ECLI:NL:RBOVE:2025:7295

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
C/08/324660 / HA ZA 24-443
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:58 BWArt. 6:59 BWArt. 6:119 BWArt. 6:136 BWArt. 6:233 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling lening en betaling advieswerkzaamheden biogasinstallatie met verwerping tegenvorderingen

In deze civiele zaak vordert [partij A 1] terugbetaling van een lening en [partij A 2] betaling van facturen voor advieswerkzaamheden bij een biogasinstallatie. Gedaagden erkennen de openstaande vorderingen maar stellen dat zij schade hebben geleden door een beroepsfout van [partij A 2], welke zij willen verrekenen met de vorderingen. Tevens betwisten zij de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [partij A 2] met een vervalbeding en de bevoegdheid van de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat de algemene voorwaarden (DNR 2011) van toepassing zijn, inclusief het vervalbeding, en dat dit beding niet onredelijk bezwarend is. Het beroep op arbitrage wordt verworpen omdat partijen geen arbitrageovereenkomst hebben gesloten. De tegenvorderingen van gedaagden zijn niet ontvankelijk omdat zij niet tijdig zijn ingesteld binnen de vervaltermijn.

De rechtbank veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de lening en de openstaande facturen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2021. De kosten van het geding worden aan gedaagden opgelegd. De vorderingen in reconventie worden afgewezen en gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten daarvan.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van lening en openstaande facturen met rente, tegenvorderingen worden afgewezen en rechtbank verklaart zich bevoegd.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/324660 / HA ZA 24-443
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
1.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij A 1] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
2.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij A 2] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij A 1] respectievelijk [partij A 2] ,
advocaat: mr. W.M.J. Saes,
tegen

1.de vennootschap onder firma [partij B 1] V.O.F.,

te [vestigingsplaats 3] ,
2.
de commanditaire vennootschap [partij B 2] CV,
te [vestigingsplaats 4] ,
3.
[partij B 3],
te [woonplaats 1] ,
4.
[partij B 4],
te [woonplaats 2] ,
5.
[partij B 5],
te [woonplaats 3] ,
gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [partij B 1] (1), [partij B 2] (2) respectievelijk [partij B 3-5] (3 tot en met 5),
advocaat: mr. J.J. Paalman.

1.Samenvatting van de zaak

In deze zaak vordert [partij A 1] terugbetaling van een lening (en vervallen rente). [partij A 2] vordert betaling van facturen wegens verrichte advieswerkzaamheden bij het plaatsen van een biogasinstallatie. [partij B 3-5] erkennen dat zij de vorderingen onbetaald hebben gelaten maar stellen dat zij als gevolg van een (beroeps)fout van [partij A 2] vermogensschade hebben geleden die zij in conventie willen verrekenen met de openstaande vorderingen. [partij B 3-5] hebben tegenvorderingen ingesteld om voor recht te verklaren dat [partij A 2] wanprestatie heeft geplaagd of onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. In reconventie gaat het om de vraag of de algemene voorwaarden van [partij A 2] , waarin een vervalbeding is opgenomen, al dan niet van toepassing zijn, of het vervalbeding onredelijk bezwarend is of dat het beding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Ook is tussen partijen in geschil of deze rechtbank bevoegd is om van het geschil kennis te nemen of dat de zaak door de Raad van Arbitrage moet worden beslecht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 26 maart 2025;
- de mondelinge behandeling van 23 oktober 2025, de spreekaantekeningen van de wederzijdse advocaten van partijen en de aantekeningen van de griffier.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[partij A 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [partij A 2] . [partij A 2] houdt zich bezig met de advisering op het gebied van energiebesparing, energie-inkoop, procesinnovatie en productverbetering.
3.2.
[partij B 1] exploiteert een legkippenbedrijf. [partij B 2] houdt zich bezig met de productie van biogas en de verwerking van mest. Gedaagden sub 3, 4 en 5 zijn de beherende vennoten in [partij B 1] en [partij B 2] .
3.3.
[partij A 2] heeft de maatschap [bedrijf], de rechtsvoorgangster van [partij B 1] , op 22 december 2011 een offerte gezonden voor een haalbaarheidsonderzoek van energielevering door de biogasinstallatie van [partij B 1] aan derden. De offerte vermeldt dat de leveringsvoorwaarden van de DNR 2005 daarop van toepassing zijn. De offerte vermeldt voorts dat deze voorwaarden op verzoek worden toegestuurd en dat deze voorwaarden via de in de offerte vermelde link zijn te downloaden.
3.4.
Op 6 augustus 2012 is tussen [partij A 2] en maatschap [bedrijf] een no cure-no pay overeenkomst tot stand gekomen voor de realisatie van een biogasinstallatie. Deze overeenkomst vermeldt:
“ [partij A 2] en [bedrijf] verklaren hierbij een overeenkomst te zijn aangegaan voor de ondersteuning van het realiseren van een vergister, welke wordt beheerst door de navolgende voorwaarden.
