ECLI:NL:RBOVE:2025:7006
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van relatieve bevoegdheid en niet-ontvankelijkheid in beroep tegen Raad voor Rechtsbijstand
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoeker beroep ingesteld tegen een besluit van de Raad voor Rechtsbijstand (de raad) inzake handhaving en nakoming van artikel 24 van Pro de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). De rechtbank Overijssel moest allereerst beoordelen of zij bevoegd was om kennis te nemen van dit beroep, aangezien de rechtbanken Gelderland en Oost-Brabant zichzelf onbevoegd hadden verklaard en de zaken hadden doorgezonden.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 8:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb de rechtbank Overijssel bevoegd is, gelet op de woonplaats van verzoeker. De rechtbank stelde vast dat de brief van de raad van 14 december 2023 geen besluit in de zin van de Awb is, omdat deze niet gericht is op rechtsgevolg. Daarom was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank concludeerde dat de beroepen ongegrond zijn en dat verzoeker geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter Van Rosmalen en griffier Diele, en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt haar bevoegdheid; het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.