Art. 3:178 BWArt. 3:180 BWArt. 3:185 BWArt. 6:119 BWBoek II titel 3 afdeling 2 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verkoop woning ter voldoening geldvordering en verdeling gemeenschap eigenaren
Partij A vordert op grond van artikel 3:180 BWPro en 3:185 lid 2 sub c BW de verkoop van een woning waarvan partijen B1 en B3 gezamenlijk eigenaar zijn, om met de opbrengst van het aandeel van B3 een openstaande geldvordering te voldoen. Na eerdere procedures staat vast dat B3 een bedrag aan A moet betalen, maar dit is onbetaald gebleven.
De rechtbank wijst de vorderingen grotendeels toe tegen B1 en B3, en verklaart A niet-ontvankelijk jegens B2 omdat deze geen deel meer uitmaakt van de gemeenschap. B3 heeft zijn verweer grotendeels laten varen, maar wijst op een huurovereenkomst tussen B1 en B2 die de verkoop kan beperken.
De rechtbank gelast de executoriale verkoop van de woning, wijst een notariskantoor aan voor de verkoop en bepaalt dat A het deel van de netto-opbrengst ontvangt dat aan hem toekomt, met een maximum van het openstaande bedrag. Proceskosten worden verdeeld en toegewezen aan de verschillende partijen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank gelast executoriale verkoop van de woning en veroordeelt mede-eigenaar tot betaling van de geldvordering aan eiser.
Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/323934 / HA ZA 24-429
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. J.W. Both,
tegen
1.[partij B 1],
te [woonplaats 2],
hierna te noemen [partij B 1],
gedaagde partij,
niet verschenen,
2.2. [partij B 2],
te [woonplaats 3],
hierna te noemen [partij B 2],
advocaat: mr. M. van Lith,
gedaagde partij in conventie, verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
3.3. [partij B 3],
te [woonplaats 4],
hierna te noemen [partij B 3],
advocaat: mr. M. van Lith,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
alle gedaagden hierna samen te noemen: [partij B].
Samenvatting
[partij B 3] is door deze rechtbank veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan
[partij A], welk bedrag onbetaald is gebleven. [partij A] vordert in deze procedure op grond van artikel 3:180 BWPro en 3:185 lid 2 sub c BW verkoop van de woning, waarvan, na een aantal gevoerde gerechtelijke procedures, vaststaat dat [partij B 1] en [partij B 3] gezamenlijk eigenaar zijn. Met de opbrengst uit het aandeel van [partij B 3] kan de vordering van [partij A] worden voldaan. De vorderingen ten opzichte van [partij B 1] en [partij B 3] worden grotendeels toegewezen. Ten opzichte van [partij B 2] wordt [partij A] niet ontvankelijk verklaard.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (1-12) - de conclusie van antwoord in conventie en van (voorwaardelijke) eis in reconventie met producties (1-8)
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte overlegging producties (13-16) van [partij A] en [partij B 2]
- de akte overlegging productie (17) van [partij A] en [partij B 2] - de mondelinge behandeling van 25 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De feiten
2.1.
Bij (eind)vonnis van deze rechtbank van 9 februari 2022 is [partij B 3] veroordeeld tot betaling aan [partij A] van een bedrag van € 92.159,02, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 90.479,23 vanaf 8 juli 2020 tot aan de dag waarop alles is betaald. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) heeft dit vonnis bekrachtigd. Per 31 augustus 2024 was het bedrag dat [partij B 3] op grond van dit vonnis aan [partij A] moet betalen € 137.683,76.
2.2.
Tijdens voornoemde procedure hebben [partij B 3] en [partij B 2] hun gezamenlijke woning aan de [adres] (hierna: de woning) verkocht aan [partij B 1]. Nadat
[partij A] dit ontdekte heeft hij op 6 september 2021 conservatoir paulianabeslag/ conservatoir beslag tot levering van een onroerende zaak laten leggen op de woning. Ook is hij een procedure gestart tegen [partij B] tot vernietiging van de verkoop en levering van de woning aan [partij B 1].
2.3.
