ECLI:NL:RBOVE:2025:7048
Rechtbank Overijssel
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige omgangsregeling wegens ontbreken spoedeisend belang
De man verzocht de rechtbank om een voorlopige omgangsregeling met zijn minderjarige kind, waarbij hij eens per 14 dagen onbegeleid contact zou hebben. Hij stelde dat er eerder contact was en dat het belang van omgang groot is, ook omdat de moeder het contact zou belemmeren. De vrouw voerde verweer dat sinds november 2022 geen contact meer was geweest en dat er geen nauwe persoonlijke betrekking bestaat. Tevens wees zij op de problematiek van de man, zoals verslavingen en gebrek aan pedagogische kwaliteiten.
De rechtbank nam kennis van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en stelde vast dat er een bodemprocedure loopt waarin een bijzondere curator is benoemd om een standpunt in te nemen over het afstammingsverzoek. De rechtbank oordeelde dat het verzoek om een voorlopige voorziening samenhangt met de hoofdvordering, maar dat de man geen spoedeisend belang heeft omdat er al jaren geen contact is geweest.
Verder werd geoordeeld dat het advies van de bijzondere curator en de uitkomst van de bodemprocedure moeten worden afgewacht, omdat deze bepalend zijn voor de juridische grondslag van het omgangsverzoek. De rechtbank kon daarom niet vooruitlopen op het verzoek en wees het af. De beschikking werd uitgesproken op 11 december 2025 door mr. C.W. Couperus-van Kooten.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige omgangsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.