ECLI:NL:RBOVE:2025:7243

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/08/338554 / ES RK 25-5820
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening in echtscheidingsprocedure met betrekking tot kinderalimentatie en zorgregeling

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel een beschikking gegeven in een zaak betreffende een voorlopige voorziening in het kader van een echtscheidingsprocedure. De moeder en de vader, die op 18 juli 2012 te Hardenberg zijn gehuwd en samen twee minderjarige kinderen hebben, hebben een verzoek ingediend voor een zorg- en contactregeling en de vaststelling van kinderalimentatie. De moeder verzoekt om de kinderen aan de vader toe te vertrouwen en een zorgregeling vast te stellen, terwijl de vader verzoekt om de kinderen aan hem toe te vertrouwen en kinderalimentatie van de moeder te ontvangen. Tijdens de mondelinge behandeling op 13 oktober 2025 zijn beide ouders verschenen, bijgestaan door hun advocaten, en is er advies gevraagd van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank heeft besloten dat de kinderen voorlopig aan de vader worden toevertrouwd en een zorgregeling is vastgesteld waarbij de moeder eens in de twee weken contact heeft met de kinderen. De rechtbank heeft ook de kinderalimentatie vastgesteld op € 60,- per kind per maand, te betalen door de moeder aan de vader, met ingang van de datum van de beschikking. De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de verdere beslissingen in de echtscheidingsprocedure aangehouden tot de eindrapportage van de hulpverleningsinstantie is ontvangen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/338554 / ES RK 25-5820 (de voorlopige voorziening)
C/08/ 338290 ES RK 25-5702 (de echtscheidingsprocedure)
beschikking van 10 december 2025
inzake
[de moeder],
verder te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1],
verzoekster,
advocaat: mr. L.J.H.M. Achten,
en
[de vader],
verder te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2],
belanghebbende,
advocaat: mr. T.J.H. Zwiers.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 18 september 2025;
- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen op 8 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 13 oktober 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 1], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
1.3.
Mr. Achten heeft tijdens de mondelinge behandeling stukken overgelegd.
1.4.
Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van de rechtbank de volgende stukken binnengekomen:
  • de op 14 oktober 2025 binnengekomen brief van mr. Achten;
  • de op 15 oktober 2025 binnengekomen brief van mr. Zwiers;
  • de op 22 oktober 2025 binnengekomen brief van mr. Achten.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn op 18 juli 2012 te Hardenberg met elkaar gehuwd
2.2.
Zij zijn de ouders van de navolgende minderjarige kinderen:
[kind 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2015,
[kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2016.
2.3.
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt de rechtbank om voor de duur van de echtscheidingsprocedure:
te bepalen dat de kinderen worden toevertrouwd aan de vader;
een zorg- en contactregeling vast te stellen tussen de moeder en de kinderen inhoudende dat de kinderen eenmaal per twee weken van vrijdagavond 17:00 uur tot zondagavond 17:00 uur alsmede de helft van de vakantie- en feestdagen bij de moeder zullen zijn, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen regeling;
de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het verweer

4.1.
De man verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en voor de duur van de echtscheidingsprocedure:
de kinderen aan de zorgen van de vader toe te vertrouwen;
het verzoek van de moeder over de zorg- en contactregeling af te wijzen dan wel te bepalen dat de zorg- en contactregeling tussen de moeder en de kinderen onder begeleiding van derden zal plaatsvinden;
de vrouw te veroordelen tot betaling van kinderalimentatie van € 62,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen.

5.Het advies van de raad

5.1.
De raad adviseert de rechtbank om de ouders in de echtscheidingsprocedure te verwijzen naar de gemeentelijke toegang om samen met de hulpverleningsorganisatie (SamenDoen) afspraken te maken over de zorg- en contactregeling tussen de moeder en de kinderen. De raad vindt dat het contact tussen de moeder en de kinderen zo snel mogelijk hersteld moet worden. De raad vindt ook dat het contact in eerste instantie begeleid moet worden om er zo voor te zorgen dat de vader weer vertrouwen krijgt in de moeder.