De rechtbank heeft de vordering tot vernietiging afgewezen bij vonnis van
26 oktober 2022, hersteld op 14 december 2022. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank in een verstekprocedure vernietigd en de vordering tot vernietiging alsnog toegewezen, met daarbij de verplichting dat de woning weer wordt overgedragen aan [partij B 3] en [partij B 2]. Na ingesteld verzet heeft het hof bij arrest op tegenspraak van 28 mei 2024 onder andere het volgende toegewezen:
-vernietiging van de koopovereenkomst van de woning aan [partij B 1] voor zover het de onverdeelde helft van [partij B 3] betreft;
-vernietiging van de levering van de woning aan [partij B 1] ter zake van de onverdeelde helft van [partij B 3]
-voornoemde vernietiging geldt alleen ten gunste van [partij A].
[partij B 1] en [partij B 3] en [partij B 2] zijn in cassatie gegaan tegen dit arrest. Bij arresten van
18 juli 2025 heeft De Hoge Raad zowel het cassatieberoep van [partij B 1] als van [partij B 3] en [partij B 2] verworpen.
2.4.
Per brief van 15 april 2024 heeft de gemachtigde [partij A] een brief gestuurd naar de gemachtigde van [partij B 3] en [partij B 2] waarin hij, voor zover nodig, namens
[partij A] een beroep doet op de vernietigbaarheid van de door [partij B] gestelde huurovereenkomst tussen [partij B 1] enerzijds en [partij B 3] en [partij B 2] anderzijds.
2.5.
[partij A] heeft er meerdere keren bij [partij B 3] en [partij B 2] op aangedrongen om de woning te verkopen, zodat met een deel van de opbrengst zijn vordering op [partij B 3] kan worden voldaan. [partij B] hebben geen medewerking verleend aan een (onderhandse) verkoop, waarna [partij A] deze procedure is begonnen.
3.Het geschil
in conventie
3.1.
[partij A] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat [partij A] recht heeft op verdeling van de enkelvoudige gemeenschap van de woning, op grond van diens opeisbare vordering op [partij B 3], met begroting van die vordering per 31 augustus 2024 op € 137.683,76,
met de vaststelling dat de gemeenschap wordt verdeeld door de verkoop van de woning,
met bepaling dat de woning executoriaal moet worden verkocht op de wijze zoals die (onder meer) volgt uit de tweede afdeling van de derde titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door middel van een door de rechtbank te benoemen notaris,
met bepaling dat [partij A] gemachtigd is, na veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [partij B], de betreffende notaris aan te zoeken om vervolgens voortvarend het verkooptraject te bewandelen, voort te zetten en af te ronden,
met bepaling dat de notaris binnen twee dagen na inschrijving van het proces-verbaal van toewijzing, na gunning en als afronding van de veiling - en ontvangst van de verkoopprijs en onder aftrek van de door de notaris te begroten en te bepalen executiekosten - aan [partij A] de helft van de netto-opbrengst dient uit te betalen, met als maximum het bedrag van € 137.683,76 (te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 september 2024 over € 90.479,23 en lopende executiekosten voor zover die niet vallen onder de proceskosten van deze procedure),
met veroordeling van [partij B] in de proceskosten.
3.2.
[partij A] heeft zijn vorderingen gebaseerd op de artikelen 3:180 BW en
3:185 lid 2 sub c BW. Hij verlangt van [partij B 3] dat hij voldoet aan de veroordeling uit het vonnis van 9 februari 2022. Nu [partij B 3] niet vrijwillig aan dat vonnis voldoet, ziet hij geen andere mogelijkheid dan verdeling van de gemeenschap tussen [partij B 1] en [partij B 3] te vorderen en zich te verhalen op het aandeel van [partij B 3] in de woning. Om zich hierop te kunnen verhalen moet de woning worden verkocht, zodat het aandeel van [partij B 3] kan worden uitgewonnen. Omdat [partij B 3] hieraan niet meewerkt, moet de woning volgens [partij A] executoriaal worden verkocht, zodat met de opbrengst uit het aandeel van [partij B 3] de vordering van [partij A] kan worden voldaan.
3.3.
[partij B 1] is niet in het geding verschenen en heeft dus ook geen verweer gevoerd.
3.4.
[partij B 3] en [partij B 2] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij A] in zijn vorderingen ten opzichte van [partij B 2] en tot afwijzing van de vorderingen ten opzichte van [partij B 3].
3.5.
