ECLI:NL:RBOVE:2025:7406

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
C/08/338945 / KG ZA 25-235
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 238 RvArt. 239 RvArt. 240 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over proceskostenveroordeling in kort geding tegen gemeente om Didam-arrest naleving

In deze kort gedingprocedure vorderden eiseressen, twee besloten vennootschappen, een volledige proceskostenvergoeding van de gemeente vanwege een vermeend onrechtmatige handelwijze bij de voorgenomen verkoop van een kavel, in strijd met het Didam-arrest. De procedure was aangehouden om partijen gelegenheid te geven tot schikking, maar het geschil over de proceskosten bleef aanhangig.

De voorzieningenrechter oordeelde dat eiseressen ontvankelijk zijn in hun verzoek tot proceskostenvergoeding, ondanks de aanhouding van de procedure. De gemeente stelde dat volledige proceskostenvergoeding alleen mogelijk is bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen, wat niet was vastgesteld en niet snel wordt aangenomen.

De voorzieningenrechter benadrukte de terughoudendheid bij het toekennen van volledige proceskostenveroordelingen en concludeerde dat de gemeente haar verweer nog niet had gegeven, waardoor niet kon worden vastgesteld of dit evident ongegrond was. Ook speelde de beleidsruimte van de gemeente en de complexiteit van het Didam-arrest een rol.

Uiteindelijk werd de gemeente veroordeeld tot betaling van proceskosten op basis van het liquidatietarief, begroot op €1.548,40, en werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De gemeente wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseressen ter hoogte van €1.548,40 op basis van het liquidatietarief.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/338945 / KG ZA 25-235
Vonnis in kort geding van 12 december 2025
in de zaak van

1.de besloten vennootschap [eiseres 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],
2.
de besloten vennootschap [eiseres 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiseres 1] en [eiseres 2],
advocaat: mr. E.W.F. Schotanus,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE OMMEN,
zetelend te Ommen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. J.S. Cosijnse.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, waarbij de Gemeente is opgeroepen om op 28 oktober 2025 in kort geding voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank te verschijnen;
- de brief van mr. Schotanus aan de voorzieningenrechter van 24 oktober 2025 waarbij – op eenstemmig verzoek – om aanhouding van de kort gedingprocedure werd verzocht;
- het bericht van de griffier van deze rechtbank waarin partijen wordt meegedeeld dat de mondelinge behandeling van het kort geding nader is bepaald op 2 februari 2026;
- de brief van mr. Cosijnse van 26 november 2025 waarin hij de voorzieningenrechter meedeelt dat er alleen nog een uitspraak over de proceskostenveroordeling dient te worden gedaan;
- het bericht van de griffier van deze rechtbank waarin partijen wordt meegedeeld dat zij zich uiterlijk op 5 december 2025 kunnen uitlaten omtrent de proceskostenveroordeling;
- de akte uitlating omtrent de proceskosten van de Gemeente d.d. 26 november 2025;
- de akte uitlating omtrent de proceskosten van [eiseres 1] en [eiseres 2] van 5 december 2025.

2.De beoordeling

2.1.
Het gaat in deze zaak alleen nog om een beslissing over de kosten van het geding.
2.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 juni 2016 [1] overwogen dat, indien de eiser het kort geding intrekt, de aanhangigheid daarvan niet komt te vervallen indien de gedaagde tijdig aan de eiser en de voorzieningenrechter mededeelt dat het geding desondanks doorgang dient te vinden, omdat hij een beslissing van de voorzieningenrechter omtrent de proceskosten verlangt. De termijn waarbinnen deze mededeling door de gedaagde dient te worden gedaan, bedraagt veertien dagen na de datum waartegen hij was opgeroepen. Daarna is een dergelijke vordering (ook in een afzonderlijke procedure) niet meer mogelijk.
2.3.
De onderhavige zaak verschilt evenwel van de hiervoor bedoelde uitspraak van de Hoge Raad. In deze procedure is het kort geding immers op verzoek van partijen aangehouden geweest tot 2 februari 2026. De procedure is dan ook niet komen te vervallen maar is aanhangig gebleven terwijl partijen zich konden beraden omtrent een schikking. Partijen hebben zich binnen de aan hen door de voorzieningenrechter gestelde termijn uitgelaten over het verzoek om een proceskostenveroordeling ten gunste van [eiseres 1] en [eiseres 2] uit te spreken. De in het arrest bedoelde termijn van veertien dagen is in dit geval dan ook niet van toepassing. [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn dan ook ontvankelijk in hun verzoek.
2.4.
[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben de voorzieningenrechter verzocht om aan hen een volledige proceskostenvergoeding toe te kennen omdat de Gemeente deze procedure had kunnen en moeten voorkomen. De Gemeente wist of behoorde te weten dat haar handelwijze ten aanzien van de voorgenomen verkoop van een kavel in strijd was met de in het zogenaamde Didam-arrest [2] voorgeschreven rechtsregels. Er is sprake van een nodeloze , dan wel onevenredige en daarmee ontoelaatbare (financiële) belasting van [eiseres 1] en [eiseres 2] die een afwijking van het liquidatietarief rechtvaardigt, aldus [eiseres 1] en [eiseres 2].
2.5.
De Gemeente brengt daar tegenin dat een volledige proceskostenveroordeling slechts mogelijk is indien er sprake is van misbruik van procesrecht of (ander) onrechtmatig handelen van de zijde van de Gemeente. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. Het verweer van de Gemeente in deze procedure was nog niet bekend zodat op voorhand niet vast te stellen is of dit verweer (evident) al dan geen kans van slagen had. De Gemeente verzoekt de proceskosten dan ook te begroten overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief.
2.6.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een limitatieve en exclusieve regeling bieden voor de proceskosten. Een in het ongelijk gestelde partij kan in beginsel alleen worden veroordeeld tot vergoeding van een forfaitair (vooraf vastgesteld) bedrag aan proceskosten. De achtergrond hiervan is dat de vrijheid om te procederen niet in gevaar mag worden gebracht uit vrees voor omvangrijke proceskosten. Op dit uitgangspunt bestaat een uitzondering in het geval van buitengewone omstandigheden, bijvoorbeeld als een partij misbruik heeft gemaakt van procesrecht of onrechtmatig heeft geprocedeerd. In dat geval kan een partij toch worden veroordeeld in de volledige proceskosten.
2.7.
Er is sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen als een partij een vordering of verweer achterwege had moeten laten, gelet op de evidente ongegrondheid en de belangen van de andere partij. Dit kan zo zijn als de vordering of het verweer gebaseerd is op feiten en omstandigheden waarvan een partij weet of hoorde te weten dat deze onjuist zijn en op voorhand moest begrijpen dat de stellingen geen kans van slagen hadden. Daarvan is niet snel sprake. De rechter is terughoudend met dit oordeel, omdat de toegang tot de rechter gewaarborgd moet blijven op grond van artikel 6 EVRM Pro. [3]
2.8.
Uit dit criterium volgt dat de voorzieningenrechter terughoudend moet zijn bij het toekennen van een integrale proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter kan in dit geval niet beoordelen of het verweer van de Gemeente al dan niet evident ongegrond was nu de voorzieningenrechter slechts beschikt over de dagvaarding en de Gemeente haar verweer nog niet kenbaar had gemaakt. Het vorenstaande geldt temeer nu de materie waarop het Didam-arrest ziet niet altijd even eenduidig is. Het betreft immers vaak een beoordeling die sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het specifieke geval. Daarbij hangt de vraag of de handelwijze van de Gemeente in strijd is met de in het arrest gegeven regels mede af van de aan de Gemeente toekomende beleidsruimte bij het opstellen van criteria aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Daarnaast speelt vervolgens vaak de vraag of deze criteria (voldoende) objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Verder is van belang dat gesteld noch gebleken is dat [eiseres 1] en [eiseres 2] voorafgaand aan dagvaarden de Gemeente op ondubbelzinnige wijze op de hoogte hebben gebracht van hun standpunt en dat de Gemeente op die grond zou hebben kunnen weten dat zij tegen beter weten in volhardde in een evident onjuist standpunt.
2.9.
De voorzieningenrechter zal de proceskosten daarom begroten overeenkomstig het gebruikelijke liquidatietarief. Daarbij acht de voorzieningenrechter het redelijk om het salaris van de advocaat te begroten op grond van het liquidietarief behorende bij een (handels) verstekzaak nu de mondelinge behandeling achterwege is gebleven maar er wel een dagvaarding is opgesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiseres 1] en [eiseres 2] worden aldus begroot op:
griffierecht € 714,00
explootkosten € 119,40
salaris advocaat € 715,00
_________
totaal € 1.548,40

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1.
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres 1] en [eiseres 2] begroot op € 1.548,40;
3.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.

Voetnoten

2.HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778.
3.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.