ECLI:NL:RBOVE:2025:7081

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
ak_25_2736_3271
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in verband met herplantplicht bomen na last onder dwangsom

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiser], eigenaar van een perceel kadastraal bekend gemeente [locatie], en de Gedeputeerde Staten van Overijssel (GS). Het geschil betreft een last onder dwangsom die aan [eiser] is opgelegd om 8.100 m2 aan bomen (elzen) te herplanten op zijn perceel. [eiser] is het niet eens met deze last, omdat hij van mening is dat de opgelegde herplantplicht meer inhoudt dan wat er oorspronkelijk op het perceel stond, wat zijn huidige agrarische gebruik onmogelijk maakt. Hij heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het college de last om te herplanten onvoldoende heeft gemotiveerd. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college opnieuw op het bezwaar van [eiser] moet beslissen, en schorst de herplantplicht in afwachting van een nieuw besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar het beroep van [eiser] wordt gegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft ook bepaald dat GS het door [eiser] betaalde griffierecht moet vergoeden en dat GS in de proceskosten van [eiser] moet worden veroordeeld.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij het opleggen van bestuursrechtelijke lasten en de noodzaak voor bestuursorganen om rekening te houden met de feitelijke situatie op het terrein.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/2736 en 25/3271
uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser/verzoeker

(gemachtigde: mr. H.G. Ruis),
en

Gedeputeerde Staten van Overijssel

(hierna: GS).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om [eiser] op straffe van een dwangsom van € 7.500, - ineens te gelasten om het perceel kadastraal bekend gemeente [locatie] voor 1 december 2025 op bosbouwkundige verantwoorde wijze te herplanten. [eiser] is het daar niet mee eens omdat uit de last volgt dat hij het gehele perceel moet beplanten, wat meer is dan de gevelde oppervlakte, en wat het huidige agrarisch gebruik onmogelijk maakt. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of GS een herplantplicht van 8.100 m2 heeft kunnen opleggen.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aan [eiser] opgelegde last om 8.100 m2 aan bomen (elzen) te herplanten onvoldoende heeft gemotiveerd. [eiser] krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Het college zal opnieuw op bezwaar moeten beslissen en in afwachting van een nieuw besluit wordt de herplantplicht geschorst. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep af.

Inleiding: feiten en procesverloop

2.1
[eiser] is eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [locatie]. [eiser] heeft de eigendom van het perceel verkregen in het kader van ruilverkaveling en gebruikt het perceel naar hij stelt agrarisch.
2.2
Naar aanleiding van een anonieme melding heeft een toezichthouder van de provincie Overijssel op 24 februari 2021 een controle uitgevoerd naar illegale houtkap op het perceel.
2.3
Volgens het rapport van de toezichthouder van 25 februari 2021 was het overgrote deel van de elzen 50 jaar eerder 1 meter boven de grond afgezet. Enkele elzen waren in de winter van 2019/2020 afgezet en liepen weer goed uit. Blijkens bij het controlerapport gevoegde foto’s zijn op 24 maart 2021 de stobben van de afgezaagde elzen door een kraan en graafwerkzaamheden machinaal verwijderd.
2.4
In een brief van 8 maart 2021 heeft GS [eiser] erop gewezen dat hij vóór 1 april 2024 moet voldoen aan zijn verplichting tot herbeplanting, vastgelegd in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.
2.5
In het voorjaar van 2023 en 2025 heeft [eiser] 210 bomen(elzen) herplant.
2.6
Tijdens een inspectie gehouden op 1 april 2025 heeft een toezichthouder geconstateerd dat [eiser] nog niet volledig heeft voldaan aan de herplantplicht.
2.7
Bij brief van 2 april 2025 heeft GS [eiser] op de hoogte gebracht van het voornemen om aan [eiser] een last onder dwangsom op te leggen om de overtreding van artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) omgedaan te maken door op het perceel gemeente [locatie] voor 1 december 2025 op bosbouwkundige verantwoorde wijze te herplanten.
2.8
[eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.
2.9
Met het bestreden besluit van 23 april 2025 heeft GS [eiser] op straffe van een dwangsom van € 7.500, - gelast om de overtreding ongedaan te maken door op het perceel voor 1 december 2025 op bosbouwkundige verantwoorde wijze te herplanten. Aangegeven is dat de overtreding ongedaan kan worden gemaakt door onder andere 8.100 m2 houtopstand te herplanten. In het geval van elzenboompjes, waar [eiser] voor kiest, gaat het om minimaal 1.900 boompjes (bij een vierkantrooster) en 2.200 boompjes (bij een driehoeksrooster).
2.1
Met het besluit van 10 september 2025 verzonden op 14 oktober 2025 op het bezwaar van [eiser] is GS bij de oplegging van de last onder dwangsom gebleven.
2.11
[eiser] heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.12
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 november 2025 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en zijn gemachtigde en namens het college [naam 1] en [naam 2].
2.13
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter de ordemaatregel getroffen dat de last onder dwangsom wordt opgeschort totdat zij op het verzoek om voorlopige voorziening heeft beslist.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3.1
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in een eventuele beroepsprocedure, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang heeft. [eiser] beoogt het verbeuren van dwangsom te voorkomen.
De begunstigingstermijn loopt af op maandag 1 december 2025 en GS heeft bij brief van 12 november 2025 meegedeeld niet bereid te zijn om de last onder dwangsom en de begunstigingstermijn op te schorten.
Ook uitspraak op het beroep (kortsluiten)
3.3
De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb meteen op het beroep van Koers te beslissen (ook wel ‘kortsluiten’ genoemd).
Gronden
3.4
Volgens [eiser] heeft het college ten onrechte aan hem een herplantplicht opgelegd voor 1.900 tot 2.200 elzenboompjes.
GS gaat er ten onrechte vanuit dat op het agrarische perceel van 8.100 m2 hetzelfde aantal vierkante meters aan bos aanwezig was. Het perceel heeft als functie agrarisch natuurbeheer en daarop hebben langs de rand en in het midden twee boswallen van elzenbomen gestaan. In totaal stonden er 140 elzen die door [naam 3], rechtsvoorganger van [eiser], zijn geveld. [eiser] heeft hierover een verklaring van [naam 3] overgelegd.
In 2021 heeft [eiser] de achtergebleven stobben verwijderd en heeft hij 210 jonge elzenboompjes in een rechte lijn herplant, wat al anderhalf keer zoveel is als er ooit heeft gestaan. Daarmee heeft [eiser] ruimschoots aan de last voldaan.
Indien [eiser] aan de last voldoet in de door GS voorgeschreven zin is het perceel niet langer geschikt voor het huidige gebruik ten behoeve van agrarisch natuurbeheer.