[partij B 2] heeft gesteld dat er geen rechtsgrond bestaat om haar in deze procedure te dagvaarden, omdat zij geen partij is bij de kwestie. In het arrest van het hof van 28 mei 2024 is alleen de vernietiging van de verkoop en levering van de woning voor het aandeel van [partij B 3] in de woning in stand gebleven. Het aandeel van [partij B 2] in de woning is dus rechtsgeldig overgedragen aan [partij B 1], zodat zij geen aandeel meer heeft in de gemeenschap waarvan [partij A] verdeling vordert. Zij merkt daarnaast nog op dat zij een huurovereenkomst met [partij B 1] heeft gesloten voor de (ver)huur van de woning en dat die huurovereenkomst tussen haar en [partij B 1] onverminderd van kracht is gebleven.
3.6.
[partij B 3] heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de rechtbank de verdeling van de woning ex artikel 3:178 lid 3 BWPro moet uitsluiten totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen. Ter zitting heeft hij aangegeven dat hij het beroep op artikel 3:178 lid 3 BWPro laat varen, nu de Hoge Raad arrest heeft gewezen en de vernietiging van de verkoop en levering van zijn aandeel in de woning vast is komen te staan. Daarbij heeft hij benoemd dat hij wel moeite heeft met hoe de vierde en vijfde vordering geformuleerd zijn. Ook heeft hij benadrukt dat er nog een huurovereenkomst tussen [partij B 1] en [partij B 2] geldt, zodat de woning alleen in verhuurde staat kan worden verkocht, waardoor de verkoopopbrengst beperkt zal zijn.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.8.
[partij B 3] en [partij B 2] vorderden uitsluiting van de verdeling van de woning ex artikel 3:178 lid 3 BWPro, totdat de Hoge Raad in de zaak over de verkoop van de woning aan [partij B 1] uitspraak had gedaan, maar uiterlijk tot drie jaar na de datum van dit vonnis. Nu de
Hoge Raad uitspraak heeft gedaan en [partij B 3] en [partij B 2] hun beroep op
artikel 3:178 lid 3 BWPro ter zitting uitdrukkelijk hebben laten varen, gaat de rechtbank ervan uit dat zij daarmee ook deze vordering in (voorwaardelijke) reconventie hebben ingetrokken.
4.De beoordeling
in conventie
Vorderingen ten aanzien van [partij B 1]
4.1.
is mede-eigenaar van de woning en deelgenoot in de gemeenschap. Tegen [partij B 1] is verstek verleend. De vorderingen komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom overeenkomstig artikel 139 RvPro worden toegewezen op de in de beslissing geformuleerde wijze. Daarbij zal vordering 4. wegens een gebrek aan belang worden afgewezen. In de beoordeling van vorderingen ten aanzien van [partij B 3] licht de rechtbank dit nader toe.
4.2.
[partij B 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aangezien er meerdere gedaagden zijn en [partij A] ten aanzien van [partij B 1] en [partij B 3] in het gelijk wordt gesteld, dient de proceskostenveroordeling te worden gesplitst. Het deel van de proceskosten van [partij A] dat voor rekening van [partij B 1] komt, wordt begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
69,11
(0,5 × 138,22)
- griffierecht
€
1.313,00
(0,5 × € 2.626,0)
- salaris advocaat
€
964,50
(0,5 punt × € 1.929,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.524,61
4.3.
De overige gedaagden zijn wel in het geding verschenen. Tegen [partij B] wordt in overeenstemming met artikel 140 lid 3 RvPro één vonnis gewezen. Dit vonnis wordt, ook ten aanzien van [partij B 1], beschouwd als een vonnis op tegenspraak.
Vorderingen ten aanzien van [partij B 2]
4.4.
De rechtbank volgt [partij B 2] in haar standpunt dat [partij A] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen tegenover [partij B 2], omdat zij geen deel meer uitmaakt van de gemeenschap waarvan [partij A] verdeling vordert. [partij A] heeft aangevoerd dat hij [partij B 2] heeft gedagvaard zodat zij, mede in verband met de huurpauliana, haar zegje kan doen en omdat zij moet worden veroordeeld tot het meewerken aan de verkoop van de woning aan een derde, door met haar gezin zo spoedig mogelijk uit de woning te vertrekken. Daarbij heeft [partij A] aangegeven dat hij [partij B 2] aansprakelijk houdt voor geleden en nog te lijden schade voorvloeiend uit haar onrechtmatige handelen, bestaande uit het (mede) belemmeren van [partij A] in zijn verhaalsmogelijkheden. De rechtbank overweegt dat hier weliswaar ook de belangen van [partij B 2] worden geraakt als bewoonster van de te verdelen woning, maar dat dit niet maakt dat zij ook partij is bij deze kwestie. In deze procedure gaat het om de verdeling van de woning, zodat met de opbrengst van het aandeel van [partij B 3] de betaling uit hoofde van het vonnis van 9 februari 2022 aan [partij A] kan worden verricht. In die rechtsbetrekking is [partij B 2] geen partij. De vorderingen in deze procedure zien niet op de vernietiging van de door [partij B 2] en [partij B 3] gestelde huurovereenkomst en evenmin op ontruiming van de woning of een door [partij B 2] te betalen schadevergoeding. [partij A] zal in zijn vorderingen tegenover [partij B 2] dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.5.
[partij A] is in het ongelijk gesteld en daarom ten aanzien van [partij B 2] worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van [partij B 2] worden begroot op:
- griffierecht € 2.626,00
- salaris advocaat
- nakosten
€
€
3.858.00
178,00
(2 punten × € 1.929,00)
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
6.662,00
Vorderingen ten aanzien van [partij B 3]
4.6.
Met het laten varen van zijn verweer ex artikel 3:178 lid 3 BWPro voert [partij B 3] geen verweer meer tegen de vorderingen 1, 2 en 3. Wel heeft hij opgemerkt dat er nog een huurovereenkomst geldt tussen [partij B 1] en [partij B 2] waarmee bij de verkoop van de woning rekening moet worden gehouden. [partij A] heeft betwist dat er nog een huurovereenkomst geldt. Volgens hem is, voor zover er al een huurovereenkomst gold, deze overeenkomst met de vernietiging van de verkoop en levering van het aandeel in de woning van [partij B 3] komen te vervallen. Mocht dat niet zo zijn, dan is deze huurovereenkomst volgens hem per brief van 15 april 2024 buitengerechtelijk vernietigd.
4.7.
Zoals de rechtbank hiervoor ten aanzien van de vorderingen op [partij B 2] heeft overwogen, zien de vorderingen van [partij A] niet op de vernietiging van de gestelde huurovereenkomst tussen [partij B 1] en [partij B 2]. De vraag of die huurovereenkomst al dan niet vernietigd of vernietigbaar is, is ook niet van invloed op de toewijsbaarheid van de vorderingen in deze procedure. De rechtbank kan hier in deze procedure dan ook geen oordeel over geven.
4.8.
De rechtbank begrijpt de vorderingen 1, 2 en 3 zó dat [partij A] vordert dat de rechtbank de verdeling van de gemeenschap gelast en bepaalt dat de woning zal worden verkocht door een executoriale verkoop. Die vorderingen zijn op grond van artikel 3:180 lid 1 BWPro en 3:185 lid 1 en lid 2 sub c BW toewijsbaar en zullen op de in de beslissing geformuleerde manier worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank Vechtstede Notarissen B.V. aanwijzen als notariskantoor. [partij B 3] heeft de voorkeur uitgesproken voor een notaris die niet in Zwolle is gevestigd. Vechtstede Notarissen B.V. heeft weliswaar een kantoor in Zwolle, maar heeft ook vestigingen in Hardenberg en Dalfsen. De verdeling en executoriale verkoop van een woning vergt specifieke kennis en ervaring. Vechtstede Notarissen B.V. heeft te kennen gegeven over die kennis en ervaring te beschikken. De rechtbank acht het daarom geraden in deze zaak Vechtstede Notarissen B.V. als notariskantoor aan te wijzen. Dit notariskantoor kan zelf bepalen welke notaris deze taak op zich zal nemen.
4.9.
Ten aanzien van vordering 4. heeft [partij B 3] ter zitting de vraag opgeworpen wat ermee wordt bedoeld dat [partij A] wordt gemachtigd om de betreffende notaris aan te zoeken om het verkooptraject voortvarend te bewandelen, voort te zetten en af te ronden. Hierop heeft [partij A] toegelicht dat hij met vordering 4. wenst te voorkomen dat op het moment er een notaris is benoemd er terugtrekkende bewegingen worden gemaakt.
