ECLI:NL:RBOVE:2025:7393

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
ak_25_664
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan [bedrijf] B.V. op grond van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid

In deze uitspraak van de Rechtbank Overijssel, gedateerd 17 december 2025, wordt het beroep van [bedrijf] B.V. tegen de afwijzing van hun subsidieaanvraag door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap behandeld. [bedrijf] had een aanvraag ingediend voor een subsidie van € 283.248,- voor de culturele basisinfrastructuur 2025-2028, specifiek gericht op het thema 'Digitale transformatie'. De aanvraag werd afgewezen op 17 september 2024, waarna [bedrijf] bezwaar maakte. De minister handhaafde de afwijzing in een besluit van 19 december 2024, waarop [bedrijf] beroep instelde.

De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen, onder verwijzing naar het advies van de Raad voor Cultuur. Dit advies stelde dat de aanvraag niet voldeed aan de eisen van de Regeling, onder andere vanwege het ontbreken van een onderbouwd meerjarenplan en relevante informatie. De rechtbank concludeert dat de minister de afwijzing niet in strijd met de wet of beginselen van behoorlijk bestuur heeft gedaan. Het beroep van [bedrijf] wordt ongegrond verklaard, wat betekent dat de afwijzing van de subsidieaanvraag in stand blijft. [bedrijf] krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/664

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[bedrijf] B.V.