6.De beoordeling

Toevertrouwing
6.1.
De rechtbank zal de kinderen toevertrouwen aan de vader. De rechter neemt deze beslissing, omdat de ouders het hierover eens zijn en de rechtbank dit ook in het belang vindt van [kind 1] en [kind 2].
Zorg- en contactregeling
6.2.
De rechtbank zal de ouders in de echtscheidingsprocedure verwijzen naar de gemeentelijke toegang. De verzoeken in de echtscheidingsprocedure zullen verder worden aangehouden. De rechtbank zal in de voorlopige voorziening een zorg- en contactregeling vaststellen waarin de moeder en de kinderen in afwachting van de start van het hulpverleningstraject, eens in de twee weken op zaterdag of zondag contact met elkaar hebben bij de opa en oma van de moederszijde (hierna: opa en oma m.z.) van 09:30 uur tot 13:30 uur. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
6.3.
De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken om een hulpverleningstraject via de gemeente Bergentheim te gaan starten. De rechtbank heeft het aanmeldformulier van de ouders aan de gemeente toegestuurd.
6.4.
Het doel van het hulpverleningstraject is dat:
  • er is een goed lopende zorg- en contactregeling tussen de moeder en de kinderen;
  • de ouders communiceren goed met elkaar;
  • de ouders overleggen goed met elkaar over de opvoeding.
6.5.
In de afgelopen periode hebben er incidenten plaatsgevonden tussen de ouders die tot onderlinge spanningen en wantrouwen hebben geleid. SamenDoen is al betrokken, maar het lukt de ouders niet om tot overeenstemming te komen over hoe de zorg- en contactregeling tussen de moeder en de kinderen eruit moet komen te zien. Dat is met name vastgelopen, omdat de ouders het niet eens zijn over de vraag of het contact tussen de moeder en de kinderen in eerste instantie begeleid moet worden of niet. Ook is er een kindbehartiger betrokken bij de kinderen die al een aantal gesprekken met hen heeft gevoerd. De kinderen hebben de gesprekken tot nu toe als positief ervaren.
6.6.
Voor de vader is het voor het onderlinge vertrouwen van belang dat de moeder geen bedreigingen meer uit en dat het contact tussen de moeder en de kinderen in eerste instantie wordt begeleid. Hij kan instemmen met dat het contact in afwachting van het hulpverleningstraject bij de opa en oma m.z. plaatsvindt. Voor hem is het wel belangrijk dat dit in de ochtend/begin van de middag plaatsvindt vanwege het alcoholgebruik van de opa m.z. Voor de moeder is het belangrijk dat het contact tussen haar en de kinderen zo snel mogelijk wordt hersteld en dat de start van het hulpverleningstraject niet wordt afgewacht. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over een voorlopige zorg- en contactregeling in afwachting van de start van het hulpverleningstraject. Deze houdt in dat de moeder en de kinderen eens in de veertien dagen op zaterdag of zondag omgang met elkaar hebben bij de opa en oma m.z. van 09:30 uur tot 13:30 uur.
6.7.
Aangezien SamenDoen al betrokken is geweest, heeft het de voorkeur van de ouders en de rechtbank dat Samendoen via de gemeentelijke toegang weer betrokken raakt bij de ouders. De moeder wil wel graag een andere consulent en niet meneer [naam 2]. De rechtbank heeft aangegeven dat zij niet gaat over welke gemeentelijke hulpverleningsorganisatie en welke medewerker de ouders gaat helpen. De gemeentelijke hulpverleningsorganisatie gaat op zoek naar een organisatie die de omgang tussen de moeder en de kinderen in eerste instantie kan begeleiden. Hoewel de moeder dit niet nodig vindt, kan zij hier voor nu mee instemmen. De gemeentelijke hulpverleningsorganisatie voert regie over wanneer de regeling verder uitgebreid kan worden en wanneer deze onbegeleid kan plaatsvinden. De ouders gaan samen met de gemeentelijke hulpverleningsorganisatie om tafel over hoe de zorg- en contactregeling tussen de moeder en de kinderen er uiteindelijk uit moet komen te zien. Ook gelet op het gegeven dat de moeder met haar partner naar [plaats 1] zal verhuizen.
6.8.
Daarnaast is het doel van het hulpverleningstraject dat de ouders gaan werken aan de onderlinge communicatie en samenwerking. De ouders gaan als partners uit elkaar, maar zullen als ouders met elkaar verder moeten. Voor de kinderen is het belangrijk dat de ouders de onderlinge spanningen en wantrouwen aan de kant zetten en proberen om op een goede manier met elkaar samen te werken en te communiceren. De rechtbank vindt het goed dat de ouders dit vooruitlopend op de echtscheidingsprocedure gaan oppakken.
6.9.
Na ontvangst van de eindrapportage in de echtscheidingsprocedure, zal de rechter de advocaten van de ouders in de gelegenheid stellen om hierop schriftelijk te reageren en te laten weten hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure.
6.10.
Als het hulpverleningstraject niet positief is afgerond zal de raad beoordelen of een raadsonderzoek nodig is. Als de raad een onderzoek nodig vindt verzoekt de rechter de raad dit onderzoek te doen en daarover een rapport in te dienen bij de rechtbank.
Kinderalimentatie
6.11.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het inkomen van de vrouw is veranderd, reden waarom mr. Zwiers een termijn heeft gekregen om hierop te reageren. Naar aanleiding hiervan heeft mr. Zwiers zijn verzoek vermeerderd naar
€ 65,- per kind per maand. Mr. Achten heeft hierop gereageerd.
6.12.
De rechtbank zal beslissen dat de vrouw een bedrag van € 60,- per kind per
maand aan kinderalimentatie aan de man moet betalen, vanaf de datum van de beschikking. Dit betekent dat een deel van het verzoek van de man wordt afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. De berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.
De ingangsdatum
6.13.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden. [1] De rechtbank vindt dat de vrouw de kinderalimentatie vanaf de datum van deze beschikking moet betalen, omdat de man geen ingangsdatum heeft verzocht en deze datum dan gebruikelijk is.
De behoefte
6.14.
De rechtbank stelt de behoefte van de kinderen vast op € 511,- per maand en legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
6.15.
De man stelt dat de behoefte van de kinderen € 511,- per kind per maand is. De vrouw heeft hier geen verweer tegen gevoerd.
6.16.