De rechtbank overweegt dat de artikelen 514 Rv e.v. (boek II, titel 3, afdeling 2 Rv) voldoende waarborgen bevatten voor de voortvarendheid van de verkoopprocedure. [partij A] heeft daarom geen belang bij het onder 4. gevorderde. Die vordering zal dan ook worden afgewezen.
4.10.
Met betrekking tot vordering 5. heeft [partij B 3] opgemerkt dat niet kan worden bepaald dat de helft van de netto-opbrengst aan [partij A] moet worden uitbetaald, omdat dit volgens hem afhankelijk is van andere schuldeisers die zich aandienen en de rang van die schuldeisers ten opzichte van elkaar. De rechtbank overweegt dat in deze procedure niet is gesteld en ook niet is gebleken dat er andere schuldeisers zijn die recht hebben op een deel van de executieopbrengst. Het is aan de notaris om te bepalen wat de helft van de netto-opbrengst is om vervolgens aan [partij A] het bedrag uit te betalen dat aan [partij A] toekomt. In die zin zal de rechtbank de vordering toewijzen zoals in het dictum nader is bepaald.
4.11.
[partij B 3] zal worden veroordeeld in de proceskosten. Aangezien er meerdere gedaagden zijn en [partij A] ten aanzien van [partij B 1] en [partij B 3] in het gelijk wordt gesteld, dient de proceskostenveroordeling te worden gesplitst. Het deel van de proceskosten van [partij A] dat voor rekening komt van [partij B 3], wordt begroot op
- kosten van de dagvaarding
€
69,11
(0,5 × 138,22)
- griffierecht
€
1.313,00
(0,5 × € 2.626,0)
- salaris advocaat
€
2.891,50
(1,5 punt × € 1.929,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.451,61
in (voorwaardelijke) reconventie
4.12.
[partij B 3] en [partij B 2] hebben hun (voorwaardelijke) eis in reconventie ingetrokken. Zij zullen hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- salaris advocaat
- nakosten
€
€
964,00
178,00
(0,5 punt × € 1.929,00)
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.142,00
5.De beslissing
De rechtbank
in conventie
ten aanzien van [partij B 2]
5.1.
verklaart dat [partij A] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen jegens [partij B 2],
5.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten in deze procedure, aan de zijde van
[partij B 2] begroot € 6.662,00, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
ten aanzien van [partij B 1] en [partij B 3]
5.4.
bepaalt dat [partij A] recht heeft op verdeling van de enkelvoudige gemeenschap van de woning aan de [adres] op grond van zijn opeisbare vordering op [partij B 3], met begroting van die vordering per 31 augustus 2024 op
€ 137.683,76,
5.5.
gelast op grond van artikel 3:185 BWPro de verdeling van de gemeenschap door de verkoop van de woning,
5.6.
bepaalt dat de woning, indien noodzakelijk, executoriaal moet worden verkocht op de wijze zoals die (onder meer) volgt uit boek II, titel 3, afdeling 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij de rechtbank Vechtstede Notarissen B.V. aanwijst als notariskantoor,
5.7.
bepaalt dat de notaris binnen twee dagen na inschrijving van het proces-verbaal van toewijzing, na gunning en als afronding van de veiling – en ontvangst van de verkoopprijs en onder aftrek van de door de notaris te begroten en te bepalen executiekosten – aan [partij A] het deel dat aan [partij A] toekomt dient uit te betalen, met als maximum de helft van de netto-opbrengst alsmede als maximum het bedrag van € 137.683,76 (te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 september 2024 over € 90.479,23 en lopende executiekosten voor zover die niet vallen onder de proceskosten van deze procedure),
5.8.
veroordeelt [partij B 1] in de proceskosten van € 2.524,61, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij B 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.9.
veroordeelt [partij B 3] in de proceskosten van € 4.451,61, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij B 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in (voorwaardelijke) reconventie
5.10.
veroordeelt [partij B 2] en [partij B 3] hoofdelijk in de proceskosten van [partij A] van € 1.142,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij B 2] en [partij B 3] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en in reconventie
5.11.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. tot en met 5.10. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.12.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025