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

(gemachtigden: mr. A.K. van den Berg, mr. A. van Rij en mr. M. Lageweg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de subsidieaanvraag van [bedrijf] op grond van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. [bedrijf] is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de subsidieaanvraag heeft mogen afwijzen. [bedrijf] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [bedrijf] heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie voor de culturele basisinfrastructuur 2025-2028 op grond van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid (hierna: de Regeling) en meer specifiek op het thema ‘Digitale transformatie’. [bedrijf] beoogt een digitaal platform tot stand te brengen dat scheppende en uitvoerende kunstenaars, publiek, producten en podia met elkaar verbindt door middel van het in eigendom nemen, beheren en uitbaten van de data die zij produceren bij het beheer van culturele producties. [bedrijf] heeft de minister verzocht haar een subsidie toe te kennen van € 283.248,-.
2.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 september 2024 afgewezen.
2.2.
[bedrijf] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. [bedrijf] heeft ook bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 september 2024 van de minister waarbij subsidie is verleend aan [stichting] .
2.3.
Met het bestreden besluit van 19 december 2024 op het bezwaar van [bedrijf] is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft het bezwaar van [bedrijf] ongegrond verklaard voor zover dit ziet op de afwijzing van de aanvraag van [bedrijf] en niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit ziet op de toekenning van de subsidie aan [stichting] .
2.4.
[bedrijf] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens [bedrijf] en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag van [bedrijf] afgewezen, onder verwijzing naar het advies van de Raad voor Cultuur. De Raad voor Cultuur heeft in haar advies gesteld dat de aanvraag van [bedrijf] niet voldoet aan de eisen die zijn gesteld in de Regeling, omdat de voorgeschreven formats niet zijn gebruikt, de gegevens op een onjuiste manier zijn aangeleverd, er geen onderbouwd meerjarenplan is, de visie, missie en het profiel niet helder zijn verwoord en er geen financiële analyse kan worden gemaakt wegens een gebrek aan geleverde informatie. Ook de relevantie voor de doelgroep en de wendbaarheid kunnen niet worden beoordeeld, omdat informatie hierover ontbreekt. De Raad voor Cultuur heeft daarom geadviseerd om geen subsidie toe te kennen aan [bedrijf] .
Omvang van het geding
4. [bedrijf] heeft de rechtbank verzocht om het bestreden besluit te laten herroepen of ongeldig te verklaren. [bedrijf] heeft de rechtbank ook verzocht te overwegen om de tenderprocedure te heropenen en om de minister op te dragen om, gelet op het grote belang dat [bedrijf] dient, buitenwettelijk een subsidiegrondslag te zoeken.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat [bedrijf] ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat het geschil enkel ziet op de afwijzing van haar eigen subsidieaanvraag. Dit betekent dat de rechtbank in deze uitspraak enkel beoordeelt of de minister met het bestreden besluit de subsidieaanvraag van [bedrijf] heeft mogen afwijzen. Daarbij benadrukt de rechtbank dat zij de minister niet kan opdragen om – zo mogelijk buitenwettelijk – een subsidiegrondslag te vinden voor het project van [bedrijf] .
Toetsingskader
5. De rechtbank stelt vast dat [bedrijf] een aanvraag om subsidie heeft gedaan op grond van artikel 3.51 van de Regeling. De toekenning en weigering van een subsidieaanvraag op grond van de Regeling betreft een discretionaire bevoegdheid van de minister. De algemene bepalingen voor het indienen van een subsidieaanvraag zijn opgenomen in de Regeling. [1] Ook de beoordelingscriteria voor de subsidieverlening zijn opgenomen in de Regeling. [2] De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Afwijzing van de subsidieaanvraag
6. [bedrijf] voert aan dat de minister haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Volgens [bedrijf] is de afwijzing in strijd met de wet: zij wijst op de vergewisplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel uit de Algemene wet bestuursrecht. [bedrijf] stelt dat het advies van de Raad voor Cultuur ondeugdelijk is en de minister de afwijzing hier niet op mocht baseren. Er zijn immers geen onderliggende stukken waaruit blijkt dat haar project daadwerkelijk is beoordeeld door de Raad voor Cultuur. Het is niet zorgvuldig dat sprake is van een patroon van ontwijking van inhoudelijke beoordeling van haar subsidieaanvragen. Ook is niet zorgvuldig dat het door de minister voorgeschreven format nieuwe subsidieaanvragers benadeelt. Verder wordt [bedrijf] onevenredig hard getroffen door de afwijzing van de subsidieaanvraag, terwijl zij zo’n groot belang voor de sector behartigt. Tot slot stelt [bedrijf] dat haar aanvraag onterecht ongelijk is behandeld ten opzichte van de aanvraag van [stichting] .
6.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als een bestuursorgaan zich bij zijn besluitvorming laat adviseren door een deskundige, het algemeen uitgangspunt is dat het bestuursorgaan op dat advies mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [3]
6.2.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister het advies van de Raad voor Cultuur aan de afwijzing ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de aanvraag van [bedrijf] niet daadwerkelijk door de Raad voor Cultuur zou zijn beoordeeld. In het advies is namelijk niet alleen vermeld dat de aanvraag niet voldoet aan de formele vereisten uit de Regeling en dat de aanvraag op een aantal criteria niet beoordeeld kan worden in verband met ontbrekende informatie, maar ook dat de missie, visie en het profiel van [bedrijf] niet helder zijn verwoord. De rechtbank maakt daaruit op dat de Raad voor Cultuur de aanvraag van [bedrijf] ook inhoudelijk heeft beoordeeld. Daarnaast is van belang dat [bedrijf] ter zitting heeft erkend dat haar project feitelijk niet (goed) past binnen de Regeling en meer specifiek binnen de kaders van artikel 3.51 van de Regeling. In zoverre komt dat overeen met de conclusies van de Raad voor Cultuur.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de afwijzing van de subsidieaanvraag niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat [bedrijf] drie keer eerder een (vrije) aanvraag heeft ingediend om subsidie en dat de minister deze aanvragen heeft afgewezen, ligt op dit moment niet ter beoordeling voor aan de rechtbank. Bovendien is inmiddels sprake van een andere situatie, nu [bedrijf] met de onderhavige aanvraag specifiek een aanvraag heeft ingediend op grond van artikel 3.51 van de Regeling en de minister deze aanvraag daarom aan de hand van deze criteria heeft moeten beoordelen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het door de minister voorgeschreven format onzorgvuldig zou zijn.
6.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat de afwijzing niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De minister beoogt met artikel 3.51 van de Regeling subsidie te verstrekken aan één instelling met als kernactiviteit het ontwikkelen en verspreiden van kennis en het bevorderen van deskundigheid op het gebied van digitale transformatie in de culturele en creatieve sector. Dat hierdoor niet alle instellingen die iets voor de sector betekenen subsidie kunnen verkrijgen, is inherent aan het doel van de Regeling. De rechtbank ziet niet dat [bedrijf] onevenredig is benadeeld door de afwijzing in verhouding tot het beoogde doel. [bedrijf] heeft dit ook niet nader geconcretiseerd.
6.5.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat het bestreden besluit ook niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. [bedrijf] heeft niet onderbouwd dat sprake is van gelijke gevallen met [stichting] . De enkele omstandigheid dat de minister wel subsidie heeft toegekend aan [stichting] , is onvoldoende voor het oordeel dat sprake zou zijn van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
6.6.
De rechtbank concludeert dat de minister de subsidieaanvraag van [bedrijf] heeft kunnen afwijzen, omdat het besluit niet in strijd is met de wet of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De beroepsgronden van [bedrijf] slagen niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de subsidieaanvraag in stand blijft. [bedrijf] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4
Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 3:9
Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Artikel 3.51
De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het ontwikkelen en verspreiden van kennis en het bevorderen van deskundigheid op het gebied van digitale transformatie in de culturele en creatieve sector, indien:
a.de activiteiten van de instelling:
1°.gericht zijn op het vervullen van een landelijke kennis- en deskundigheidsfunctie voor digitale transformatie in de culturele en creatieve sector, waaronder voor het gebruik van digitale technologie en datagedreven werken;
2°.als doel hebben om de maatschappelijke impact van cultuur te vergroten; en
3°.gericht zijn op het bevorderen van samenwerking tussen culturele instellingen en sectoren.
b.de instelling zijn activiteiten afstemt met relevante partijen.

Voetnoten

1.Artikelen 2.2 tot en met 2.6 van de Regeling.
2.Artikelen 3.9, 3.10 en 3.51 van de Regeling.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:727.