(…)
De leveringsvoorwaarden van de DNR 2011 (…) zijn van toepassing op deze offerte. Deze voorwaarden zullen op uw verzoek worden toegestuurd. Deze zijn tevens te zien op: [website].”
3.5.
Bij brief van 6 februari 2013 aan maatschap [bedrijf] heeft [partij A 2] bevestigd dat overeengekomen is dat vorenbedoelde no cure-no pay overeenkomst in 2013 zal worden voortgezet.
3.6.
In 2014 heeft [partij B 2] een biomassavergistingsinstallatie met drie mestvergisters in bedrijf gesteld. Nog in dat jaar heeft [partij B 2] het plan opgevat een vierde mestvergister te plaatsen.
3.7.
De rechtsvoorganger van [partij B 2] heeft [partij A 2] in juni 2014 opdracht gegeven tot het verrichten van advieswerkzaamheden met betrekking tot de realisatie van een biomassa vergistingsinstallatie op basis van no cure-no pay met een waarde van € 45.000,00, exclusief btw en het verzorgen van het subsidietraject TKI tegen een uurtarief van € 60,00, exclusief btw. Deze overeenkomst vermeldt:
“ [partij A 2] BV, verder [partij A 2] genoemd, heeft een no cure – no pay contract met [partij B 3] ter waarde van € 45.000,- excl. BTW. Hiernaast heeft [partij A 2] een contract voor de TKI-subsidie van € 99.600,-.”
3.8.
[partij A 1] heeft aan [partij B 2] in 2015 een geldlening verstrekt van € 50.000,00. Die lening bestond uit de door [partij A 2] bestede uren en een aanvullend gedeelte van € 10.000,00 wegens de no cure-no pay factuur. [partij B 2] zou de lening in vier jaarlijkse termijnen van
€ 12.500,00 aflossen. De lening is aangegaan tot 1 juli 2019. De akte van geldlening is ondertekend door [partij B 2] en haar beherend vennoten. Die akte vermeldt, voor zover thans van belang, het volgende:
Artikel 2. Rente
1.
Over de hoofdsom, of het eventuele restant daarvan, is schuldenaar een rente verschuldigd 6% per jaar (…)”
3.9.
[partij B 2] heeft de lening niet afgelost en evenmin de overeengekomen rente aan [partij A 1] betaald.
3.10.
[partij A 2] heeft in 2019 in opdracht en voor rekening van [partij B 1] advieswerkzaamheden verricht met betrekking tot het project “elektriciteitsaansluiting WKK voor gezamenlijke zonnedaken en zonnepark met biogas als buffer voor peak-shaving”. [partij A 2] heeft [partij B 1] daarvoor bij factuur van 4 maart 2019 een bedrag van € 7.902,51 en bij factuur van 13 maart 2020 een bedrag van € 7.827,49 in rekening gebracht. [partij B 1] heeft de factuur van 4 maart 2019 voldaan maar de factuur van 13 maart 2020 heeft zij onbetaald gelaten.
3.11.
[partij A 2] heeft in 2020 werkzaamheden voor [partij B 2] verricht met betrekking tot het meetrapport CertiQ. [partij A 2] heeft [partij B 2] daarvoor bij factuur van 10 juni 2020 een bedrag van € 580,80 in rekening gebracht. Ook deze factuur heeft [partij B 1] niet voldaan.
3.12.
Verder heeft [partij A 2] in opdracht en voor rekening van [partij B 2] advieswerkzaamheden verricht met betrekking tot “TKI-vergisting - nieuwe manier’. [partij A 2] heeft [partij B 2] daarvoor in totaal € 80.715,00 in rekening gebracht. [partij B 1] heeft die vordering deels voldaan maar er resteert thans nog een bedrag van € 21.851,70.
3.13.
[partij A 2] heeft voor [partij B 2] een haalbaarheidsstudie gedaan. Het daarvan opgemaakte rapport (oktober 2014) concludeert:
“Het is haalbaar om een vergister te bedrijven met een SDE+ - vergoeding verlengde levensduur uit fase 6. Wel zijn dit de resultaten voor de optimale case. De verwachting is dat het resultaat in de praktijk lager zal uitvallen.”
3.14.
[partij B 2] heeft [partij A 2] op 29 oktober 2014 schriftelijk gemachtigd om subsidieaanvragen SDE+ voor te bereiden, in te dienen, als correspondent te fungeren en de gehele looptijd alle gerelateerde (rechts)handelingen uit te voeren.
3.15.
[partij A 2] heeft namens [partij B 2] op 30 september 2014 (onderdeel WKK dat staat voor Warme Kracht Koppeling) en op 4 november 2014 (onderdeel groen gas) bij de RVO ingediend. De RVO heeft de aanvragen bij beschikking van 30 april 2015 (WKK) respectievelijk 23 april 2015 (groen gas) afgewezen omdat:
“niet alle vereiste gegevens met het aanvraagformulier waren meegestuurd. In uw aanvraag ontbrak(en) de volgende vereiste informatie/gegevens:

een bouwvergunning of het onderdeel bouw van de omgevingsvergunning.”
3.16.
De beschikkingen vermelden voorts:
”Door het toekennen van subsidie voor aanvragen die eerder aan de wettelijke vereisten voldeden, is het subsidiebudget uitgeput. Dit betekent dat voor uw project geen subsidie meer beschikbaar is. Ik wijs uw subsidieaanvraag dan ook af op grond van het tweede lid van artikel 4:25 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.”
3.17.
Tegen de afwijzende beschikkingen is geen bezwaar gemaakt zodat beide beschikkingen onherroepelijk zijn geworden.
3.18.
[partij B 2] heeft [partij A 2] bij brief van 29 augustus 2015 aansprakelijk gesteld. Deze brief vermeldt onder meer:
“Eind september, begin november 2014 heeft [partij A 2] namens [partij B 2] twee aanvragen ingediend voor subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie, te weten voor mest (co-)vergisting (WKK, elektriciteit) en voor mest (mono-)vergisting (groen gas).
Beide aanvragen zijn door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) afgewezen: de aanvraag voor groen gas op 23 april 2015 en de aanvraag voor elektriciteit op 30 april 2015. Voor beide afwijzingen vermeldt RVO als reden dat de aanvraag niet volledig was en dat het subsidiebudget intussen is uitgeput. Bij beide aanvragen had als bijlage een bouwvergunning, of het onderdeel bouw van de omgevingsvergunning, moeten worden meegestuurd. Dit is volgens RVO niet gebeurd, waardoor de aanvraag niet voldeed aan de wettelijke eisen.
(…)
De aangevraagde subsidie groen gas was nodig voor het kunnen realiseren van het project biogasopwaardering. Dit project was alleen haalbaar met subsidie. Het gevolg van de afwijzing van deze subsidieaanvraag is dat [partij B 2] het project moet afblazen. Volgens de haalbaarheidsstudie die [partij A 2] in oktober 2014 heeft opgesteld zou dit een goed renderend project zijn. In de studie wordt de winst berekend op ruim € 2 miljoen per jaar (…) en wordt uitgegaan van een projectduur van 12 jaar. Nu de subsidie is afgewezen en het project daardoor niet doorgaat, loopt [partij B 2] deze winst mis.
Ook door de afgewezen subsidieaanvraag voor de elektriciteit loopt [partij B 2] winst mis. Het gaat daarbij om een winst van enkele honderdduizenden euro’s per jaar.”
3.19.
Partijen hebben tijdens een bespreking op 17 juni 2021 overleg gevoerd over de vorderingen van [partij A 1] en [partij A 2] op [partij B 1] en [partij B 2] . [partij A 2] heeft deze bespreking bij brief van 13 juli 2021 aan [partij B 1] bevestigd. Deze brief vermeldt onder meer:
“In goed overleg met uw adviseur (…) hebben wij gezamenlijk de juistheid en volledigheid van de diverse onderdelen van de vordering per 1 juli 2021 vastgesteld:
De drie facturen (Euro 16.310,80): a) [partij B 1] ad. Euro 7.902,51 (4 maart 2019) b) [partij B 1] factuur ad. Euro 7.827,49 (13 maart 2020) en c) [partij B 2] factuur ad. Euro 580,80 (10 juni 2020). Hierover hadden wij geen discussie.
Een schuld in de vorm van een achtergestelde lening en rente t.l.v. Fam. [partij B 1] (totaal Euro 71.000,-). Er heeft geen aflossing plaatsgevonden op de hoofdsom (ad Euro 50.000). De opeisbare rente is vastgesteld op Euro 21.000,-. Op advies van uw adviseur, heeft [partij A 2] u het voordeel gegund van een enkelvoudige renteberekening – i.p.v. een samengestelde renteberekening. Zowel de hoofdsom als de rentegelden zijn direct opeisbaar (…)
Openstaande adviesuren traject TKI – Vergisting Nieuwe Manier ad. Euro 21.851,70. Op advies van uw adviseur, heeft [partij A 2] u het voordeel gegund van zowel het wegstrepen van de uren [naam 1] als de overige discussie uren.”

4.Het geschil

4.1.
