ECLI:NL:RBOVE:2025:7049

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
C/08/337587 / FA RK 25-2181
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag in een familierechtelijke procedure met internationale aspecten

In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel op 10 december 2025 een beschikking gegeven in een familierechtelijke procedure. De moeder heeft verzocht om het gezamenlijk gezag over haar twee minderjarige kinderen te wijzigen naar eenhoofdig gezag, omdat de vader al geruime tijd niet betrokken is bij de opvoeding en verzorging van de kinderen. De ouders zijn eerder getrouwd geweest en hebben samen twee kinderen, geboren in Syrië en Nederland. De moeder heeft aangegeven dat het gezamenlijk gezag problemen veroorzaakt, omdat de vader regelmatig zijn toestemming weigert voor belangrijke beslissingen, zoals schoolaangelegenheden en vakanties. De vader is niet verschenen op de zitting en heeft een referteverklaring ondertekend. De Raad voor de Kinderbescherming heeft het verzoek van de moeder ondersteund, omdat het in het belang van de kinderen is dat zij weten waar zij vandaan komen, maar ook dat de moeder makkelijker beslissingen kan nemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader al jaren niet betrokken is bij de kinderen en dat de moeder feitelijk alleen het gezag uitoefent. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder toegewezen en bepaald dat zij voortaan alleen het gezag heeft over de kinderen, met de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/337587 / FA RK 25-2181
beschikking van 10 december 2025
in de zaak van
[Moeder],
verder te noemen: de moeder,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.E. Versteeg, voorheen mr. J.H. van den Berg,
en
[Vader],
verder te noemen: de vader,
wonende te Zwolle.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift (met bijlagen), binnengekomen op 25 augustus 2025;
  • een brief van 19 november 2025 van de zijde van de moeder, met als bijlage een referteverklaring van 10 november 2025;
  • een brief van 20 november 2025 van de zijde van de moeder;
  • een voorwaardelijk aanvullend verzoek, ingediend op 26 november 2025.
1.2.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten
deuren op 27 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Van den Berg;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
1.3.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.3.
De rechter heeft op 20 november met [kind 1] en [kind 2] gesproken.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.
2.2.
Zij hebben samen de navolgende kinderen:
[kind 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2013
[kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2016.
De minderjarigen verblijven bij de moeder.
2.3.
De ouders hebben samen het gezag over de minderjarigen. Dit betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over de minderjarigen nemen.
2.4.
Bij beschikking van 27 november 2017 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Deze beschikking is op 11 september 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.5.
De ouders hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.6.
Sinds de echtscheiding heeft tussen de vader en de minderjarigen vrijwel geen omgang meer plaatsgevonden.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat
primair
- het gezamenlijk gezag van beide ouders over de minderjarigen te beëindigen en te bepalen dat de moeder voortaan alleen met het gezag over de minderjarigen belast zal zijn;
subsidiair
  • het gezamenlijk gezag van beide ouders over [kind 2] te beëindigen en te bepalen dat de moeder voortaan alleen met het gezag over haar belast zal zijn;
  • het gezag van de vader over [kind 1] te beëindigen en de moeder voortaan met het eenhoofdig gezag over hem te belasten.
3.2.
Ter onderbouwing van het primaire verzoek stelt de moeder dat het gezamenlijk gezag problemen veroorzaakt in zaken waarvoor zij de toestemming van de vader nodig heeft, omdat de vader regelmatig niet bereid is om zijn toestemming te geven bij schoolaangelegenheden of vakanties naar het buitenland. De houding van de vader veroorzaakt onrust bij de moeder en de minderjarigen, terwijl de vader geen belang heeft om zijn toestemming te weigeren nu hij al geruime tijd niet betrokken is bij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De moeder vindt wijziging van het gezag in het belang van de minderjarigen. Bij toewijzing van het verzoek wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie nu de moeder de volledige zorg- en opvoedingstaken voor de minderjarigen draagt.
3.3.
Ter onderbouwing van het subsidiaire verzoek stelt de moeder dat de vader is in het geheel niet is betrokken bij [kind 1] en het dan ook niet in het belang van [kind 1] is dat de vader dit eenhoofdig gezag zou uitoefenen. De moeder draagt alle zorg voor [kind 1] en zij moet dan ook belast zijn met het gezag over [kind 1] . Het is niet wenselijk als zij geen gezagsbeslissingen kan nemen.
3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder nog desgevraagd toegelicht dat er al lange tijd geen contact meer is met de vader, dat de vader geen interesse toont in de minderjarigen en dat het wel is gelukt om [kind 1] in te schrijven voor het voortgezet onderwijs ondanks dat de vader ook zijn toestemming hiervoor had moeten geven.

4.Het verweer

De vader heeft geen verweer gevoerd. Hij heeft een referteverklaring ondertekend.

