ECLI:NL:RBOVE:2025:7323

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
08-137339-24 en 08-023088-20 (TUL) (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met alcoholgebruik en letsel aan slachtoffers

Op 15 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel een 62-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor drie jaar. De man was schuldig aan het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval op 20 april 2024 in Almelo, waarbij hij onder invloed van alcohol en met een verlopen rijbewijs een aanrijding veroorzaakte. Hij reed met een snelheid van 85 tot 93 kilometer per uur door een rood verkeerslicht en verliet de plaats van het ongeval zonder zich om de slachtoffers te bekommeren. De rechtbank oordeelde dat zijn gedrag uiterst gevaarzettend was en dat hij zich zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam had gedragen. De slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], liepen door het ongeval letsel op, wat leidde tot tijdelijke ziekte en verhindering in hun normale bezigheden. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de gevolgen voor de slachtoffers en het eerdere strafblad van de verdachte, wat leidde tot een hogere straf dan door de officier van justitie was geëist. De verdachte moet ook een geldboete van € 430,00 betalen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-137339-24 en 08-023088-20 (TUL) (P)
Datum vonnis: 15 december 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op de [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 augustus 2025 en 1 december 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat door de slachtoffers [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) ter terechtzitting naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 20 april 2024 te Almelo als bestuurder van een bedrijfsauto:
feit 1
primair:een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zwaar) lichamelijk letsel hebben opgelopen;
subsidiair:opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft overtreden waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
meer subsidiair:zich zodanig op de weg heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt en/of het verkeer werd gehinderd;
meest subsidiair:niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;
feit 2
primair:een motorrijtuig (bedrijfsauto) heeft bestuurd onder invloed van meer dan de bij wet toegestane hoeveelheid alcohol;
subsidiair:dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij onder zodanige invloed van alcohol was dat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat was;
feit 3:een ongeval heeft veroorzaakt en de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] letsel en/of schade was toegebracht;
feit 4:heeft gereden terwijl de geldigheidsduur van het rijbewijs meer dan één jaar was verstreken.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 20 april 2024 te Almelo, in elk geval in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto),
komende uit de richting van de Berkelstraat, gaande in de richting van de
Nijreessingel, daarmede heeft gereden over de Van Rechteren Limpurgsingel/N349,
roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of
onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl zijn, verdachtes, rijbewijs voor de categorie van motorrijtuigen waartoe dat
motorrijtuig behoorde, was verlopen/zijn geldigheid(sduur) had verloren en/of
terwijl hij de kruising (van de Van Rechteren Limpurgsingel/N349 en de
Nijreessinel) naderde en/of de aldaar op die kruising geplaatste, voor hem,
verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten rood
licht uitstraalden, inhoudende: ‘stop’ en/of
terwijl een van rechts komend voertuig (personenauto) reeds op korte afstand was
genaderd,
niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het/de direct voor
hem, verdachte, gelegen weggedeelte(n) van die weg en/of de zich daarop
bevindende verkeerslichten en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of het
voor hem, verdachte, van rechts komende verkeer en/of
die kruising is genaderd met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat
voertuig toegestane maximumsnelheid van 70 kilometer per uur, in elk geval met
een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
namelijk met gemiddelde indicatieve snelheid van tussen de 85 en 93 kilometer per
uur en/of
in strijd met artikel 62 jo. 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 (RVV90) geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat
een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een driekleurig
verkeerslicht dat (reeds (ongeveer) 115,8 seconden) rood licht uitstraalde, maar is
hij doorgereden en/of
in strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde
voertuig (bedrijfsauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig
tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en
waarover deze vrij was en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, dat van rechts komende
voertuig (personenauto),
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van
de Wegenverkeerswet 1994,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor (een) ander(en),
- genaamd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd
toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de
normale bezigheden is ontstaan en/of
- genaamd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd
toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de
normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 april 2024 te Almelo, in elk geval in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto),
komende uit de richting van de Berkelstraat, gaande in de richting van de
Nijreessingel, daarmede heeft gereden over de Van Rechteren Limpurgsingel/N349,
terwijl zijn, verdachtes, rijbewijs voor de categorie van motorrijtuigen waartoe dat
motorrijtuig behoorde, was verlopen/zijn geldigheid(sduur) had verloren en/of
terwijl hij de kruising (van de Van Rechteren Limpurgsingel/N349 en de
Nijreessinel) naderde en/of de aldaar op die kruising geplaatste, voor hem,
verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten rood
licht uitstraalden, inhoudende: ‘stop’ en/of
terwijl een van rechts komend voertuig (personenauto) reeds op korte afstand was
genaderd,
niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het/de direct voor
hem, verdachte, gelegen weggedeelte(n) van die weg en/of de zich daarop
bevindende verkeerslichten en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of het
voor hem, verdachte, van rechts komende verkeer en/of
die kruising is genaderd met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat
voertuig toegestane maximumsnelheid van 70 kilometer per uur, in elk geval met
een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
namelijk met gemiddelde indicatieve snelheid van tussen de 85 en 93 kilometer per
uur en/of
in strijd met artikel 62 jo. 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 (RVV90) geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat
een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een driekleurig
verkeerslicht dat (reeds (ongeveer) 115,8 seconden) rood licht uitstraalde, maar is
hij doorgereden en/of
in strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde
voertuig (bedrijfsauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig
tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en
waarover deze vrij was en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, dat van rechts komende
voertuig (personenauto),
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van
de Wegenverkeerswet 1994,
en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich
opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in
ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor
zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 april 2024 te Almelo, in elk geval in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto),
komende uit de richting van de Berkelstraat, gaande in de richting van de
Nijreessingel, daarmede heeft gereden over de Van Rechteren Limpurgsingel/N349,
terwijl zijn, verdachtes, rijbewijs voor de categorie van motorrijtuigen waartoe dat
motorrijtuig behoorde, was verlopen/zijn geldigheid(sduur) had verloren en/of
terwijl hij de kruising (van de Van Rechteren Limpurgsingel/N349 en de
Nijreessinel) naderde en/of de aldaar op die kruising geplaatste, voor hem,
verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten rood
licht uitstraalden, inhoudende: ‘stop’ en/of
terwijl een van rechts komend voertuig (personenauto) reeds op korte afstand was
genaderd,
niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het/de direct voor
hem, verdachte, gelegen weggedeelte(n) van die weg en/of de zich daarop
bevindende verkeerslichten en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of het
voor hem, verdachte, van rechts komende verkeer en/of
die kruising is genaderd met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat
voertuig toegestane maximumsnelheid van 70 kilometer per uur, in elk geval met
een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
namelijk met gemiddelde indicatieve snelheid van tussen de 85 en 93 kilometer per
uur en/of
in strijd met artikel 62 jo. 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 (RVV90) geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat
een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een driekleurig
verkeerslicht dat (reeds (ongeveer) 115,8 seconden) rood licht uitstraalde, maar is
hij doorgereden en/of
in strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde
voertuig (bedrijfsauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig
tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en
waarover deze vrij was en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, dat van rechts komende
voertuig (personenauto),
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van
de Wegenverkeerswet 1994,
en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 april 2024 te Almelo als bestuurder
van een voertuig op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Van
Rechteren Limpurgsingel,
geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod
inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd
driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waarbij letsel aan
personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;
2
hij op of omstreeks 20 april 2024 te Almelo, als bestuurder van een motorrijtuig,
(bedrijfsauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende
drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel
8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 915 microgram, in
elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te
zijn;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 april 2024 te Almelo als bestuurder van een voertuig,
(bedrijfsauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige
invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik
daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de
rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest
worden geacht;
3
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke
gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk
verkeersongeval had plaatsgevonden in Almelo op/aan de Van Rechteren
Limpurgsingel/N349 en/of de Nijreessingel, op of omstreeks 20 april 2024
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een
ander (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] )
letsel en/of schade was toegebracht;
4
hij op of omstreeks 20 april 2024 te Almelo, als bestuurder van een motorrijtuig
(bedrijfsauto) heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de
Van Rechteren Limpurgsingel/N349, terwijl de geldigheidsduur van het rijbewijs dat
voor het besturen van die categorie motorrijtuigen was vereist, te weten categorie B,
meer dan één jaar was verstreken.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, met dien verstande dat verdachte ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, waardoor het verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Door het ongeval hebben de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel opgelopen, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft geen verweer gevoerd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijs
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. [1]
Ten aanzien van feit 1 primair, 2 primair, 3 en 4
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.