[partij A 1] en [partij A 2] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij B 2] en haar beherende vennoten, gedaagden sub 3, 4 en 5, hoofdelijk te veroordelen om aan [partij A 1] te betalen de som van € 71.000,00 ten titel van geldlening, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2021 over dat bedrag tot de dag der algehele voldoening;
II. de vennootschap onder firma en haar beherende vennoten, gedaagden sub 3, 4 en 5, hoofdelijk te veroordelen om aan [partij A 2] te betalen de som van € 7.827,49 ten titel van verrichte werkzaamheden, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ad € 1.379,63 vanaf 1 augustus 2021 tot 7 juli 2023 en voorts vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 7.902,51 vanaf 1 augustus 2021 tot en met 30 juni 2024 bedragende
€ 2.474,62 en voorts te vermeerderen met de dagrente van € 2,68 vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [partij B 2] en haar beherende vennoten, gedaagden sub 3, 4 en 5, hoofdelijk te veroordelen om aan [partij A 2] te betalen de som van € 22.432,50 ten titel van verrichte werkzaamheden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2021 over dat bedrag tot de dag der algehele voldoening;
IV. gedaagden te veroordelen in de kosten en de nakosten van het geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
4.2.
[partij B 3-5] voeren verweer. [partij B 3-5] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij A 1] en [partij A 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A 1] en [partij A 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A 1] en [partij A 2] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Voorts vorderen [partij B 3-5] in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. om voor recht te verklaren dat het in 2014 niet aanstonds indienen van volledige SDE+ - subsidieaanvragen door [partij A 2] bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna ‘RVO’) kwalificeert als een tekortkoming van [partij A 2] in de nakoming van de verplichtingen die op haar rustten tegenover gedaagden sub 2, 3, 4 en 5 althans tegenover de commanditaire vennootschap, althans dat dit kwalificeert als onrechtmatig handelen van [partij A 2] ten opzichte van gedaagden sub 2, 3, 4 en 5 althans ten opzichte van de commanditaire vennootschap, althans ter zake de beslissing(en) te nemen die de rechtbank in goede justitie geraden acht;
II. om [partij A 2] te veroordelen tot vergoeding van de daardoor door gedaagden sub 2, 3, 4 en 5 althans door de commanditaire vennootschap geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans ter zake de beslissing(en) te nemen die de rechtbank in goede justitie geraden acht;
III. [partij A 1] en [partij A 2] , althans [partij A 2] , in de proceskosten te veroordelen.
4.4.
[partij A 1] en [partij A 2] voeren in reconventie verweer.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in reconventie
5.1.
De rechtbank zal op grond van proceseconomische overwegingen eerst de vordering in reconventie behandelen. In reconventie heeft het debat van partijen immers met name betrekking op de vraag of de algemene voorwaarden van [partij A 2] (‘De Nieuwe Regeling 2011’, hierna aan te duiden als ‘DNR 2011’), waaronder het vervalbeding, al dan niet van toepassing is. Ingeval van bevestigende beantwoording van die vraag heeft dit consequenties voor de beoordeling van het geschil in conventie. De vorderingen in reconventie richten zich alleen op [partij A 2] en niet (mede) op [partij A 1] .
5.2.
[partij B 3-5] stellen als grondslag voor hun tegenvorderingen – samengevat – dat [partij A 2] jegens hen toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht, althans onrechtmatig heeft gehandeld en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door [partij B 3-5] geleden schade. [partij A 2] heeft, aldus [partij B 3-5] , als (deskundig) adviseur onzorgvuldig gehandeld door een onvolledige subsidieaanvraag bij de RVO in te dienen als gevolg waarvan de subsidieaanvraag is afgewezen. [partij B 3-5] lopen de door hen gewenste subsidie aldus mis. Daarmee is [partij B 3-5] de kans om het door haar gewenste (winstgevende) mono-mestvergistingsproject te realiseren ontnomen.
5.3.
[partij A 2] heeft bij conclusie van antwoord in reconventie aangevoerd dat deze rechtbank niet bevoegd is om van de vorderingen van [partij B 3-5] kennis te nemen omdat op grond van de DNR 2011 de Raad van Arbitrage bevoegd is. Dit verweer wordt echter verworpen. De rechtbank verwijst ter motivering naar hetgeen zij daaromtrent onder de rechtsoverwegingen 5.20 en 5.21 heeft overwogen. Die overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
5.4.
[partij A 2] heeft in reconventie als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de vorderingen van [partij B 3-5] afstuiten op het in de algemene voorwaarden van [partij A 2] voorkomende vervalbeding.
5.5.
[partij A 2] stelt dat op de overeenkomst(en) met [partij B 3-5] de DNR 2011 van toepassing is. Artikel 16 van Pro DNR 2011 bepaalt onder meer:
“1.
De aansprakelijkheid van de adviseur vervalt door verloop van vijf jaren vanaf de dag waarop de opdracht door voltooiing of opzegging is geëindigd.
2.
De rechtsvordering uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming vervalt en is niet ontvankelijk indien de opdrachtgever niet binnen bekwame tijd nadat hij de tekortkoming heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, schriftelijk en met redenen omkleed ter zake heeft geprotesteerd.
