ECLI:NL:RBOVE:2025:7357

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
11865358 \ CV EXPL 25-1551
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:18 BWArt. 7A:1777 BWArt. 7:175 BWArt. 6:24 BWArt. 6:271 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering afgifte babykamerzaken na beëindiging affectieve relatie

Partijen hadden een affectieve relatie die is beëindigd en hebben een minderjarige dochter. Eiser had babykamerzaken besteld en deze aan gedaagde ter beschikking gesteld. Gedaagde bood enkele zaken te koop aan op Marktplaats. Eiser vorderde afgifte van alle zaken of een schadevergoeding.

De kantonrechter oordeelde dat eiser de zaken niet als bruikleen had verstrekt, maar dat sprake was van schenking. Eiser had onvoldoende gesteld dat de schenking onder een ontbindende voorwaarde was gedaan, waardoor het eigendomsrecht aan hem zou terugkeren. De verkoop door gedaagde was wel onwenselijk, maar gaf geen grondslag voor toewijzing.

De kosten van de procedure werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis werd gewezen door kantonrechter E. Horsthuis en op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vorderingen van eiser tot afgifte van babykamerzaken worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11865358 \ CV EXPL 25-1551
Vonnis van 9 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R. Westendorp-Hertgers,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G.A.P. Avontuur.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenvonnis van 27 augustus 2025
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
- de akte uitlating van [eiser]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen, die een affectieve relatie hebben gehad die inmiddels is beëindigd, hebben een dochter; [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023.
2.2.
[eiser] heeft, blijkens orderbevestigingen d.d. 25 maart 2024 die door hem zijn overgelegd als productie 1, voor een bedrag van (€ 4.617,01 + € 818,97 =) € 5.435,98 zaken besteld bij [bedrijf] .
2.3.
Op 1 oktober 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] gemaild (productie 2):
(...)
Ik heb verder nog alle benodigdheden voor [minderjarige] hier thuis zoals bed, kastjes, slaapspullen, veel speelgoed, eigenlijk alles wat bij [bedrijf] te koop is. Laat even weten of je dit ergens bezorgd wil hebben zodat bijvoorbeeld een logeer adresje voor [minderjarige] goed is ingericht.
(...)
[gedaagde] heeft daarop bij mail van 11 oktober 2024 geantwoord:
(...)
In jouw andere mail vroeg je waar jouw spullen van [minderjarige] bezorgd konden worden. Dat mag naar mijn prive adres.
(...)
2.4.
Op 21 oktober 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] gemaild:
(...)
@ [gedaagde] : de spullen van [minderjarige] bij mij thuis geef ik aan een ander gezin. (...)
2.5.
[eiser] heeft de zaken op de stoep voor het huis van [gedaagde] ouders neergezet.
2.6.
[gedaagde] heeft verschillende van de door [eiser] aangeschafte zaken op Marktplaats te koop aangeboden.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot afgifte van alle zaken van de babykamer van [minderjarige] , dan wel, als zij daar niet toe in staat is, tot betaling van een bedrag van € 10.000,00.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Volgens [eiser] heeft hij de voor (de verzorging van) [minderjarige] bestemde zaken ter beschikking gesteld aan [gedaagde] om te gebruiken voor [minderjarige] , niet om deze te verkopen op Marktplaats. [gedaagde] heeft daarop aangevoerd dat zij op de vraag van [eiser] of zij nog spullen van [minderjarige] kon gebruiken bevestigend heeft geantwoord, waarna [eiser] allerlei zaken op de stoep voor het huis van haar ouders heeft achtergelaten. De zaken die zij “dubbel” had, heeft zij verkocht, andere zaken heeft zij nog in gebruik, aldus [gedaagde] .
4.2.
Volgens [eiser] is sprake van bruikleen, volgens [gedaagde] heeft [eiser] afstand gedaan van de eigendom van de zaken (als bedoeld in artikel 5:18 BW Pro). Uit de stellingen van partijen maakt de kantonrechter, met ambtshalve aanvulling van de grondslag, op dat [gedaagde] (ook) meent dat de zaken aan haar zijn geschonken en dat volgens [eiser] alsdan sprake is van een voorwaardelijke schenking.
4.3.
In het feit dat [eiser] de zaken op de stoep voor het huis van [gedaagde] ouders heeft achtergelaten, ziet de kantonrechter, anders dan [gedaagde] betoogt, geen aanleiding om aan te nemen dat [eiser] daarbij het oogmerk had het bezit (en daarmee de eigendom) van die zaken prijs te geven (een eenzijdige ongerichte rechtshandeling). Prijsgeving veronderstelt immers dat het de eigenaar onverschillig is wat er in het vervolg met de zaak gebeurt en door wie, terwijl [eiser] bij [gedaagde] had gemeld de zaken bij haar te willen bezorgen “zodat bijvoorbeeld een logeeradres voor [minderjarige] goed is ingericht” en hij deze vervolgens voor het huis van haar ouders heeft achtergelaten.
4.4.
Vervolgens is het de vraag of of er sprake is van een overeenkomst van bruikleen (volgens [eiser] ) of van schenking (volgens [gedaagde] ). Essentieel bij bruikleen (artikel 7A:1777 BW) is dat de bruikleengever eigenaar blijft en de zaak wordt teruggegeven. Bij schenking (artikel 7:175 BW Pro) gaat de eigendom over.
De kantonrechter is, met toepassing van de Haviltex-maatstaf [1] , van oordeel dat [gedaagde] er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat [eiser] de zaken aan haar schonk. Hij heeft het immers in zijn hiervoor onder 2.3 vermelde mail niet over teruggeven, mailt [gedaagde] op
21 oktober 2024 (zie hiervoor onder 2.4) dat hij de zaken wil (weg)geven en heeft vervolgens, zonder verdere toelichting/nader bericht, de zaken bij [gedaagde] ouders achtergelaten.
4.5.
De volgende vraag is of dit eigendomsrecht is onderworpen aan een (ontbindende) voorwaarde, inhoudende dat als [gedaagde] de geschonken zaken niet zelf kon gebruiken, zij deze diende te retourneren. Indien op basis van een onder ontbindende voorwaarde aangegane verbintenis is geleverd, keert het recht van rechtswege terug naar de vervreemder. Indien dit niet meer mogelijk is, omdat de verkrijger het goed heeft vervreemd en diens verkrijger een beroep op derdenbescherming kan doen, ontstaat na het vervullen van de desbetreffende voorwaarde een ongedaanmakingsverbintenis voor de schuldeiser (vgl. art. 6:24 BW Pro en art. 6:271 BW Pro). In dat geval zal de aard van de prestatie uitsluiten dat zij ongedaan wordt gemaakt, waardoor daarvoor in de plaats treedt een vergoeding ten belope van haar waarde op het tijdstip van de ontvangst (vgl. art. 6:272 BW Pro). Stelplicht en bewijslast van deze ontbindende voorwaarde rusten (ex artikel 150 Rv Pro) op [eiser] ; hij is immers degene die stelt dat sprake is van een onder ontbindende voorwaarde aangegane verbintenis en dat deze voorwaarde is vervuld (waardoor het eigendomsrecht naar hem is teruggekeerd).
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] in dit kader onvoldoende gesteld. Hij heeft geen melding gemaakt van een aan het achterlaten van de zaken verbonden voorwaarde. Dat [gedaagde] er (desalniettemin) vanuit moest gaan dat sprake was van een voorwaardelijke schenking, valt niet in te zien, te meer nu zij onbetwist heeft aangevoerd dat [eiser] destijds te kennen gaf dat hij niets meer te maken wilde hebben met [minderjarige] (en voornemens was haar spullen weg te geven aan een andere familie).
4.6.
Dat [gedaagde] [eiser] niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat zij diverse van de door hem aan haar geschonken zaken heeft verkocht op Marktplaats verdient (zeker) niet de schoonheidsprijs, maar vormt geen grondslag voor toewijzing van het gevorderde.
4.7.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.