaruit blijkt dat VGZ voor de behandeling van [belanghebbende] een bedrag ad €12.530,70 vergoedt. Daarnaast verwijst de bewindvoerder naar een overzicht van bij VGZ gedeclareerde zorgkosten, waaruit blijkt dat voor haar behandeling bij [gedaagde] in totaal een bedrag van € 20.964,50 is gedeclareerd. [gedaagde] voert als verweer aan dat deze vergoeding door VGZ niet ziet op de eerste behandeltermijn, maar op de daaropvolgende eerste en tweede verlenging (de tweede en derde behandeltermijn), zodat de bewindvoerder dit bedrag niet meer als onverschuldigd betaald van [gedaagde] kan terugvorderen.
4.11.
[gedaagde] wordt hierin niet gevolgd. Ten eerste heeft de bewindvoerder gemotiveerd betwist dat de vergoeding door de zorgverzekeraar ziet op deze tweede (en derde) behandeltermijn. De stelling van [gedaagde] over de vergoeding door VGZ volgt ook niet uit de afspraken tussen partijen en de brieven van VGZ. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] vergoeding zou aanvragen voor de eerste behandeltermijn. In vervolg op die aanvraag heeft VGZ vervolgens uitkeringen gedaan aan [gedaagde]. VGZ spreekt in de brieven over de eerste vergoeding ook niet over een verlenging maar over ‘de aanvraag voor een klinische opname’. Voor zover [gedaagde] betoogt dat voor de eerste behandeltermijn wel een aanvraag om vergoeding bij VGZ is ingediend, maar deze is afgewezen, vindt dit standpunt geen steun in de overgelegde stukken en is het evenmin anderszins aannemelijk geworden. Het verweer van [gedaagde] wordt bovendien niet ondersteund door de door haar in het geding gebrachte facturen (waaronder haar factuur van 31 juli 2023) noch door haar brief van 3 augustus 2023 van dr. [psychiater] (psychiater en hoofdbehandelaar van [belanghebbende]) en drs. [psycholoog] (psycholoog) (hierna: psychiater en psycholoog) aan VGZ. In die brief schrijven de psychiater en psycholoog dat VGZ de behandeling van zes weken vergoedt, maar dat de behandeling niet voldoende is en dat deze dient te worden verlengd. Dit strookt niet met het betoog van [gedaagde] dat VGZ alleen de verlengingen van de behandeling vergoedt en niet de eerste behandeling. [gedaagde] heeft aan haar verweer ook geen andere stukken ten grondslag gelegd waaruit haar standpunt dat de verzekeraar alleen de verlengingen vergoedt, kan volgen. Dit betekent dat [gedaagde] na ontvangst van de eerste vergoeding door VGZ de voorwaardelijk betaalde € 12.500,00 had moeten terugbetalen. [gedaagde] heeft er echter op dat moment zonder overleg met de bewindvoerder voor gekozen om de voorwaardelijke betaling van € 12.500,00 te behouden voor de eerste behandeling en de vergoedingen van VGZ aan te wenden voor vervolgbehandelingen. Dit was in strijd met de eerdere financiële afspraak met de bewindvoerder. Voor zover [gedaagde] heeft betoogd dat [belanghebbende] hiermee heeft ingestemd - hetgeen door [belanghebbende] en de bewindvoerder is betwist - kan dit ook niet tot een ander oordeel leiden. [gedaagde] was op de hoogte van het beschermingsbewind en was gebonden aan de financiële afspraak met de bewindvoerder.
4.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bewindvoerder het bedrag van €12.500,00 onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald. Omdat de onverschuldigde betaling betrekking heeft op een geldsom, strekt de vordering, op grond van artikel 6:203 lid 2 BW Pro, tot terugbetaling van een gelijk bedrag. De kantonrechter wijst de vordering van de bewindvoerder op [gedaagde] tot betaling van €12.500,00 derhalve toe.
4.13.
Aangezien het verweer van [gedaagde], dat de zorgverzekeraar uitsluitend de tweede (en derde) behandeltermijn heeft vergoed en niet de eerste behandeltermijn, niet slaagt, behoeft het standpunt van de bewindvoerder – dat niet [belanghebbende] maar de bewindvoerder toestemming had moeten verlenen voor de verlenging van de eerste behandeling, en zijn beroep op artikel 1:439 BW Pro – geen nadere bespreking meer.
Wettelijke rente
4.14.
De bewindvoerder vordert wettelijke rente vanaf 21 april 2023. Dat is de factuurdatum. Het voorschot heeft de bewindvoerder vervolgens betaald op 25 april 2023. De bewindvoerder heeft echter geen feiten gesteld waaruit volgt dat [gedaagde] (op grond van artikel 6:205 BW Pro) vanaf 21 april 2023 of de betaaldatum in verzuim is geraakt. Uit de dagvaarding maakt de kantonrechter op dat de bewindvoerder op 8 september 2023 een brief heeft gestuurd waarin is gevorderd dat het onverschuldigd betaalde bedrag van € 12.500,00 zou moeten worden vergoed aan de bewindvoerder. Daarin is een betaaltermijn van 7 dagen gegeven. De kantonrechter neemt daarom als vaststaand aan dat [gedaagde] na het verstrijken van die termijn op 16 september 2023 in verzuim is geraakt. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal als niet weersproken worden toegewezen met ingang van 16 september 2023.
Proceskosten
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de bewindvoerder heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van de bewindvoerder worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 × € 406,00)
- nakosten
135,00
Totaal
1.037,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de bewindvoerder te betalen een bedrag van € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 september 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.037,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.