3.
De rechtsvordering uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming vervalt en is niet ontvankelijk door verloop van twee jaren na het schriftelijke en met redenen omklede protest (…)
4.
De rechtsvordering uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming vervalt in ieder geval na verloop van vijf jaren vanaf de dag waarop de opdracht door voltooiing of opzegging is geëindigd. De rechtsvordering die na deze termijn wordt ingesteld is niet ontvankelijk.”
5.6.
[partij B 3-5] hebben de toepasselijkheid van DNR 2011 betwist. De toepasselijkheid is volgens [partij B 3-5] niet overeengekomen en de algemene voorwaarden zijn hen ook nooit ter hand gesteld zodat deze vernietigbaar zijn. De rechtbank zal derhalve allereerst dienen te onderzoeken of DNR 2011 van toepassing is. De rechtbank overweegt ten aanzien van die vraag als volgt.
5.7.
Uit de onder 3.3 bedoelde offerte van [partij A 2] voor het verrichten van een haalbaarheidsonderzoek ten behoeve van [partij B 3-5] blijkt dat de DNR 2005 op de contractuele relatie tussen partijen van toepassing is verklaard. Vervolgens is in de hiervoor onder 3.4. genoemde (destijds) met maatschap [bedrijf] gesloten no cure-no pay overeenkomst van 6 augustus 2012 de DNR 2011 van toepassing verklaard. In die overeenkomst wordt ook vermeld waar de algemene voorwaarden te vinden zijn alsmede dat deze op verzoek zullen worden toegezonden. [partij B 3-5] hebben ter zitting erkend dat vorenbedoelde no cure-no pay overeenkomst (mede) op de realisatie van drie mestvergisters zag. Ten aanzien van de vierde mestvergister heeft de heer [naam 2], bestuurder van [partij A 1] , ter zitting verklaard dat de subsidieaanvragen (door [partij A 2] ten behoeve van [partij B 3-5] ) binnen de vorenbedoelde no cure-no pay overeenkomst zijn gedaan en dat er geen afzonderlijke overeenkomst(en) is (zijn) gesloten voor de subsidieaanvragen die in het geding in reconventie aan de orde zijn. [partij B 3-5] hebben dat vervolgens ter zitting betwist en aangevoerd dat er voor de vierde vergister, waarop de subsidieaanvraag ziet, een nieuwe overeenkomst is gesloten. De rechtbank is evenwel van oordeel dat [partij B 3-5] de verklaring van [naam 2] niet voldoende gemotiveerd heeft betwist. Zo heeft de heer [partij B 3] in een eerder stadium van de mondelinge behandeling de stelling van [naam 2] erkend dat de opdracht waaronder de in het geding zijnde subsidieaanvraag is gedaan wel onder de no cure-no pay overeenkomst viel en dat er geen afzonderlijke overeenkomst is opgesteld voor de realisatie van de vierde vergister. Ook hebben [partij B 3-5] de overeenkomst ten aanzien van de vierde vergister niet in het geding gebracht. Daar komt bij dat de overeenkomst van 3, respectievelijk 4 juni 2014, die volgens [partij A 2] op de vierde mestvergister ziet, steun geeft aan het standpunt van [partij A 2] nu deze overeenkomst expliciet verwijst naar de eerdere no cure-no pay overeenkomst. In het licht van deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat de no cure-no pay overeenkomst, waarbij duidelijk is gewezen op de DNR 2011, mede betrekking had op de vierde mestvergister en dus mede op de subsidieaanvraag die in hier aan de orde is. [partij B 3-5] hebben derhalve met de toepasselijkheid van de DNR 2011 ingestemd en ook is hun een redelijke mogelijkheid geboden om van die voorwaarden kennis te nemen.
5.8.
Dat leidt de rechtbank tot de slotsom dat de DNR 2011 van toepassing zijn geworden op de overeenkomst tussen partijen ten aanzien van de realisatie van de vierde mestvergister, waaronder de subsidieaanvraag ten aanzien waarvan [partij B 3-5] stellen dat [partij A 2] in verband daarmee onzorgvuldig hebben gehandeld.
5.9.
Vervolgens dient het beroep van [partij B 3-5] op reflexwerking te worden beoordeeld. [partij B 3-5] hebben immers, subsidiair, aangevoerd dat aan hen als kleine ondernemers op grond van reflexwerking consumentenbescherming toekomt zodat het vervalbeding als onredelijk bezwarend dient te worden vernietigd. [partij A 2] heeft dit betwist door aan te voeren dat het hier gaat om zakelijke partijen ten aanzien van wie de reflexwerking niet van toepassing is.
