ECLI:NL:RBOVE:2025:7007
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling relatieve bevoegdheid en ontvankelijkheid beroep tegen besluit Raad voor Rechtsbijstand
Verzoeker heeft in juli 2024 een verzoek ingediend bij de Raad voor Rechtsbijstand om handhaving en nakoming van artikel 24, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand. De Raad verwees naar een eerdere brief waarin werd aangegeven dat zij geen bemoeienis heeft met de wijze van behandeling van zaken. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze reactie, maar het bezwaar werd door de Raad niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker stelde beroep in bij de rechtbank Gelderland, die het beroep doorzond naar de rechtbank Overijssel.
De rechtbank Overijssel moest beoordelen of zij bevoegd was het beroep te behandelen. De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 8:7 Awb Pro en artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb de rechtbank in het arrondissement waar de Raad is gevestigd bevoegd kan zijn, maar dat dit alleen geldt voor besluiten zoals bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand. Omdat hier geen sprake was van een dergelijk besluit, viel de bevoegdheid terug op de rechtbank in het arrondissement van de woonplaats van verzoeker, te weten Overijssel.
Verder oordeelde de rechtbank dat de brief en mail van de Raad niet gericht waren op rechtsgevolg en daarom geen besluit in de zin van de Awb vormden. Het bezwaar was terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van verzoeker werd daarom ongegrond verklaard. Verzoeker krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.
De uitspraak werd gedaan door rechter V.P.K. van Rosmalen en griffier E. Diele op 5 december 2025 in Zwolle. Verzoeker kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker wordt ongegrond verklaard en de rechtbank Overijssel is bevoegd.