De rechtbank stelt daarom de behoefte van de kinderen vast op € 511,- per kind per maand in 2025. De rechtbank volgt daarmee de behoefteberekening van de man waarin is uitgegaan van een inkomen van de vrouw van € 19.003,- per jaar en een inkomen van de man van € 42.567,- per jaar. Het netto gezinsinkomen bedroeg, vermeerderd met het kindgebonden budget van € 276,-, in 2025 € 4.466,- per maand. Bij dit gezinsinkomen hoort aldus een behoefte van € 511,- per kind per maand.
De draagkracht van beide ouders
6.17.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.
De draagkracht van de vrouw
6.18.
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 198,- per maand. De rechtbank zal uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
6.19.
Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van de loonstrook september 2025, waarin een inkomen van € 1.980,- bruto per maand staat genoemd. Uit de salarisspecificatie van september volgt dat de vrouw onregelmatigheidstoeslag ontvangt. Het is de rechtbank niet duidelijk of de vrouw deze toeslag structureel ontvangt en van welk gemiddelde uitgegaan moet worden, omdat de vrouw pas tijdens de mondelinge behandeling één salarisspecificatie heeft overgelegd. Daarnaast heeft de vrouw zich hier verder niet over uitgelaten. De rechtbank volgt daarom het standpunt van de man dat uitgegaan moet worden van een gemiddelde onregelmatigheidstoeslag van € 419,- per maand.
6.20.
De rechter heeft berekend dat dit € 2.275,- netto per maand is.
6.21.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met reiskosten naar haar werk van € 1.188,02 per maand ([plaats 2]-[plaats 3]) dan wel van € 1.172,09 per maand ([plaats 1]-[plaats 3]). De man heeft het standpunt van de vrouw betwist.
6.22.
Naast dat vrouw de hoogte van deze kosten niet heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw, mede gelet op de betwisting van de man, onvoldoende heeft onderbouwd dat deze lasten noodzakelijk zijn. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij geen andere keuze had dan in te trekken bij haar partner in [plaats 2], maar nergens blijkt uit dat de vrouw moeite heeft gedaan om in de buurt van haar werk (en de kinderen) te blijven wonen om deze extreem hoge reiskosten te vermijden. De rechtbank zal deze kosten dus niet meenemen in de draagkrachtberekening van de vrouw.
6.23.
De vrouw stelt zich voorts op het standpunt dat de kinderalimentatie per
1 november 2025 op nihil moet worden gesteld, omdat zij per die datum haar baan in [plaats 3] heeft opgezegd vanwege de reisafstand. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
6.24.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies dat voor herstel vatbaar is. De rechtbank vindt de timing van de vrouw waarop zij dit in de procedure brengt uiterst opmerkelijk. Naast dat de vrouw geen correspondentie van haar opzegging heeft overgelegd en dit dus niet kan worden vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat, voor zover dit het geval is, de vrouw voorbarig te werk is gegaan. Het had op de weg van de vrouw gelegen om haar huidige baan aan te houden in afwachting van haar zoektocht naar een andere baan in haar woonomgeving. De vrouw reist namelijk al sinds haar verblijf in [plaats 2] vanaf juni 2025 richting [plaats 3], zodat de vrouw dit naar het oordeel van de rechtbank voorlopig nog had kunnen voortzetten. Dat zij nu geen baan en geen inkomen heeft en daarmee naar eigen zeggen en zonder nadere onderbouwing in de schulden komt, komt naar het oordeel van de rechtbank voor haar eigen rekening en risico
.De vrouw had en kan er nog steeds voor kiezen om terug te verhuizen in de omgeving van waar zij werkt en waar de kinderen wonen, om zo de hoge reiskosten te besparen en aan haar financiële verplichting richting de kinderen te voldoen. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank dus geen rekening houdt met het inkomensverlies van de vrouw per 1 november 2025 en dus uit blijft gaan van het inkomen van de vrouw zoals hiervoor genoemd.
6.25.
Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [kind 1] en [kind 2].
6.26.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 2.275 =) € 682,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimum bedrag aan overige vaste lasten van € 1.310,- per maand.
6.27.
Van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw blijft dan een bedrag van (2.275-/- 682-/- 1.310 =) € 283,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Dat komt neer op een bedrag van € 198,- per maand.
De draagkracht van de man
6.28.
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 976,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
6.29.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen van de man. Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de loonstroken april tot en met juni 2025, waarin een inkomen van € 3.717,- bruto per maand staat genoemd. De rechtbank heeft berekend dat dit voor de man € 3.865,- netto per maand is.
6.30.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [kind 1] en [kind 2].
6.31.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 3.865 =) € 1.160,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.310,- per maand.
6.32.
Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van (3.865 -/- 1.160 -/- 1.310 =) € 1.395,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 976,- per maand.
De verdeling van de kosten
6.33.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
6.34.
Zoals hiervoor is berekend, heeft de man een draagkracht van € 976,- per maand en de vrouw een draagkracht van € 198,- per maand. Samen hebben ze dus een draagkracht van € 1.174,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die zijn € 1.022,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van
(172 /1.174 x 1.022 =) € 850,- per maand moet dragen. De vrouw moet een deel van (198/1.174 x 1.022 =) € 172,- per maand dragen.
Zorgkorting
6.35.
Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.
6.36.
Zoals hiervoor is gebleken, zal de rechtbank in de voorlopige voorziening een zorg- en contactregeling vaststellen waarin de moeder eens in de twee weken op zaterdag contact heeft met [kind 1] en [kind 2]. Volgens de Expertgroep Alimentatie past daarbij een zorgkorting van 5% van de behoefte, dus € 52,- per maand. Dat betekent dat de vrouw een bedrag van (172 -/- 52 =) € 120 per maand en dus € 60,- per kind per maand moet betalen.
De alimentatie moet vooruit worden betaald
6.37.
De rechtbank zal beslissen dat de vrouw de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