5.10.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het sluiten van een overeenkomst die ziet op de realisatie van een mestvergistingsinstallatie betrekking heeft op de eigenlijke bedrijfsactiviteiten van [partij B 2] . Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt ten aanzien van deze vennootschap dat zij zich onder andere bezighoudt met de productie van biogas en de verwerking van mest. De rechtbank leidt uit de stukken van het geding af dat de realisatie van een vierde mestvergister door [partij B 2] bedoeld is als zakelijke investering. Daarbij geldt dat het hier gaat om een substantiële investering. [partij B 2] vertoont derhalve weinig gelijkenis met de consument die artikel 6:236 Burgerlijk Pro Wetboek beoogt te beschermen.
5.11.
Op basis van het voorgaande komt aan [partij B 3-5] dan ook geen beroep op reflexwerking toe. De algemene voorwaarden, en dus ook het vervalbeding, zijn dan ook onverkort van toepassing op de overeenkomst tussen [partij A 2] en [partij B 3-5] , althans [partij B 2] .
5.12.
[partij B 3-5] hebben vervolgens, meer subsidiair, aangevoerd dat het in artikel 16 van Pro DNR opgenomen vervalbeding onredelijk bezwarend, althans in strijd met de redelijkheid en billijkheid, is nu [partij A 2] zelf een fout heeft gemaakt bij de uitvoering van de overeenkomst. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.
5.13.
Op grond van artikel 6:233 onder Pro a Burgerlijk Wetboek (BW) is een beding onredelijk bezwarend (oneerlijk) wanneer het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. De rechtbank oordeelt dat in dit geval daarvan geen sprake is. Daartoe is het volgende redengevend. In de praktijk wordt een vervalbeding met een termijn van een jaar als niet ongebruikelijk beschouwd. In dit geval bedraagt de vervaltermijn twee, respectievelijk vijf, jaar. Daardoor wordt de positie van de [partij A 2] niet aanzienlijk aangetast. [partij B 3-5] waren voorts ruimschoots in de gelegenheid om binnen deze termijn een procedure tegen [partij A 2] te beginnen maar hebben dat om hen moverende redenen nagelaten.
5.14.
Bij de vraag of het vervalbeding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid geldt als uitgangspunt dat voor een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid geldt dat het vervalbeding niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW Pro). De term onaanvaardbaar brengt tot uitdrukking dat in het algemeen de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling van een beroep op redelijkheid en billijkheid. Het komt er op neer dat voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid alleen dan plaats is, als het gevolg van een beroep op een beding (in dit geval: het vervalbeding) door de ene partij tot een onaanvaardbare uitkomst zou leiden voor de andere partij. Op grond van de hoofdregel uit artikel 150 Rv Pro ligt het op de weg van [partij B 3-5] om de omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit volgt dat het beroep op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
5.15.
Het enkele (beweerdelijke) wanpresteren van [partij A 2] maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat haar beroep op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De strekking van het vervalbeding is - zo maakt de rechtbank op uit de tekst ervan - niet een algehele uitsluiting van aansprakelijkheid voor [partij A 2] , maar beperkt slechts de mogelijkheid om vorderingen geldend te maken in de tijd. Feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat [partij B 3-5] als gevolg van die beperking in tijd ten aanzien van haar in deze procedure ingestelde vordering onevenredig benadeeld zou zijn (of, anders gezegd: die leiden tot een onaanvaardbare uitkomst in deze procedure), hebben [partij B 3-5] niet aangevoerd. Daarbij betrekt de rechtbank ook nog het feit dat [partij B 3-5] ruim voorafgaand aan de dagvaarding bekend waren met haar vorderingen op [partij A 2] . [partij B 3-5] hebben [partij A 2] immers reeds bij brief van 29 augustus 2015 aansprakelijk gesteld voor de door hen gestelde fout. Dat de exacte omvang van hun vordering toen nog niet duidelijk was mag dan zo zijn, maar vast staat dat zij desondanks geruime tijd hebben gewacht met het instellen van haar vorderingen zonder dat [partij B 3-5] duidelijk hebben gemaakt wat daarvoor de concrete aanleiding is geweest. De enkele onduidelijkheid over de hoogte was in elk geval niet de aanleiding daarvoor, want dat was ten tijde van het instellen van de tegenvordering nog onveranderd. Dat [partij B 3-5] nadeel ondervinden van het beroep van [partij A 2] op de vervaltermijn is duidelijk maar dat beroep is gelet op wat [partij B 3-5] daarover heeft aangevoerd en wat overigens in deze procedure is gebleken niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het beroep van [partij B 3-5] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt daarom verworpen.
5.16.
De rechtbank komt, gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, tot de slotsom dat de DNR 2011 op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn en dat het vervalbeding van artikel 16, derde lid, DNR 2011 werking heeft. Dat leidt ertoe dat het recht van [partij B 3-5] om de tegenvorderingen op [partij A 2] in te stellen vervallen is. [partij B 3-5] hebben [partij A 2] immers bij brief van 29 augustus 2015 aansprakelijk gesteld vanwege de door hen gestelde (beroeps)fout. Die brief kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als het “protest” als bedoeld in vorenbedoeld artikellid. [partij B 3-5] hebben overigens ter zitting ook erkend dat de vervaltermijn met ingang van die datum is aangevangen. [partij B 3-5] hadden hun rechtsvordering tegen [partij A 2] dus voor 29 augustus 2017 moeten instellen maar hebben zulks nagelaten waardoor hun recht om dat thans nog te doen is vervallen.
Slotsom en proceskosten
5.17.
De vorderingen in reconventie zullen mitsdien worden afgewezen. [partij B 3-5] worden als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij in de kosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [partij A 1] en [partij A 2] worden begroot op € 1.880,00 aan salaris.
in conventie
5.18.
[partij B 3-5] hebben ter zitting aangevoerd dat deze rechtbank niet bevoegd is om van het geschil in conventie kennis te nemen omdat de DNR 2011 voorschrijven dat de Raad van Arbitrage bevoegd is. De rechtbank kwalificeert dit verweer als een beroep op de exceptie van onbevoegdheid als bedoeld in artikel 128 lid 3 Rv Pro en oordeelt daarover als volgt.
5.19.
Artikel 128 lid 3 Rv Pro bepaalt dat de gedaagde alle excepties en zijn antwoord ten principale tegelijk naar voren brengt, op straffe van verval van de niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale is geantwoord, van het recht om dat alsnog te doen. Volgens vaste rechtspraak zijn excepties in de zin van dit artikellid die verweren die ertoe strekken dat de rechter op grond van regels van processuele aard niet aan een beoordeling van de rechtsbetrekking in geschil zelf toekomt. Hierbij valt te denken aan onbevoegdheid van de rechter, dan wel nietigheid van de dagvaarding.
5.20.
Nu [partij B 3-5] pas ter zitting hebben aangevoerd dat de rechtbank onbevoegd is, is de exceptie te laat opgeworpen. De exceptie wordt dan ook verworpen. Maar al ware dat anders dan nog was de rechtbank bevoegd geweest om van het geschil kennis te nemen. Het hier toepasselijke artikel 58, tweede lid, van de DNR 2011 bepaalt immers:
“Indien partijen in de opdracht hebben bepaald dat geschillenbeslechting plaatsvindt door middel van arbitrage, zullen alle geschillen (…) die tussen de opdrachtgever en de adviseur of hun rechtsopvolgers of rechtverkrijgenden ontstaan naar aanleiding van de opdracht beslecht worden – met uitsluiting van de gewone rechter – door arbitrage overeenkomstig het arbitragerelgement van de Raad van Arbitrage voor de Bouw (…)”
5.21.
In deze procedure is evenwel gesteld noch anderszins gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat geschillenbeslechting door middel van arbitrage zal plaatsvinden zodat de rechtbank ook om die reden bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen.
5.22.
[partij B 3-5] hebben de verschuldigdheid van de door [partij A 1] en [partij A 2] gevorderde hoofdsommen op zich gaaf en onvoorwaardelijk erkend zodat die verschuldigdheid in rechte is komen vast te staan. [partij B 3-5] beroepen zich echter op verrekening van de vordering van [partij A 2] met de schadevordering van [partij B 3-5] , althans [partij B 2] , op [partij A 2] . Volgens [partij B 3-5] is de door hen geleden schade aanzienlijk groter dan het beloop van de vorderingen van [partij A 2] op [partij B 2] . [partij A 1] en [partij A 2] hebben betwist dat aan [partij B 3-5] de bevoegdheid tot verrekening toe komt.
5.23.
De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen hiervoor in reconventie is overwogen volgt dat de vordering van [partij B 3-5] tot vergoeding van schade is vervallen zodat [partij B 3-5] geen schadevordering meer toekomt en dus evenmin bevoegd zijn hun schadevordering te verrekenen. Maar ook als dat anders geweest zou zijn dan geldt dat de vordering in conventie op grond van het bepaalde in 6:136 BW toewijsbaar zou zijn geweest. Dat artikel bepaalt immers dat de rechter een vordering ondanks een beroep van de verweerder op verrekening kan toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat zulks in deze zaak het geval is. Zowel de door [partij B 3-5] gestelde toerekenbare tekortkoming, dan wel onrechtmatige gedraging, van [partij A 2] , het causaal verband en de (omvang van de) schade zijn door [partij A 2] gemotiveerd betwist en zijn dus niet komen vast te staan. Dat de omvang van de schade overigens niet vast staat blijkt reeds uit het feit dat [partij B 3-5] verwijzing naar de schadestaatprocedure hebben gevorderd. Op grond daarvan is de gegrondheid van het verrekeningsverweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen terwijl de hoofdsommen, gelet op de erkenning daarvan, toewijsbaar zijn.