Beoordeling

3.5
De voorzieningenrechter stelt vast dat het geschil niet ziet op de herplantplicht maar uitsluitend op de omvang van de herplantplicht.
3.6
Uit artikel 11.129, eerste lid, van het Bal gelezen in combinatie met 3.14, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening Overijssel dient bij het vellen van een houtopstand te worden herplant waarbij de oppervlakte van de herplant ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte.
3.7
Volgens GS is de gevelde oppervlakte 8.100 m2. GS baseert zich op het controlerapport van 25 februari 2021 en op een luchtfoto van het perceel uit 2019 (van Google Earth).
3.8
Volgens [eiser] geeft de luchtfoto een vertekend beeld en leidt die tot een overschatting van de omvang van de houtopstand, omdat het lijkt alsof het gehele perceel bedekt is met bos waar het in werkelijkheid twee rijen wild uitgegroeide stobben betrof met daartussen andere begroeiing die was gaan woekeren omdat het perceel niet meer berijdbaar was met de tractor.
3.9
Hoewel bij het vellen van een houtopstand zonder vergunning - zoals in deze zaak het geval is - over het algemeen achteraf niet in detail kan worden vastgesteld welke bomen of begroeiing precies is verwijderd en de voorzieningenrechter het voorstelbaar acht dat GS gebruik maakt van luchtfoto’s om de overtreding te duiden, kan op grond van de luchtfoto niet met voldoende zekerheid vastgesteld worden wat de aard en omvang van de verwijderde houtopstand was. Ook uit het controlerapport is dat niet af te leiden nu daarin uitsluitend de oppervlakte van de voormalige begroeiing is vermeld. Niet is aangegeven wat de aard van de begroeiing was. Opgemerkt wordt dat de toezichthouder nog voor het verwijderen van de stobben op het perceel geweest is. Desondanks ontbreekt informatie over bijvoorbeeld het aantal stobben en de onderlinge afstand.
3.1
Het voorgaande betekent dat, mede gelet op wat [eiser] heeft aangevoerd over de omvang van de verwijderde houtopstand, het bestreden besluit op genoemde punten niet voldoende is gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

4.1
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding het primaire besluit met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te schorsen inhoudende een schorsing van het primaire besluit tot zes weken na de te nemen beslissing op bezwaar. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
4.2
Omdat het beroep gegrond wordt verklaard en het primaire besluit wordt geschorst, bepaalt de voorzieningenrechter dat het college [eiser] het door hem betaalde griffierecht van zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening moet vergoeden.
4.3
Daarnaast zal het college worden veroordeeld in de door [eiser] gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 907,- en wegingsfactor 1). De gemachtigde van [eiser] heeft ter zitting het ‘Formulier proceskosten’ overgelegd, waaruit volgt dat [eiser] vergoeding van de door hem gemaakte reiskosten naar de zitting wenst. Deze reiskosten komen op grond van artikel 1, sub d van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten bedragen € 19,43 (2 keer 34,7 km tegen een tarief van € 0,28 per km). De totale proceskostenvergoeding komt daarmee op € 2.740,43.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep af;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 388,- aan [eiser] te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van
€ 2.740,43-;
- schorst het primaire besluit met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb tot uiterlijk zes weken na de beslissing op bezwaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Relevante regelgeving

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

Artikel 11.129
1.Als een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of als een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan, wordt zorg gedragen voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand.
2.Binnen drie jaar na de herbeplanting wordt de beplanting die niet is aangeslagen vervangen.
3Degene die de eigendom overdraagt van grond waarvoor een plicht tot herbeplanting geldt, of een beperkt recht op die grond vestigt of overdraagt, stelt de verkrijger op de hoogte van de plicht tot herbeplanting en neemt die plicht uitdrukkelijk op in de akte van levering.

Omgevingsverordening Overijssel

Artikel 3.14 (eisen herbeplantingen op dezelfde grond)
Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
De oppervlakte van de herplant is ten minste even groot als de gevelde oppervlakte;
De nieuwe houtopstand kan gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;
De nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 tot 10 jaar een gesloten kronendak vormen;
Het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit op die plaats, is niet toegestaan;
Herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en aan de voor dit gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen;
Als sprake is van herbeplanting door natuurlijke verjonging wordt aan een bosbouwkundig verantwoorde herbebossing voldaan als de verjonging uit kan groeien tot een volwaardige houtopstand en deze houtopstand vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden kan vertegenwoordigen;
De herbeplante houtopstand kan op termijn vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen en dient derhalve kwalitatief en kwantitatief in redelijke verhouding te staan tot de gevelde of teniet gegane houtopstand.