De zaak betreft een last onder dwangsom opgelegd door Gedeputeerde Staten van Overijssel aan eiser, eigenaar van een agrarisch perceel, om 8.100 m2 aan elzenbomen te herplanten. Eiser betwist de omvang van de herplantplicht omdat deze het agrarisch gebruik onmogelijk maakt. Na een controle naar illegale houtkap en een inspectie constateerde GS dat eiser niet volledig had voldaan aan de herplantplicht en legde een last onder dwangsom op.
Eiser stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de herplantplicht 8.100 m2 bedraagt, mede omdat het gebruikte bewijs zoals luchtfoto’s en het controlerapport onvoldoende inzicht geven in de exacte omvang en aard van de verwijderde houtopstand. Eiser heeft bovendien aangetoond dat hij al meer bomen heeft herplant dan oorspronkelijk aanwezig waren.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en schorst het primaire besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.