5.24.
De overige standpunten van partijen, in het bijzonder die welke zien op het leerstuk van vereenzelviging (van [partij A 1] en [partij A 2] ) behoeven gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen geen nadere bespreking meer.
Rente
5.25.
[partij B 3-5] betwisten dat de verschenen rente over de door [partij A 1] verstrekte lening per 1 juli 2021 € 25.181,51 bedroeg. De rechtbank acht die betwisting echter niet ter zake dienend nu [partij A 1] een bedrag van € 71.000,00 ten titel van geldlening vordert. Dat bedrag is geheel overeenkomstig de door partijen op 17 juni 2021 gemaakte afspraken. Dit bedrag is dan ook toewijsbaar.
5.26.
Voorts hebben [partij B 3-5] aangevoerd dat zij geen wettelijke (handels)rente zijn verschuldigd omdat er volgens hen sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van [partij A 1] en [partij A 2] , althans omdat de vertraging in de betaling(en) niet aan [partij B 3-5] kunnnen worden toegerekend, één en ander gelet op de door [partij A 2] gemaakte fout.
5.27.
Uit de artikelen 6:58 en 6:59 BW volgt dat schuldeisersverzuim op twee manieren kan ontstaan. Artikel 6:58 BW Pro bepaalt dat de schuldeiser in verzuim komt wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend. Bij deze vorm van schuldeisersverzuim gaat het erom dat de schuldenaar haar verplichtingen niet kan nakomen door een handelen van de schuldeiser. Dat aspect speelt niet bij het ontstaan van schuldeisersverzuim op grond van artikel 6:59 BW Pro. Dat artikel bepaalt dat de schuldeiser eveneens in verzuim komt wanneer hij ten gevolge van een hem toe te rekenen omstandigheid niet voldoet aan zijn verplichting zijnerzijds jegens de schuldenaar en deze op die grond de nakoming van zijn verbintenis jegens de schuldeiser opschort. Dat er sprake is van schuldeisersverzuim in vorenbedoelde zin en, zo ja per welke datum, is door [partij B 3-5] niet onderbouwd. [partij B 3-5] hebben niet toegelicht op welke grond, op welke wijze en per welke datum, [partij A 1] en [partij A 2] in schuldeisersverzuim zijn geraakt. De rechtbank passeert het verweer van [partij B 3-5] op dit punt dan ook.
5.28.
[partij A 1] en [partij A 2] vorderen gedeeltelijk de wettelijke handelsrente over haar vorderingen. [partij B 3-5] hebben de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente echter betwist door aan te voeren dat de wettelijke handelsrente op grond van de DRN 2011 niet van toepassing is. Dat verweer slaagt nu in reconventie is geoordeeld dat de DNR 2011 van toepassing zijn en deze algemene voorwaarden inderdaad niet de wettelijke handelsrente voorschrijven. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente toewijzen over de gevorderde hoofdsommen en wel telkens vanaf 1 augustus 2021, nu [partij B 3-5] niet hebben betwist dat het verzuim op deze datum is ingetreden, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
5.29.
[partij B 3-5] zullen als de – grotendeels – in het ongelijk te stellen partij in de kosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [partij A 1] en [partij A 2] worden begroot op:
- explootkosten € 124,58
- griffierecht € 6.617,00
- salaris advocaat € 3.760,00 (2 punten x tarief V)
- nakosten € 178,00 (plus het bedrag vermeld in de
beslissing)
______________
Totaal € 10.679,58

6.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
6.1.
veroordeelt [partij B 2] en haar vennoten (gedaagden sub 3, 4 en 5), hoofdelijk des dat de één betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, om aan [partij A 1] te betalen de som van € 71.000,00 ten titel van geldlening, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 augustus 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
6.2.
veroordeelt [partij B 1] en haar vennoten (gedaagden sub 3, 4 en 5) hoofdelijk des dat de één betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, om aan [partij A 2] te betalen de som van
€ 7.827,49 ten titel van verrichte werkzaamheden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 augustus 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
6.3.
veroordeelt [partij B 2] en haar vennoten (gedaagden sub 3, 4 en 5), hoofdelijk des dat de één betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, om aan [partij A 2] te betalen de som van € 22.432,50 ten titel van verrichte werkzaamheden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 augustus 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
6.4.
veroordeelt gedaagden in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [partij A 1] en [partij A 2] begroot op € 10.679,58, te betalen binnen veertien dagen na heden en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro al de proces- en nakosten niet binnen genoemde termijn zijn voldaan;
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
6.7.
wijst de vorderingen af;
6.8.
veroordeelt gedaagden in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [partij A 1] en [partij A 2] begroot op € 1.880,00 aan salaris van de advocaat;
6.9.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling onder 6.8 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025. (JBd(O)