ECLI:NL:RBOVE:2025:7007

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
ak_25_1319
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid van de rechtbank Overijssel in beroep tegen besluiten van de Raad voor Rechtsbijstand

In deze zaak heeft [verzoeker] beroep ingesteld tegen een besluit van de Raad voor Rechtsbijstand, waarin zijn bezwaar tegen een eerdere beslissing niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank Gelderland had het beroep van [verzoeker] doorgezonden naar de rechtbank Overijssel, omdat zij zichzelf onbevoegd achtte. De rechtbank Overijssel moest nu beoordelen of zij bevoegd was om van het beroep kennis te nemen. De rechtbank concludeert dat zij bevoegd is op basis van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat [verzoeker] zijn woonplaats in Deventer heeft. De rechtbank heeft vastgesteld dat de mail van de Raad voor Rechtsbijstand niet gericht was op rechtsgevolg en daarom geen besluit was in de zin van de Awb. Dit leidde tot de conclusie dat het bezwaar van [verzoeker] terecht niet-ontvankelijk was verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, wat betekent dat [verzoeker] geen gelijk kreeg en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1319

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats]

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (de raad)

(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).

Procesverloop

1. [verzoeker] heeft in juli 2024 inzake een toevoeging de raad verzocht om handhaving en nakoming van artikel 24, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).
1.1.
De raad heeft met een mail van 24 juli 2024 verwezen naar een brief van 14 december 2023, waarin de raad heeft aangegeven dat deze geen bemoeienis heeft met de wijze waarop een zaak wordt behandeld en de daarvoor te verrichten werkzaamheden.
1.2.
[verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen de mail van 24 juli 2024.
1.3.
De raad heeft het bezwaar van [verzoeker] met het bestreden besluit van 19 november 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
[verzoeker] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit bij de rechtbank Gelderland.
1.5.
De rechtbank Gelderland heeft het beroep van [verzoeker] op 25 april 2025 doorgezonden aan de rechtbank Overijssel.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de raad deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Bevoegdheid
2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zij bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Dat wordt ook wel relatieve competentie genoemd. Relatieve competentie is geregeld in artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in bijlage 2 bij de Awb.
2.1.
[verzoeker] stelt dat de rechtbank Overijssel onbevoegd is om kennis te nemen van zijn beroep.
2.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 8:7 van de Awb luidt:
1. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan van een provincie, een gemeente of een waterschap dan wel tegen een besluit van een gemeenschappelijk orgaan, een bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie of een bestuursorgaan van een openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
2. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
3. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in hoofdstuk 3 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, is in afwijking van het eerste en tweede lid slechts de door dat hoofdstuk aangewezen rechtbank bevoegd. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 4:126 dat betrekking heeft op schade die is veroorzaakt door een besluit als bedoeld in de eerste zin of door een handeling ter uitvoering van een zodanig besluit, is in afwijking van het eerste en tweede lid eveneens slechts die rechtbank bevoegd.
4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden ingesteld bij een gerechtshof.
Artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb luidt, voor zover hier van belang:
3. Tegen een besluit van de Raad voor rechtsbijstand, bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank in het arrondissement waar de raad is gevestigd.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb op twee manieren kan worden en in andere uitspraken ook wordt uitgelegd.
2.4.
Als “bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand” zo gelezen moet worden dat dit verwijst naar “een besluit”, zal voor de relatieve competentie moeten worden beoordeeld of het gaat om een besluit zoals bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). Slechts als sprake is van zo’n besluit, is de rechtbank in het arrondissement waar de raad is gevestigd bevoegd. Van een dergelijk besluit is hier geen sprake. In overige gevallen, waarbij geen sprake is van een besluit zoals bedoeld in hoofdstuk II van de Wrb, gelden dan de algemene regels inzake de relatieve competentie uit artikel 8:7 van de Awb.
2.5.
De bepaling is echter ook zo te lezen dat “bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand” verwijst naar de Raad voor rechtsbijstand. In dat geval zou de rechtbank in het arrondissement waar de raad is gevestigd bevoegd zijn om kennis te nemen van beroepen tegen alle soorten besluiten die zijn genomen door de Raad voor rechtsbijstand.
2.6.
De rechtbank constateert dat de rechtbank Gelderland zichzelf onbevoegd heeft geacht om kennis te nemen van het beroep van [verzoeker]. Zij heeft het beroep van [verzoeker] immers doorgezonden naar de rechtbank Overijssel. De rechtbank zal daarom, in dit concrete geval, terugvallen op artikel 8:7 van de Awb. Artikel 8:7, tweede lid, van de Awb leidt in dit geval tot de conclusie dat de rechtbank Overijssel bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van [verzoeker], gelet op zijn woonplaats Deventer. De rechtbank ziet in dit geval geen noodzaak om een eventueel geschil over de toepassing van artikel 8:7 en bijlage 2 van de Awb voor te leggen aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar
3. [verzoeker] voert aan dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de mail van 24 juli 2024 wel is gericht op rechtsgevolg.
3.1.
Op grond van de Awb kan alleen tegen een besluit bezwaar worden gemaakt. [1] In de mail van 24 juli 2024 is verwezen naar de brief van 14 december 2023, waarin de raad heeft aangegeven dat de raad niet de (wettelijke) bevoegdheid heeft om handhaving en nakoming van artikel 24 van de Wrb af te dwingen. Deze brief bevat geen beslissing die is gericht op rechtsgevolg en is dan ook geen besluit als bedoeld in de Awb. De mail van 24 juli 2024 is daarom ook geen besluit. De rechtbank is van oordeel dat de raad het bezwaar van [verzoeker] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [verzoeker] geen gelijk krijgt. [verzoeker] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 1:3 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb.