Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
parketnummer 08.064719.23komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 5 maart 2023 in [woonplaats] als bestuurder van een personenauto:
parketnummer 08.293164.20komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 februari 2020 in [woonplaats] een geldbedrag heeft gestolen uit de woning van [slachtoffer 4] (hierna ook: [slachtoffer 4] ).
parketnummer 08.335338.21komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 juni 2021 in [woonplaats] [slachtoffer 5] (hierna ook: [slachtoffer 5] ) heeft mishandeld.
3.De bewijsmotivering
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De op te leggen straf of maatregel
7.De schade van benadeelden
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) jaren;
ontzegtde verdachte de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigenvoor de duur van
3 (drie) jaren;
toetot een bedrag van
€ 3.011,60, bestaande uit materiële schade;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.011,60, (zegge: drieduizend elf euro en zestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat
gijzelingvoor de duur van
40 dagenkan worden toegepast.
wijstde vordering van de benadeelde partij
toetot een bedrag van
€ 700,00, bestaande uit
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 700.00, (zegge: zevenhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat
gijzelingvoor de duur van
14 dagenkan worden toegepast.
wijstde vordering tot immateriële schadevergoeding af;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 625,00, (zegge: zeshonderdvijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2021 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
12 dagenkan worden toegepast.