Ten aanzien van feit 1 primair
Het proces-verbaal van bevindingen van 2 mei 2024 (pag. 36-37);
Het (aanvullend) proces-verbaal van bevindingen van 31 juli 2025 met proces-verbaalnummer PL0600-2024179132-18 (pag. 1-2);
Het (aanvullend) proces-verbaal van bevindingen van 31 juli 2025 met proces-verbaalnummer PL0600-2024179132-19 (pag. 1-2).
Ten aanzien van feit 2 primair
Het proces-verbaal rijden onder invloed van 21 april 2024 (pag. 40-42);
Een schriftelijk bescheid, te weten het resultaat van het ademonderzoek (pag. 44).
Ten aanzien van feit 3
1. Het proces-verbaal van bevindingen van 21 april 2024 (pag. 57-58).
Ten aanzien van feit 4
1. Het proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 van 21 april 2024 met proces-verbaalnummer PL0600-2024179301-1, inclusief bijlage uitdraai BVI-IB.
3.3.2
De aanvullende overwegingen van de rechtbank over de mate van schuld en het letsel
De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde over de mate van schuld en het letsel van de slachtoffers het volgende.
Het wettelijk kader ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW 1994
Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde artikel 6 WVW 1994 is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en/of onoplettendheid van verdachte. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en verder naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Een enkel moment van onoplettendheid in het verkeer hoeft geen schuld op te leveren.
Het rijgedrag van verdachte
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een aantal verkeersovertredingen heeft begaan. Ten eerste heeft verdachte kort voor het verkeersongeval te hard gereden. Verdachte reed immers met een snelheid van tussen de 85 en 93 kilometer per uur, wat harder is dan de ter plekke toegestane snelheid van 70 kilometer per uur. Ten tweede heeft verdachte een rood verkeerslicht genegeerd. Verdachte heeft bij het naderen van het verkeerslicht niet afgeremd, maar is doorgereden en niet voor het rode verkeerslicht gestopt, terwijl het verkeerslicht al minimaal 115,8 seconden rood licht uitstraalde en hij bovendien bekend was met de situatie ter plaatse. Als gevolg hiervan is hij in aanrijding gekomen met de personenauto van [slachtoffer 1] , die groen licht had. Dit alles terwijl verdachte onder invloed was van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol. Er is bij verdachte een bloedalcoholgehalte van 915 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht aangetroffen, wat vele malen hoger is dan de wettelijke grenswaarde van 220 microgram alcohol per liter. Het is een feit van algemene bekendheid dat alcoholgebruik de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt. Desondanks is verdachte in de auto gestapt en gaan rijden. Ook was de geldigheidsduur van het rijbewijs van verdachte meer dan één jaar verstreken. Door zodanig te handelen heeft verdachte meerdere verkeersfouten gemaakt en gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van hem als bestuurder van een personenauto in de onderhavige situatie mocht worden verwacht.
Gelet op het samenstel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is in de zin van artikel 6 WVW 1994. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gereden en is er sprake van een zeer hoge mate van schuld. Verdachte heeft uiterst gevaarzettend, aan roekeloosheid grenzend, verkeersgedrag vertoond.
Het letsel
Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde artikel 6 WVW 1994 is tevens vereist dat als gevolg van het ongeval sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dan wel zodanig letsel dat hierdoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Uit de medische informatie en verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt het volgende. [slachtoffer 1] heeft als gevolg van het ongeval nek- en schouderklachten en circa vier maanden niet kunnen werken. Hij heeft zijn werk in de wegenbouw hervat, maar moet nog steeds bij zware klussen de hulp van een collega inroepen. In de ochtend heeft hij last van een stijve nek. Dit trekt weg in de loop van de dag. Door het ongeval heeft [slachtoffer 2] pijn in zijn rug en nek, last van zijn spieren, clusterhoofdpijn en druk achter zijn oog, waardoor hij niet goed licht kan verdragen. [slachtoffer 2] is voor zijn arbeid als [beroep] volledig hersteld en werkt fulltime. Hij gaat naar ergotherapie.
Hoewel duidelijk is dat de gevolgen van het ongeval voor de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] groot zijn geweest, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat het letsel in juridische zin als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1 primair
hij op
of omstreeks20 april 2024 te Almelo,
in elk geval in Nederland,als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto),
komende uit de richting van de Berkelstraat, gaande in de richting van de
Nijreessingel, daarmede heeft gereden over de Van Rechteren Limpurgsingel/N349,
roekeloos, althanszeer
dan wel aanmerkelijk,onvoorzichtig, onoplettend en
/of
onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl zijn, verdachtes, rijbewijs voor de categorie van motorrijtuigen waartoe dat
motorrijtuig behoorde, was verlopen/zijn geldigheid
(sduur
)had verloren en
/of
terwijl hij de kruising
(van de Van Rechteren Limpurgsingel/N349 en de
Nijreessingel
)naderde en
/ofde aldaar op die kruising geplaatste, voor hem,
verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten rood
licht uitstraalden, inhoudende: ‘stop’ en
/of
terwijl een van rechts komend voertuig (personenauto) reeds op korte afstand was
genaderd,
niet of in onvoldoende mate heeft gelet en
/ofis blijven letten op
het/de direct voor
hem, verdachte, gelegen weggedeelte
(n
)van die weg en
/ofde zich daarop
bevindende verkeerslichten en
/ofhet zich daarop bevindende verkeer en
/ofhet
voor hem, verdachte, van rechts komende verkeer en
/of
die kruising is genaderd met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat
voertuig toegestane maximumsnelheid van 70 kilometer per uur, in elk geval met
een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
namelijk met gemiddelde indicatieve snelheid van tussen de 85 en 93 kilometer per
uur en
/of
in strijd met artikel 62 jo. 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 (RVV90) geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat
een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een driekleurig
verkeerslicht dat
(reeds
(ongeveer
)115,8 seconden
)rood licht uitstraalde, maar is
hij doorgereden en
/of
in strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde
voertuig (bedrijfsauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig
tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en
waarover deze vrij was en
/of
is gebotst tegen, althansin aanrijding is gekomen met, dat van rechts komende
voertuig (personenauto),
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van
de Wegenverkeerswet 1994,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor
(een)ander
(en
),
- genaamd [slachtoffer 1]
zwaar lichamelijk letsel ofzodanig lichamelijk letsel werd
toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de
normale bezigheden is ontstaan en
/of
- genaamd [slachtoffer 2]
zwaar lichamelijk letsel ofzodanig lichamelijk letsel werd
toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de
normale bezigheden is ontstaan;
2 primair
hij op
of omstreeks20 april 2024 te Almelo, als bestuurder van een motorrijtuig,
(bedrijfsauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende
drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel
8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 915 microgram, in
elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te
zijn;
3
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke
gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk
verkeersongeval had plaatsgevonden in Almelo op/aan de Van Rechteren
Limpurgsingel/N349 en
/ofde Nijreessingel, op
of omstreeks20 april 2024
de
(voornoemde
)plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een
ander
(te weten [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2]
)
letsel en
/ofschade was toegebracht;
4
hij op
of omstreeks20 april 2024 te Almelo, als bestuurder van een motorrijtuig
(bedrijfsauto) heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de
Van Rechteren Limpurgsingel/N349, terwijl de geldigheidsduur van het rijbewijs dat
voor het besturen van die categorie motorrijtuigen was vereist, te weten categorie B,
meer dan één jaar was verstreken.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 6, 7, 8, 107, 175, 176 en 177 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op de eendaadse samenloop van:
feit 1
primair
het misdrijf:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet;
en
feit 2
primair
het misdrijf:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994 (915 microgram);
alsmede
feit 4
de overtreding:
overtreding van artikel 107, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
en het afzonderlijk te kwalificeren
feit 3
het misdrijf:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a/b van de Wegenverkeerswet 1994.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor het onder feit 1 primair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden, zoals die zijn opgenomen in het reclasseringsadvies van 14 november 2025. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (hierna: ontzegging van de rijbevoegdheid) op te leggen voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest. Ten aanzien van het onder feit 4 bewezen verklaarde eist de officier van justitie dat aan verdachte een geldboete van € 430,00 wordt opgelegd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Er is door verdachte geen uitdrukkelijk strafmaatverweer gevoerd. Verdachte heeft aangevoerd dat een gevangenisstraf voor hem zwaar zal uitpakken en dat hij zijn woonplek zal gaan verliezen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 20 april 2024 schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval door zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam te rijden. Hij heeft daarbij uiterst gevaarzettend verkeersgedrag vertoond. Verdachte heeft, terwijl de geldigheidsduur van zijn rijbewijs geruime tijd was verstreken en hij fors onder invloed verkeerde van alcohol, als bestuurder van een bedrijfsauto met een te hoge snelheid door een rood verkeerslicht gereden. Dergelijk verkeersgedrag is onaanvaardbaar. Als gevolg hiervan is verdachte in aanrijding gekomen met een personenauto. Het ongeval heeft voor de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ingrijpende gevolgen gehad. In plaats van zich om de slachtoffers te bekommeren, heeft verdachte zich direct uit de voeten gemaakt. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich op ernstige wijze heeft misdragen in het verkeer en de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht. Verdachte heeft, net als iedere andere verkeersdeelnemer, de voortdurende zorgplicht om te anticiperen op komende verkeerssituaties en zich te vergewissen van de eventuele aanwezigheid van ander verkeer. Verdachte is hierin fors tekort geschoten. Hij is bewust na het drinken van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol gaan rijden in de bedrijfsauto die hij kort voor het ongeval van zijn werkgever ter beschikking gesteld had gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte deze zorgplicht in alle opzichten onvoldoende in acht genomen en dient zijn persoonlijk belang (werk en woning) in het kader van de strafmaat te wijken voor generale preventie.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 8 juli 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, ook voor soortgelijke strafbare feiten.
Ook heeft de rechtbank het reclasseringsrapport van GGZ Tactus Enschede van
14 november 2025 in haar afweging betrokken. Uit het reclasseringsadvies volgt dat een delictpatroon wordt waargenomen van het rijden onder invloed en het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. De reclassering ziet problemen op het gebied van delictverleden, relaties, alcoholgebruik en houding. Er wordt een probleem ten aanzien van alcoholgebruik waargenomen, wat al jarenlang speelt, terwijl verdachte zijn alcoholgebruik niet als problematisch ervaart. De reclassering neemt een pro-criminele houding waar, waarbij verdachte weinig verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden. Het is wenselijk dat interventies worden ingezet om tot langdurige duurzame gedragsverandering en daarmee recidivebeperking te komen. De reclassering adviseert een straf met de volgende bijzondere voorwaarden: (1) een meldplicht, (2) ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), (3) een alcoholverbod, (4) meewerken aan middelencontrole en (5) meewerken aan diagnostiek.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf rekening gehouden met de straffen die rechters in soortgelijke strafzaken opleggen en de oriëntatiepunten voor straftoemeting en de afspraken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). Daarin wordt gedifferentieerd naar de mate van schuld, de gevolgen voor het slachtoffer en de vraag of en, zo ja, in welke mate er sprake is van alcoholgebruik. In het geval dat zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gedrag bewezen is verklaard, zoals in deze zaak het geval is, kan aansluiting worden gezocht bij de categorieën ‘ernstige schuld’ en ‘zeer hoge mate van schuld’, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in de strafmaat naar de mate van verwijtbaarheid. Bij een ‘zeer hoge mate van schuld’ kan gedacht worden aan gevallen die neigen naar de grenzen van roekeloosheid.
