ECLI:NL:RBOVE:2025:7325

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
AK_25_3561
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tot openbaarmaking documenten gebiedsontwikkeling Noorderkwartier

Op 16 juli 2025 verzocht eiser het college van burgemeester en wethouders van Zwolle om openbaarmaking van documenten over de gebiedsontwikkeling Noorderkwartier. Na herhaling van het verzoek en een expliciet beroep op de Wet open overheid (Woo) besloot het college op 4 november 2025 om 169 documenten gedeeltelijk openbaar te maken, met uitzondering van persoonsgegevens, bedrijfsgegevens en passages die economische belangen van de gemeente konden schaden.

Eiser maakte op 9 december 2025 bezwaar tegen dit besluit en verzocht tevens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de ontbrekende stukken vóór 16 december 2025 openbaar te maken. Hij stelde dat hij de stukken nodig had voor een andere procedure en dat zonder deze stukken zijn recht op effectieve rechtsbescherming zou worden belemmerd.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen zwaarwegend spoedeisend belang bestond dat een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Ook was er geen ernstige twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit van het college. Het verzoek werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen zonder zitting.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot openbaarmaking van aanvullende documenten wordt afgewezen wegens ontbreken van een zwaarwegend spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3561
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] ,
hierna: [eiser] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,
hierna: het college.

1.Inleiding: feiten en procesverloop

1.1.
Op 16 juli 2025 heeft [eiser] het college verzocht documenten te openbaren inzake de gebiedsontwikkeling Noorderkwartier, met name over het parkeerbeleid, bouwhoogten, verkeerssituaties, bodemsanering, interne correspondentie en het Ruimtelijk Ontwikkelplan. Op 27 augustus 2025 heeft hij dit verzoek herhaald en een expliciet beroep op de Wet open overheid (hierna: Woo) gedaan.
1.2.
Op 4 november 2025 heeft het college besloten 169 documenten gedeeltelijk openbaar te maken. Uitzonderingen betreffen de persoonsgegevens van ambtenaren onder operationeel niveau en particuliere derden (op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo), de bedrijfs- en fabricagegegevens van externe adviesbureaus (op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo), en een beperkt aantal passages, omdat openbaarmaking daarvan de economische of financiële belangen van de gemeente zouden schaden (op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo).
1.3.
Op 9 december 2025 heeft [eiser] tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft [eiser] de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening.
1.4.
Het verzoek is kennelijk ongegrond. Daarom doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

2.Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
[eiser] is van mening dat het college niet alle documenten heeft verstrekt; de zoekslag is niet volledig geweest. In het verzoek om voorlopige voorziening heeft hij de voorzieningenrechter in de kern verzocht het college op te dragen vóór 16 december 2025 de ontbrekende stukken openbaar te maken. [eiser] geeft aan dat hij hiertoe verzoekt, omdat hij op uiterlijk die datum wellicht een andere voorlopige voorziening moet indienen in een andere procedure en hij anders niet zijn rechtspositie daarin kan waarborgen. Zonder de stukken wordt zijn recht op effectieve rechtsbescherming onmogelijk gemaakt.
2.2.
Naar het oordeel van voorzieningenrechter heeft [eiser] geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Daartoe is het volgende van belang.
2.3.
Een verzoek om voorlopige voorziening waarin wordt gevraagd om openbaarmaking van documenten komt niet snel voor toewijzing in aanmerking, omdat een dergelijke voorziening een onomkeerbaar karakter heeft. Als documenten eenmaal openbaar zijn, zijn zij openbaar. Ook maakt een dergelijke voorziening een beslissing in het bodemgeding zinloos. Daarom is voor toewijzing van een dergelijk verzoek in beginsel alleen plaats als ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit én er een zeer zwaarwegend spoedeisend belang is dat het treffen van een dergelijke voorziening noodzakelijk maakt.
2.4.
In wat [eiser] naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van een dergelijk zwaarwegend spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De enkele stelling dat [eiser] de documenten mogelijk wil gebruiken in een andere voorlopige voorziening-procedure is onvoldoende om daartoe te concluderen. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter vooralsnog geen reden ernstig te twijfelen aan de rechtmatigheid van de beslissing op het Woo-verzoek van 4 november 2025.
2.5.
Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

3.Conclusie en gevolgen

3.1.
Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.