5.Het advies van de raad

De raad vindt het een voor de minderjarigen verdrietige situatie en ziet geen reden om het primaire verzoek van de moeder af te wijzen. Het moet voor de moeder makkelijker worden om beslissingen te nemen over de minderjarigen en om bijvoorbeeld met de minderjarigen op vakantie te kunnen gaan naar het buitenland. De raad wil de moeder nog meegeven dat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen wel belangrijk is dat zij weten waar zij vandaan komen en dat zij een beeld kunnen vormen van de vader.

6.De mening van [kind 1] en [kind 2]

Beide minderjarigen vinden het goed als alleen hun moeder met het gezag over hen zal zijn belast omdat hun vader niet in beeld is en niet bij hen betrokken is.

7.De beoordeling

Rechtsmacht
7.1.
Op grond van artikel 7 Brussel II-ter is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het verzoek.
Toepasselijk recht
7.2.
Op grond van artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) is Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
Voorvragen
7.3.
Voordat de rechtbank toe komt aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, moet worden vastgesteld wie van partijen op dit moment het ouderlijk gezag heeft over de minderjarigen. [kind 1] is in Syrië geboren en [kind 2] in Nederland. De eerste vraag die door de rechtbank beantwoord moet worden, is of en naar welk recht er ten tijde van de geboorte van [kind 1] van rechtswege een gezagsverhouding is ontstaan tussen de ouders en [kind 1] .
7.4.
De rechtbank stelt vast dat aan de hand van het HKBV 1996 deze vraag moet worden beantwoord nu dit verdrag in werking is getreden voor de geboorte van [kind 1] . Artikel 16 lid 1 HKBV 1996 bepaalt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid wordt beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind ten tijde van zijn geboorte. [kind 1] woonde ten tijde van zijn geboorte in Syrië. Dat betekent dat naar Syrisch recht moet worden beoordeeld welke gezagsverhouding tussen de ouders en [kind 1] bestaat.
7.5.
Volgens het Islamitische recht, dat in Syrië geldt, hebben zowel de vader als de moeder van rechtswege gezag over hun minderjarige kinderen. Ieder van hen heeft een specifieke vorm van gezag: de moeder de hadana en de vader de wilaya. De vormen van gezag die het Syrische recht kent, staan in verband met elkaar en vullen elkaar aan. Gelet hierop concludeert de rechtbank op basis van het Syrische recht dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over [kind 1] .
7.6.
De volgende vraag die moet worden beantwoord, is of deze gezagsverhouding in Nederland wordt erkend. Uit artikel 16 lid 3 HKBV 1996 volgt dat de op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind – Syrisch recht in het onderhavige geval – bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere staat. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat de ouders het gezamenlijk gezag over [kind 1] hebben behouden nadat de gewone verblijfplaats is verplaatst naar Nederland.
Het primaire verzoek
7.7.
Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Hieronder wordt mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Een en ander wordt bepaald in artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
7.8.
Handhaving van het gezamenlijk gezag is met het oog op het belang van de minderjarigen het wettelijk uitgangspunt. Op grond van artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag, bedoeld in artikel 1:251, lid 2 BW beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Lid 2 bepaalt dat artikel 1:251, lid 1 BW van overeenkomstige toepassing is. In dit artikel staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt als:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
7.9.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek, nu sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de beschikking van
27 november 2017. De vader is immers al jaren niet meer betrokken bij de opvoeding en verzorging van de minderjarigen en er is sinds de echtscheiding vrijwel geen contact meer geweest tussen de vader en de minderjarigen
7.10.
Voor de rechtbank staat, gelet op hetgeen de moeder onweersproken heeft gesteld, voldoende vast dat sprake is van de wijzigingsgrond hiervoor onder b. genoemd, nu de vader al langere tijd geen uitvoering geeft aan het gezamenlijk gezag met de moeder en hij dat ook niet langer wenst blijkens de door hem ingediende referteverklaring. Vanaf de echtscheiding is met hulpverlening geprobeerd tot een zorgregeling te komen, maar dat is niet gelukt. Sinds 2021 hebben de minderjarigen helemaal geen contact met de vader, de vader is niet betrokken bij het leven van de minderjarigen en feitelijk oefent de moeder alleen het gezag over de minderjarigen uit. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het gezag niet alleen een recht is maar ook een plicht van de man, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw in het belang van de minderjarigen toewijzen. Hiermee wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie.
7.11.
Omdat de rechtbank het primaire verzoek toewijst, komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijke subsidiaire verzoek.
7.12.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals
is verzocht. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders
hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechter geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

8.De beslissing

De rechtbank:
8.1.
bepaalt dat de moeder vanaf nu alleen het gezag heeft over:
[kind 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2013,
[kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2016,
8.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.W. Couperus-van Kooten, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de raad voor de kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie..
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.