Gelet op de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van uiterst gevaarzettend, aan roekeloosheid grenzend verkeersgedrag. Voor een ongeval als het onderhavige, waarbij sprake is van een ‘zeer hoge mate van schuld’, alcoholgebruik en lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, geeft het LOVS als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren. De rechtbank weegt in het geval van verdachte echter de volgende omstandigheden in zijn nadeel mee. In de eerste plaats wordt verdachte – naast het zeer gevaarzettende rijgedrag – ook verweten dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten, zonder dat hij zich om de inzittenden heeft bekommerd van de aangereden auto. Daarnaast blijkt uit zijn strafblad dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en hij blijkbaar weinig lering uit die eerdere veroordelingen heeft getrokken. Ook wordt in het nadeel van verdachte meegewogen dat de rechtbank – hoewel verdachte ter terechtzitting zijn spijt heeft betuigd – niet de indruk heeft gekregen dat verdachte de ernst van zijn handelen en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers ten volle beseft. Dit wordt versterkt door het feit dat verdachte geen actie heeft ondernomen om in contact te komen met de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en niet vrijwillig ter terechtzitting heeft willen verschijnen. Ten slotte weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat hij zijn problematische alcoholgebruik lijkt te bagatelliseren.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte ten aanzien van de misdrijven (feit 1 primair, 2 primair en 3) moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest. Daarnaast zal de rechtbank voor wat betreft de overtreding (feit 4) aan verdachte opleggen een geldboete van € 430,00.
De rechtbank legt daarmee een hogere straf op dan door de officier van justitie is geëist.
Gelet op de bewezenverklaarde gedragingen en de mate van schuld acht de rechtbank de
door de officier van justitie geformuleerde eis, mede vanuit het oogpunt van generale
preventie, niet passend.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7.De vordering tenuitvoerlegging

7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering moet worden afgewezen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft geen verweer gevoerd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 55, 57 en 62 Sr en het artikel 179 WVW 1994.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert de eendaadse samenloop van:
feit 1 primair
het misdrijf:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet;
en
feit 2 primair
het misdrijf:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994 (915 microgram);
alsmede
feit 4
de overtreding:
overtreding van artikel 107, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
en het afzonderlijk te kwalificeren
feit 3
het misdrijf:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a/b van de Wegenverkeerswet 1994;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
ten aanzien van feit 1 primair, 2 primair en 3
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
16 (zestien) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Tactus Reclassering op het adres [adres 2] meldt. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat behandelen door Forensische polikliniek JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra de reclassering dit nodig acht. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
- geen alcohol gebruikt, en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- meewerkt aan het verkrijgen van diagnostische gegevens ter beoordeling van de zorgverlener, indien dit noodzakelijk wordt geacht om tot een passend behandelplan te komen;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
-
ontzegtde verdachte de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigenvoor de duur van
3 (drie) jaren;
- beveelt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994, afgetrokken wordt van de duur van de ontzegging;
ten aanzien van feit 4
- veroordeelt de verdachte tot betaling van
een geldboete van € 430,00 (vierhonderddertig euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
8 (acht) dagen;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer
- beveelt de
tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de politierechter rechtbank Overijssel van 28 september 2020 voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.W. Renskers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2025.
Buiten staat
Mr. M.A.H. Heijink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit digitale het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024179304. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.