7.De beslissing

De rechtbank:
In de voorlopige voorziening
7.1.
vertrouwt de minderjarigen:
[kind 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2015,
[kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2016
toe aan de vader;
7.2.
stelt de volgende zorgregeling vast:
- de moeder en de kinderen hebben in afwachting van de start van het hulpverleningstraject, eens in de twee weken op zaterdag of zondag contact met elkaar bij de opa en oma m.z. van 09:30 uur tot 13:30 uur;
7.3.
beslist dat de vrouw met ingang van de datum van de beschikking een bedrag van
€ 60,-per kind per maand moet betalen aan de man, als kinderalimentatie;
7.4.
beslist dat de vrouw deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
7.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
In de echtscheidingsprocedure
7.7.
houdt de beslissingen in de echtscheidingsprocedure aan;
7.8.
verzoekt de hulpverleningsinstantie
uiterlijk 13 april 2026of zoveel eerder als mogelijk, de eindrapportage over het verloop van het hulpverleningstraject aan de rechtbank en de raad toe te sturen;
7.9.
stelt partijen in de gelegenheid om
binnen twee wekenna ontvangst van de eindrapportage te reageren en te laten weten hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure;
7.10.
verzoekt de raad, als het traject niet positief is verlopen, onderzoek te verrichten en de rechtbank daarover
binnen twee wekenna ontvangst van de eindrapportage te informeren, en een onderzoek te verrichten naar de zorg- en contactregeling tussen de moeder en de kinderen en daarover bij de rechtbank een rapport in te dienen op een nader te bepalen datum.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Mensink en in het openbaar uitgesproken op
10 december 2025 in tegenwoordigheid van mr. K.J. de Jong, griffier.
[Afbeeldingen]

Voetnoten

1.Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek