ECLI:NL:RBOVE:2025:7509

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
ak_25_3409
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening jeugdhulp voor jeugdige in het reguliere basisonderwijs

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel op 15 december 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van jeugdhulp voor een jeugdige. Het verzoeker, vertegenwoordigd door zijn ouders en gemachtigde, betreft een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Losser, waarin verzoeker in aanmerking werd gebracht voor zeven uur per week individuele ondersteuning. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening, omdat hij naar het reguliere basisonderwijs wil overstappen en daarvoor begeleiding nodig heeft.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de totale hulp die nodig is voor verzoeker. Hij benadrukt dat het belang van het kind voorop staat en dat er snel hulp moet worden geboden. De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening toegewezen, waarbij het college met onmiddellijke ingang een voorziening op het gebied van jeugdhulp moet treffen voor verzoeker, voor ondersteuning van 15 uur per week. Dit geldt totdat er een besluit op bezwaar is genomen, dat naar verwachting niet in stand zal blijven.

De voorzieningenrechter heeft ook bepaald dat het college de proceskosten van verzoeker moet vergoeden, evenals het griffierecht. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3409
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker of [verzoeker],

wettelijk vertegenwoordigd door [naam 1] (vader) en [naam 2] (moeder)
gemachtigde: mr. K. van der Hoeven,
en

het college van burgemeester en wethouders van Losser (het college)

gemachtigde: [gemachtigde].

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening. Het verzoek betreft het besluit van 28 oktober 2025, waarbij het college verzoeker in aanmerking heeft gebracht voor zeven uur per week individuele ondersteuning. Tegen dit besluit heeft verzoeker ook bezwaar gemaakt.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de ouders van verzoeker, zijn gemachtigde en daarnaast kantoorgenoot van zijn gemachtigde, mr M. Ichoh. Voor het college zijn verschenen diens gemachtigde en [naam 3] (jeugdconsulent).
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft een voorlopige voorziening.
De voorlopige voorziening houdt in dat het college met onmiddellijke ingang, dat wil zeggen zodra er plek voor hem op de [school 2] (regulier basisonderwijs) is, een voorziening op het gebied van jeugdhulp treft voor [verzoeker] voor ondersteuning individueel voor 15 uur per week. Mocht meer nodig zijn dan is er een nieuwe beslissing nodig.
2.2
De voorlopige voorziening geldt tot zes weken nadat het besluit op bezwaar is genomen.
Motivering3.1 Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
3.2
[verzoeker] gaat nu naar het speciaal onderwijs op het [school 1]. Hij heeft drie dagen proefgedraaid in het reguliere basisonderwijs, op de [school 2]. Hij wil nu graag naar het regulier onderwijs. Daarvoor is echter begeleiding nodig volgens zowel het [school 1] als de [school 2]. Het college vindt dat ook en heeft het aantal uren begeleiding bepaald op 7. Volgens de [school 2] en het [school 1] is dat echter niet voldoende voor begeleiding van [verzoeker]. [verzoeker] heeft daarom bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. Het college stelt dat er geen spoedeisend belang is om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat in beginsel een spoedeisend belang bestaat als een kind met problemen als bedoeld in de Jeugdwet vraagt om een voorlopige voorziening. Dat is omdat het altijd in het belang van het kind is een spoedige beslissing te verkrijgen, ook een voorlopige. De basis daarvoor is het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). In dit geval speelt dit des te meer omdat uit het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap volgt dat mensen met een beperking gelijke rechten hebben en volledig moeten kunnen deelnemen aan de samenleving.
Het college stelt vervolgens dat [verzoeker] niet spoedig zou kunnen worden geplaatst op de [school 2] als hij nu zou worden ingeschreven, maar uit de stukken blijkt dat niet. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [verzoeker], indien ingeschreven, wel geplaatst kan worden.
Bovendien is er in dit geval sprake van spoedeisendheid omdat [verzoeker] inmiddels thuis zit en niet naar zijn huidige school voor speciaal onderwijs, het [school 1], wil. Wachten op een besluit op bezwaar zou tot gevolg kunnen hebben dat hij tot dat moment geen enkel onderwijs heeft en ondertussen verder afglijdt.
Het risico dat [verzoeker] in de toekomst niet op de [school 2] kan blijven waardoor hij in korte tijd voor een derde keer naar een andere school zou moeten, is volgens de ouders gering. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt en overweegt daarbij dat, zelfs als dit wel het geval zou zijn, [verzoeker] dan in de tussenliggende periode in ieder geval onderwijs heeft genoten.
Beoordeling van het bestreden besluit.
3.3
Ten aanzien van het stappenplan:
a. Over de hulpvraag en de problemen die [verzoeker] heeft zijn partijen het grotendeels eens. De vraag richt zich met name op de totale hulp die naar aard en omvang nodig is voor [verzoeker] en op de vraag in hoeverre de hulp valt onder de Jeugdwet.
b.
Wat betreft de totale hulp die nodig is heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen goed onderzoek verricht.
Het ondersteuningsplan richt zich vooral op wat ouders wensen en wat het [school 1] zegt over de ondersteuning die voor [verzoeker] nodig is. Niet is duidelijk wat de opvatting van het college daarover is in het ondersteuningsplan. Verder heeft, wat betreft de benodigde hulp het college nergens in het ondersteuningsplan een beschrijving gegeven van de aard van de hulp. Weliswaar wordt gesteld dat gebleken is dat [verzoeker] structureel intensieve 1 op 1 begeleiding nodig heeft maar niet is uiteengezet waarop dat is gebaseerd, hoeveel van die hulp nodig is en waar die hulp op is gericht (leerproces of gedrag). Evenmin is een duidelijk doel geformuleerd waarop de hulp gericht moet zijn. In het plan wordt gesteld dat het de wens van ouders is om [verzoeker] naar een school te laten gaan in het reguliere onderwijs maar niet blijkt wat het college van dat doel vindt. Daardoor is onduidelijk waarop de gestelde noodzakelijke hulp is gericht. In het besluit op bezwaar zal het college dit verder kunnen onderbouwen. Dat betekent dat het besluit naar verwachting niet in stand zal blijven. Alleen daarom al is er aanleiding om een voorziening te treffen.
c.
Wat betreft de getroffen voorziening is het college van mening dat 7 uur begeleiding voldoende is omdat de overige hulp gericht is op het onderwijs.
Het college stelt dat de meerdere hulp gericht is op het leerproces en daarom in die hulp moet worden voorzien door de school maar het college onderbouwt niet waarom dat het geval is. Volgens de parlementaire geschiedenis is het echter aan het college om aan te tonen dat een andere wet een voorziening mogelijk maakt en dat daarom een voorziening op het gebied van jeugdhulp niet nodig is. [1]
Los daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het uitgangspunt bij artikel 1.2 Jeugdwet dat, als discussie bestaat over de vraag of een voorziening onder de Jeugdwet valt of onder een andere wet, dit niet in de weg mag staan aan de hulp voor het kind inzetten die nodig is. Het belang van het kind brengt met zich mee dat het zo snel mogelijk geholpen wordt. Het kind mag niet de dupe worden van strijd tussen instellingen over de vraag wie wat moet betalen. Dat moet aan de achterzijde worden uitgevochten.
3.4
Wat betreft het te nemen besluit op bezwaaren
de voorlopige voorziening
In het besluit op bezwaar is het aan het college om gedetailleerd duidelijk te maken welke hulp voor [verzoeker] in zijn totaliteit nodig is en in welke omvang (in minuten) dat is. Vervolgens zal het college per soort hulp moeten aantonen of dit valt onder de Jeugdwet of een andere wet, bijvoorbeeld de Wet passend onderwijs. Daartoe zal overleg met de scholen noodzakelijk zijn en de scholen zijn verplicht op grond van artikel 2.7 Jeugdwet de informatie aan het college te verschaffen die het college daarvoor redelijkerwijs nodig heeft.
Tot zes weken na dat besluit op bezwaar zal de voorlopige voorziening gelden.
4. Wat betreft de proceskosten en het griffierecht: de voorzieningenrechter zal die conform het verzoek toekennen.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het college met onmiddellijke ingang, dat wil zeggen zodra er plek voor hem is, een voorziening op het gebied van jeugdhulp treft voor [verzoeker] voor ondersteuning individueel voor 15 uur per week. Mocht meer nodig zijn dan is er een nieuwe beslissing nodig.
De voorlopige voorziening geldt tot zes weken nadat het besluit op bezwaar is genomen.
6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
7. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het college met onmiddellijke ingang, dat wil zeggen zodra er plek voor hem is, een voorziening treft op het gebied van jeugdhulp voor [verzoeker] voor ondersteuning individueel voor 15 uur per week;
- de voorlopige voorziening geldt tot zes weken nadat het besluit op bezwaar is genomen;
- bepaalt dat het college de proceskosten van € 1.814,- aan verzoeker moet vergoeden:
-bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan verzoeker moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025 door mr. W.M.B. Elferink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Kamerstukken Tweede Kamer 2012-2013, 33684, nr. 4 p.11