ECLI:NL:RBOVE:2025:7448

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
08.069960.25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een 21-jarige man voor het veroorzaken van een explosie met vuurwerk

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel een 21-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor het veroorzaken van een explosie met een vuurwerkbom. De verdachte heeft samen met een medeverdachte een vuurwerk-brandstof-combinatie bevestigd aan de voordeur van een woning in Almelo en deze tot ontploffing gebracht. Dit leidde tot gevaar voor de bewoners en schade aan de woning. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld en dat er levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner, [slachtoffer], te duchten was. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie gevolgd en de verdachte ook veroordeeld tot het betalen van € 1.600,-- aan immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank heeft de ernst van het delict en de gevolgen voor het slachtoffer zwaar laten meewegen in de strafmaat. De verdachte heeft eerder met politie en justitie in aanraking gestaan, wat ook is meegenomen in de beslissing. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om het jeugdstrafrecht toe te passen, ondanks de jonge leeftijd van de verdachte. De uitspraak is openbaar gedaan en de rechtbank heeft de zaak behandeld in een meervoudige kamer.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.069960.25 (P)
Datum vonnis: 18 december 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in de P.I. [verblijfplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 juni 2025, 16 september 2025, 27 november 2025 en 4 december 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.A. Oosterveen, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de namens [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens [slachtoffer] als benadeelde partij is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, al dan niet samen met (een) ander(en), een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerk-brandstof-combinatie tegen de voordeur van de woning aan de [adres] te bevestigen en aan te steken, waardoor gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] te duchten was.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij of op omstreeks 6 maart 2025 te Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenaamde vuurwerk-brandbom-combinatie, zijnde een Cobra, althans vuurwerk, gekoppeld aan een fles(je) met ontbrandbare vloeistof, bij en/of tegen de voordeur van een woning/pand gelegen aan de [adres] te leggen en/of bevestigen, althans in de dichte nabijheid van/voor die woning te plaatsen en aan te steken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en/of brand is ontstaan,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning/het pand en/of een (voor)deur en/of kozijn(en) en/of ruit(en) en/of pui(en) en/of de vloer en/of het plafond (van de hal) en/of de inventaris en/of (overige) in het pand aanwezige goederen en/of ruimte(s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (onder meer) [slachtoffer] te duchten was.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van het laatste gedachtestreepje dat ziet op het te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] .
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen [1] .
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 november 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , van 6 maart 2025, pagina 33;
3.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , van 6 maart 2025, pagina 41;
4.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] ), met bijlagen, van verbalisant [verbalisant 3] , van 6 maart 2025, pagina’s 80 t/m 97;
5.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , van 24 maart 2025, met bijlagen, pagina’s 167 t/m 186.
Naar het oordeel van de rechtbank was in dit geval levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander naar algemene ervaringsregels voorzienbaar en daarmee ‘te duchten’ als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Verdachte heeft illegaal vuurwerk (Cobra 6), dat met tape aan een fles met ontbrandbare vloeistof was bevestigd, aan de voordeur van een woning bevestigd, boven de deurklink, en aangestoken. Verdachte deed dit rond 2:10 uur in de ochtend, een tijdstip waarop, naar algemeen bekend is, de kans zeer groot is dat iemand op dat moment thuis is. De vuurwerk-brandstof-combinatie is op slothoogte geëxplodeerd en heeft aansluitend een brand veroorzaakt. De voorzijde van de woning was aangetast door de explosie en/of explosieve verbranding. De explosiehaard zag op de omgeving van de toegangsdeur. Daarachter bevond zich de gang waar de brand woedde. De vluchtweg maakte daarvan deel uit.
Door een Cobra 6 in combinatie met een fles met ontbrandbare vloeistof tot ontploffing te brengen, neemt de potentie van het explosief toe, wat het gevaar vergroot. Indien iemand zich op dat moment in de nabijheid van deze explosie had bevonden, wat voorzienbaar was op dit tijdstip en op deze plek, dan had deze persoon zich kunnen verwonden.
Bovendien stond er een aanzienlijke hoeveelheid brandbare materialen vlak bij de explosiehaard. Hierdoor was het voorzienbaar dat de brand zich had kunnen ontwikkelen tot uiteindelijk een oncontroleerbare brand. Een oncontroleerbare brand in een woning, waarin zich op dat moment iemand bevindt, op de vluchtroute, is levensgevaarlijk. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat explosies en brandstichting gepaard gaan met rook en dat brand en rook zich snel verspreiden. Rookontwikkeling en blootstelling daaraan brengt, naar de algemene ervaringsregel leert, een gevaar voor de gezondheid met zich mee, met mogelijk fatale gevolgen.
Het voorzienbare gevaar, zoals hiervoor benoemd, was ook daadwerkelijk aanwezig. Toen [slachtoffer] wakker werd van het geluid van de rookmelders in zijn woning, is hij naar de overloop gelopen waar hij een rooklucht rook en rook in het trappengat zag. Toen [slachtoffer] naar beneden liep zag hij dat de keuken vol rook stond. Hij zag in de gang richting de uitgang dat het slot van zijn voordeur gloeide. Die gang, grenzend aan de deur waar de explosie was geweest, vormde de vluchtweg voor [slachtoffer] . Hij kon hier niet door, omdat er brand woedde. Uiteindelijk kon [slachtoffer] uit de woning worden bevrijd door de politie die dankzij een snelle melding binnen enkele minuten ter plaatse was gekomen. De politie moest daarvoor de brand blussen en de deur open trappen. Bij de voordeur en in de gang hing op dat moment een dichte rookwolk. Pas toen de rook wegtrok kon [slachtoffer] naar buiten komen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 maart 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie,
zijnde een Cobra, gekoppeld aan een fles met ontbrandbare vloeistof, tegen de voordeur van een woning gelegen aan de [adres] te bevestigen en aan te steken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en brand is ontstaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning en een (voor)deur en kozijn(en) en ruit(en) en pui(en) en de vloer en het plafond (van de hal) en de inventaris en (overige) in het pand aanwezige
goederen en ruimte(s) te duchten was en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [slachtoffer] te duchten was.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen en bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ook is artikel 63 Sr van toepassing. Een straf gelijk aan het voorarrest dan wel bovenop de
reeds in voorarrest doorgebrachte hechtenis, nog een aanvullende voorwaardelijke straf, waardoor de voorlopige hechtenis zo snel mogelijk beëindigd kan worden is een passende straf. Desnoods zou nog een aanvullende taakstraf kunnen worden opgelegd als de rechtbank dat qua strafmaat nodig of passend zou vinden.
6.3
Het toe te passen recht
De rechtbank stelt voorop dat, indien een verdachte ten tijde van het begaan van een strafbaar feit 18 jaar of ouder was, het uitgangspunt is dat deze verdachte middels het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Er bestaat een uitzondering op dit uitgangspunt. De rechtbank kan overgaan tot toepassing van het jeugdstrafrecht indien een verdachte ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaar maar nog niet die van 23 jaar heeft bereikt, indien de persoonlijkheid van de dader daartoe aanleiding geeft of indien de omstandigheden waaronder het strafbare feit is begaan daartoe aanleiding geven.
Verdachte was ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit ouder dan 18 jaar, maar jonger dan 23 jaar.
De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies van 21 november 2025 van reclasseringswerker [reclasseringswerker] , waarin wordt geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen. Door de reclassering wordt gezinsgerichte hulpverlening niet noodzakelijk geacht. Er is geen sprake van interventies of maatregelen die uitsluitend binnen het jeugdstrafrecht kunnen worden toegepast. Dit advies acht de rechtbank inzichtelijk, logisch en concludent. De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van verdachte, zoals gebleken ter terechtzitting, en evenmin in de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde feit is begaan, redenen om van dit advies af te wijken en het jeugdstrafrecht toe te passen. Naar het oordeel van de rechtbank is van noodzaak tot toepassing van het jeugdstrafrecht door middel van het inzetten van pedagogische interventies gericht op een positieve gedragsbeïnvloeding van een jeugdige niet gebleken. De rechtbank zal verdachte daarom middels het volwassenenstrafrecht berechten.
6.4
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte is in de nacht van 6 maart 2025 samen met de medeverdachte van [plaats] naar de [adres] in Almelo gereden om een vuurwerkbom aan de voordeur van een woning te bevestigen, tot ontploffing te brengen, dit te filmen en daarna weer weg te rijden, dit alles in een razend tempo en met verstrekkende gevolgen. In de betreffende woning lag op dat moment de bewoner [slachtoffer] te slapen, die werd opgeschrikt door een doffe dreun en vervolgens zijn rookmelders hoorde afgaan en zijn huis vol rook zag staan. [slachtoffer] kon zelf niet uit zijn woning komen. De politie, gealarmeerd door een omstander die direct 112 heeft gebeld, was binnen enkele minuten ter plaatse en kon [slachtoffer] uit zijn woning bevrijden. De woning van [slachtoffer] is een rijwoning, aan de linker- en rechterzijde omsloten door buurpercelen en gelegen in de nabijheid andere woningen, winkels en horeca. Uit het politieonderzoek zijn aanwijzingen naar voren gekomen dat het gebruikte explosief bedoeld was voor een andere woning in dezelfde straat en dat [slachtoffer] dus het slachtoffer is geworden van een vergissing. De [adres] is kort na deze explosie opgeschrikt door een tweede explosie. [slachtoffer] heeft in zijn slachtofferverklaring treffend omschreven welke gevolgen de ontploffing en daaropvolgende brand voor hem hebben gehad en nog steeds hebben. Ter zitting toonde [slachtoffer] zich nog steeds emotioneel over wat hem is overkomen. Explosies als deze zijn niet alleen bedreigend en beangstigend voor de slachtoffers, maar ook voor de omwonenden. Ze [plaats] ook tot onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.
Bij haar beslissing heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:
- het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 26 november 2025;
- het voornoemde reclasseringsadvies van 21 november 2025.
De reclassering beschrijft de indruk te hebben gekregen dat verdachte niet volledig openheid van zaken heeft gegeven, waardoor het beeld van hem beperkt is gebleven. Impulsiviteit lijkt geen dominante factor in zijn handelen. De reclassering signaleert risicofactoren op het gebied van financiën, verkeerde keuzes maken, mogelijke onderliggende psychische problemen en een gebrek aan toekomstgericht denken. Gezien de ernst van het delict in combinatie met eerdere strafbare feiten en verdenkingen op reeds jonge leeftijd, acht de reclassering een behandeling bij een forensische polikliniek geïndiceerd. Vanwege de jonge leeftijd van verdachte en zijn neiging om ondoordachte keuzes te maken, houdt de reclassering rekening met de mogelijkheid van herhaling. De reclassering schat het risico op recidive en letsel in als gemiddeld. Het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen.
Uit het uittreksel justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij vaker met politie en justitie in aanraking is gekomen voor verschillende soorten misdrijven en overtredingen. Artikel 63 Sr is van toepassing, gelet op het vonnis van de rechtbank Den Haag van
7 oktober 2025.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank weegt de (proces)houding van verdachte in strafverzwarende zin mee. In eerste instantie heeft verdachte betrokkenheid bij het feit ontkend en bij de politie een verklaring afgelegd die hij en de medeverdachte op elkaar hadden afgestemd. Ondanks een verbod om met elkaar te communiceren hebben verdachte en de medeverdachte na hun aanhouding in het arrestantencomplex informatie met elkaar uitgewisseld over de bij de politie af te leggen verklaring. Verdachte is daar later op teruggekomen en heeft een bekennende verklaring afgelegd. Daarbij heeft hij alleen over zijn eigen rol willen verklaren. Verdachte heeft met zijn handelen het onderzoek bemoeilijkt en [slachtoffer] en andere betrokkenen met onbeantwoorde vragen laten zitten.
De rechtbank weegt ook het gemak waarmee verdachte dit zeer ernstige feit ogenschijnlijk heeft begaan, enkel en alleen om er zelf financieel beter van te worden, in zijn nadeel mee. De reactie hierop moet niet alleen verdachte voldoende afschrikken (speciale preventie), maar ook anderen die, al dan niet in ruil voor geld en/of op verzoek van (een) derde(n), overwegen om soortgelijke strafbare feiten te plegen (generale preventie). De rechtbank ziet in dit alles aanleiding om met betrekking tot de hoogte van de gevangenisstraf af te wijken van de vordering van de officier van justitie.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Verdachte heeft de rechtbank niet kunnen overtuigen van zijn motivatie om hieraan mee te werken. Eventuele voorwaarden kunnen aan de orde komen in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De schade van de benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een bedrag van
€ 1.600,--, ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een schadevergoeding kan worden toegekend en een bedrag van € 750,-- billijk is.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade (smartengeld) is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als hij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. In dit geval brengen naar het oordeel van de rechtbank de aard en de ernst van de normschending mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het gevorderde bedrag van € 1.600,-- komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank zal de vordering van € 1.600,-- toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 6 maart 2025.
De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 26 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van
€ 1.600,-- (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.600,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2025) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.600,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 26 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. H.H. de Boef, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
Buiten staat
Mr. H.H. de Boef is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnummer ON2R025014/ WASBEER25. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.