ECLI:NL:RBOVE:2025:7006

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
ak_24_3867 en 24_3914
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid van de rechtbank Overijssel in beroep tegen besluiten van de Raad voor Rechtsbijstand

In deze zaak heeft de rechtbank Overijssel zich gebogen over de bevoegdheid om kennis te nemen van het beroep van [verzoeker] tegen een besluit van de Raad voor Rechtsbijstand. [verzoeker] had in november en december 2023 verzocht om handhaving van artikel 24 van de Wet op de rechtsbijstand, maar zijn bezwaar tegen de reactie van de Raad werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Gelderland en de rechtbank Oost-Brabant hebben zich onbevoegd verklaard, waarna de zaak naar de rechtbank Overijssel werd doorgezonden. De rechtbank Overijssel concludeert dat zij bevoegd is op basis van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat [verzoeker] zijn woonplaats in Deventer heeft. De rechtbank oordeelt dat de brief van de Raad van 14 december 2023 geen besluit is dat gericht is op rechtsgevolg, en verklaart het bezwaar van [verzoeker] terecht niet-ontvankelijk. Uiteindelijk worden de beroepen ongegrond verklaard, wat betekent dat [verzoeker] geen gelijk krijgt en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 24/3867 en 24/3914

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats]

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (de raad)

(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).

Procesverloop

1. [verzoeker] heeft in november 2023 en december 2023 inzake meerdere toevoegingen de raad verzocht om handhaving en nakoming van artikel 24, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).
1.1.
De raad heeft met een brief van 14 december 2023 aangegeven dat de raad geen bemoeienis heeft met de wijze waarop een zaak wordt behandeld en de daarvoor te verrichten werkzaamheden.
1.2.
[verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 14 december 2023.
1.3.
De raad heeft het bezwaar van [verzoeker] met het bestreden besluit van 25 juni 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
[verzoeker] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit bij zowel de rechtbank Oost-Brabant als de rechtbank Gelderland.
1.5.
De rechtbank Gelderland heeft het beroep van [verzoeker] op 1 november 2024 doorgezonden aan de rechtbank Overijssel. [1]
1.6.
De rechtbank Oost-Brabant heeft het beroep van [verzoeker] op 4 november 2024 doorgezonden aan de rechtbank Overijssel. [2]
1.7.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de raad deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Bevoegdheid
2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zij bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Dat wordt ook wel relatieve competentie genoemd. Relatieve competentie is geregeld in artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in bijlage 2 bij de Awb.
2.1.
[verzoeker] stelt dat de rechtbank Overijssel onbevoegd is om kennis te nemen van zijn beroepen. Volgens [verzoeker] is de rechtbank Gelderland bevoegd om kennis te nemen van zijn beroep met zaaknummer ZWO 24/3867. De rechtbank Oost-Brabant is volgens [verzoeker] bevoegd om kennis te nemen van zijn beroep met zaaknummer ZWO 24/3914.
2.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 8:7 van de Awb luidt:
1. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan van een provincie, een gemeente of een waterschap dan wel tegen een besluit van een gemeenschappelijk orgaan, een bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie of een bestuursorgaan van een openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
2. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
3. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in hoofdstuk 3 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, is in afwijking van het eerste en tweede lid slechts de door dat hoofdstuk aangewezen rechtbank bevoegd. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 4:126 dat betrekking heeft op schade die is veroorzaakt door een besluit als bedoeld in de eerste zin of door een handeling ter uitvoering van een zodanig besluit, is in afwijking van het eerste en tweede lid eveneens slechts die rechtbank bevoegd.
4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden ingesteld bij een gerechtshof.
Artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb luidt, voor zover hier van belang:
3. Tegen een besluit van de Raad voor rechtsbijstand, bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank in het arrondissement waar de raad is gevestigd.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb op twee manieren kan worden en in andere uitspraken ook wordt uitgelegd.
2.4.
Als “bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand” zo gelezen moet worden dat dit verwijst naar “een besluit”, zal voor de relatieve competentie moeten worden beoordeeld of het gaat om een besluit zoals bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). Slechts als sprake is van zo’n besluit, is de rechtbank in het arrondissement waar de raad is gevestigd bevoegd. Van een dergelijk besluit is hier geen sprake. In overige gevallen, waarbij geen sprake is van een besluit zoals bedoeld in hoofdstuk II van de Wrb, gelden dan de algemene regels inzake de relatieve competentie uit artikel 8:7 van de Awb.
2.5.
De bepaling is echter ook zo te lezen dat “bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand” verwijst naar de Raad voor rechtsbijstand. In dat geval zou de rechtbank in het arrondissement waar de raad is gevestigd bevoegd zijn om kennis te nemen van beroepen tegen alle soorten besluiten die zijn genomen door de Raad voor rechtsbijstand.
2.6.
De rechtbank constateert dat zowel de rechtbank Gelderland als de rechtbank Oost-Brabant zichzelf onbevoegd hebben geacht om kennis te nemen van de beroepen van [verzoeker] . Zij hebben de beroepen van [verzoeker] immers doorgezonden naar de rechtbank Overijssel. De rechtbank zal daarom, in dit concrete geval, terugvallen op artikel 8:7 van de Awb. Artikel 8:7, tweede lid, van de Awb leidt in dit geval tot de conclusie dat de rechtbank Overijssel bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van [verzoeker] , gelet op zijn woonplaats Deventer. De rechtbank ziet in dit geval geen noodzaak om een eventueel geschil over de toepassing van artikel 8:7 en bijlage 2 van de Awb voor te leggen aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar
3. [verzoeker] voert aan dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de brief van 14 december 2023 wel is gericht op rechtsgevolg.
3.1.
Op grond van de Awb kan alleen tegen een besluit bezwaar worden gemaakt. [3] In de brief van 14 december 2023 is slechts aangegeven dat de raad niet de (wettelijke) bevoegdheid heeft om handhaving en nakoming van artikel 24 van de Wrb af te dwingen. De brief bevat dus geen beslissing die is gericht op rechtsgevolg en is daarom geen besluit als bedoeld in de Awb. De rechtbank is daarom van oordeel dat de raad het bezwaar van [verzoeker] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Conclusie en gevolgen

4. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat [verzoeker] geen gelijk krijgt. [verzoeker] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/3867.
2.Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/3914.
3.Artikel 1:3 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb.