ECLI:NL:RBOVE:2025:7533

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
08-203540-25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gewapende overval op tankstation met geweld en bedreiging

Op 22 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 27-jarige man, die zich schuldig heeft gemaakt aan een gewapende overval op een tankstation. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een meldplicht bij de reclassering. Daarnaast kreeg hij een contact- en locatieverbod opgelegd en moet hij schadevergoeding betalen aan het slachtoffer. De overval vond plaats op 4 juli 2025, waarbij de verdachte met een groot keukenmes de medewerkster van het tankstation bedreigde en geld en sigaretten eiste. De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van de bekennende verklaring van de verdachte en de aangifte van het slachtoffer. De rechtbank hield rekening met de psychische problemen van de verdachte, waaronder een posttraumatische stressstoornis en alcoholmisbruik, en concludeerde dat de feiten hem in verminderde mate konden worden toegerekend. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op, waaronder reclasseringstoezicht en behandeling, om recidive te voorkomen. De benadeelde partij, de medewerkster van het tankstation, vorderde schadevergoeding, die gedeeltelijk werd toegewezen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte aansprakelijk was voor de schade die door het feit was toegebracht.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-203540-25 (P)
Datum vonnis: 22 december 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte][verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1998 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in de P.I. [verblijfplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
8 december 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.L.A.N. Weusthof, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat door de benadeelde partij [slachtoffer] is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 8 december 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte een gewapende overval op Tankstation [bedrijf] heeft gepleegd. Dit is onder feit 1 ten laste gelegd als afpersing en onder feit 2 als diefstal met geweld.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 4 juli 2025 te [plaats] met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid contant geld, te weten €305, en 5 pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan aan Tankstation [bedrijf] (aan de [adres 1] ) toebehoorde(n), door
- zich langere tijd in de winkel op te houden zonder iets te kopen en/of
- naar de kassa te lopen met een (groot) keukenmes, of een daarop gelijkend scherp voorwerp, in zijn rechterhand en/of
- ( meermaals) te zeggen: ‘dit is een overval, ik heb een mes en ik wil geld’
en ‘doe rustig en bel later de politie maar’ of woorden van gelijke strekking en/of
- een (groot) keukenmes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer] te tonen en/of
- ( na het aanpakken van het briefgeld) te zeggen: ‘ik wil ook nog een slof Marlboro’;
2
hij op of omstreeks 4 juli 2025 te [plaats] een mars en een of meer flesjes drinken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Tankstation [bedrijf] (aan de [adres 1] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met
het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- zich langere tijd in de winkel op te houden zonder iets te kopen en/of
- naar de kassa te lopen met een (groot) keukenmes, of een daarop gelijkend scherp voorwerp, in zijn rechterhand en/of
- ( meermaals) te zeggen: ‘dit is een overval, ik heb een mes en ik wil geld’ en ‘doe rustig en bel later de politie maar’ of woorden van gelijke strekking en/of
- een (groot) keukenmes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer] te tonen en/of
- ( na aanpakken van het briefgeld) te zeggen: ‘ik wil ook nog een slof Marlboro’
- ( en vervolgens) een mars van de balie en/of een of meer flesjes drinken uit de koeling te pakken.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen [1] .
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 december 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 4 juli 2025, pagina 12-15;
Het proces-verbaal van bevindingen van 4 juli 2025, pagina 17-18;
Het proces-verbaal bevindingen van 4 juli 2025, pagina 24-33.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij op 4 juli 2025 te [plaats] met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid contant geld, te weten € 305, en vijf pakjes sigaretten, die aan Tankstation [bedrijf] (aan de [adres 1] ) toebehoorden, door
- zich langere tijd in de winkel op te houden zonder iets te kopen en
- naar de kassa te lopen met een (groot) keukenmes in zijn rechterhand en
- te zeggen: ‘dit is een overval, ik heb een mes en ik wil geld’ en ‘doe rustig en bel later de politie maar’ en
- een (groot) keukenmes aan die [slachtoffer] te tonen en
- ( na het aanpakken van het briefgeld) te zeggen: ‘ik wil ook nog een slof Marlboro’;
2
hij op 4 juli 2025 te [plaats] een Mars en een flesje drinken, die aan Tankstation [bedrijf] (aan de [adres 1] ), toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te gemakkelijk te maken, door
- zich langere tijd in de winkel op te houden zonder iets te kopen en
- naar de kassa te lopen met een (groot) keukenmes in zijn rechterhand en
- te zeggen: ‘dit is een overval, ik heb een mes en ik wil geld’ en ‘doe rustig en bel later de politie maar’ en
- een (groot) keukenmes aan die [slachtoffer] te tonen en
- ( na aanpakken van het briefgeld) te zeggen: ‘ik wil ook nog een slof Marlboro’
- ( en vervolgens) een Mars van de balie en een flesje drinken uit de koeling te pakken.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De rechtbank is van oordeel dat de onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt, waardoor sprake is van eendaadse samenloop.
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
feit 1
het misdrijf: afpersing;
feit 2
het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie sluit zich aan bij de conclusie van de GZ-psycholoog in het Pro Justitia rapport van 15 oktober 2025 die inhoudt dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, zoals door de reclassering geadviseerd in het rapport van 2 december 2025. Ook heeft de officier van justitie de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en een locatieverbod in de vorm van een maatregel ex artikel 38v Sr gevorderd voor de duur van vijf jaren. Daarbij dient vervangende hechtenis van zeven dagen te worden bevolen voor iedere keer dat niet aan die maatregel wordt voldaan. Het locatieverbod dient te gelden voor de twee vestigingen van Tankstation [bedrijf] in [plaats], gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] , en een straal van vijf kilometer daaromheen. De officier van justitie heeft gevorderd te bevelen dat deze maatregel, de bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend en dat er aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met een voorwaardelijk deel van een door de rechtbank te bepalen duur, opgelegd dient te worden. De verdediging heeft geen bezwaar tegen de oplegging van een contact- en locatieverbod, maar heeft bepleit dat deze verboden in de vorm van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf dienen te worden opgelegd en dat de reikwijdte van het locatieverbod dient te worden beperkt tot een straal van 500 meter. Ten aanzien van de overige op te leggen bijzondere voorwaarden sluit de verdediging zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
6.3.1
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een tankstation. Hij is gewapend met een groot keukenmes het tankstation binnengegaan. Verdachte heeft dit mes aan [slachtoffer] , de shopmedewerkster, getoond en haar gedwongen een geldbedrag en vijf pakjes sigaretten af te geven. Daarna heeft verdachte nog een Mars-reep van de balie meegenomen en een flesje drinken uit de koeling gepakt, om vervolgens de winkel te verlaten. Een dergelijke overval is een ernstig en zeer brutaal feit. [slachtoffer] kende de verdachte als een vaste klant van de shop. Zij heeft verdachte nog op zeer dappere wijze op andere gedachten proberen te brengen en hem de kans geboden de overval te staken. Uit haar toelichting bij het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de overval diep heeft ingegrepen in haar leven. Haar werk als shopmedewerkster – dat zij altijd met veel liefde en plezier heeft uitgevoerd – gaat na de overval gepaard met angst en waakzaamheid. Ook in haar privéleven ondervindt [slachtoffer] de fysieke en mentale gevolgen van de overval. Verdachte was onder invloed van alcohol en heeft zich laten leiden door een zucht naar snel en makkelijk geld, zonder zich daarbij te bekommeren om de impact van zijn handelen op [slachtoffer] . De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
6.3.2
De persoon van verdachte
De Justitiële Documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 22 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict.
Het Pro Justitia rapport
Het Pro Justitia rapport van 15 oktober 2025, opgesteld door N. Märker, GZ-psycholoog, bevat de volgende bevindingen en adviezen.
Er is bij verdachte sprake van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en van een lichte tot matige stoornis in alcoholgebruik. Het lijkt erop dat de PTSS zich heeft ontwikkeld nadat verdachte twee jaren geleden (vermoedelijk) een kortdurende psychotische stoornis heeft gehad, mogelijk veroorzaakt door middelengebruik. Sindsdien ervaart verdachte concentratieproblemen, slaapproblemen, angstklachten, hyperventilatie, schuldgevoelens, schaamte, somberheid en agitatie. Door de vele ingrijpende gebeurtenissen in het leven van verdachte, is er mogelijk sprake geweest van een verhoogde kwetsbaarheid en predispositie. Ook speelt er acculturatieproblematiek in het leven van verdachte. Verdachte werd op twintigjarige leeftijd uit huis gezet door zijn ouders, omdat hij zich in hun ogen te westers gedroeg en niet leefde volgens de richtlijnen van de islam. Verdachte leek zich sneller aan te (kunnen) passen aan de Nederlandse cultuur dan zijn ouders, waarbij het lastig was een balans te vinden tussen de conflicterende normen en waarden vanuit de verschillende culturen.
Ten tijde van de overval was verdachte al enkele maanden gestopt met werken in verband met traumagerelateerde angstklachten. Hij had geen vast inkomen en maakte zich zorgen om de oplopende financiële problematiek. Verdachte probeerde zijn spannings- en angstklachten, vanuit een gebrekkige coping, te onderdrukken door bovenmatig alcohol te gebruiken. Door het bovenmatig alcoholgebruik, slaapdeprivatie en psychische labiliteit ten gevolge van PTTS lijkt er sprake te zijn geweest van verminderde impulscontrole en gebrekkig oordeelsvermogen. Hierdoor handelde verdachte impulsief en ondoordacht, zonder de consequenties en reikwijdte van zijn handelen te kunnen overzien. Dit brengt de psycholoog tot de conclusie dat verdachte dusdanig werd beperkt en beïnvloed in zijn gedragskeuze en wilsvrijheid, dat de feiten hem in verminderde kunnen worden toegerekend.
Het risico op delictgedrag wordt op dit moment zonder behandeling ingeschat als matig-hoog. Het risico op gewelddadig gedrag wordt ingeschat als laag-matig. Naar verwachting zal het recidiverisico laag zijn als verdachte een gespecialiseerd hulpverleningsaanbod krijgt. Verdachte lijkt gemotiveerd te zijn voor behandeling. Tijdens een eerdere vrijwillige opname bij Mediant nam hij niet deel aan programmaonderdelen en meldde zich niet bij het ACC-team, waarnaar hij verwezen was Er was sprake van een enigszins ambivalente houding bij verdachte. In het verleden heeft verdachte echter wel goed meegewerkt aan een reclasseringstoezicht, waaruit blijkt dat hij zich kan conformeren aan regels en afspraken. Het is van belang dat verdachte hulpverlening krijgt die met name is gericht op PTSS, maar daarnaast ook op het alcoholgebruik, de psychosegevoeligheid en de acculturatieproblematiek. Voor een geslaagde behandeling van verdachte is een geschikte woonplek van primair belang. De psycholoog adviseert een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling. Daarnaast geeft de psycholoog in overweging om verdachte in het kader van de bijzondere voorwaarden (tijdelijk) toe te leiden naar een beschermde woonvorm in aansluiting op de detentie.
Het reclasseringsrapport
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 2 december 2025. Hieruit komt naar voren dat zij risico’s signaleren binnen meerdere leefgebieden, waaronder het psychosociaal functioneren, middelengebruik en financiën. De psychische problematiek, in combinatie met de moeite die de verdachte ervaart bij het beheersen van zijn gedachten en het reguleren van zijn (belastende) emoties, wordt door de reclassering als zorgelijk aangemerkt. Tegelijkertijd constateert de reclassering dat de verdachte vertelt zijn leven een positieve wending te willen geven en dat hij openstaat voor behandeling en reclasseringstoezicht. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld en adviseert tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, diagnostiek en/of ambulante behandeling, beschermd wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan controle van het gebruik van alcohol en softdrugs.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is om zich aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te houden.
6.3.3
De overwegingen van de rechtbank
Verminderde toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank kan zich vinden in de op goede gronden getrokken conclusie van de psycholoog over de verminderde toerekeningsvatbaarheid en neemt die over. De rechtbank zal verdachte de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate toerekenen, hetgeen van invloed is op de hoogte van de straf.
Gevangenisstraf
Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor een overval op een benzinestation met licht geweld dan wel bedreiging met geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren als uitgangspunt van denken genoemd. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf ook rekening met het feit dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Tot slot acht de rechtbank het van zwaarwegend belang dat de verdachte hulp krijgt bij zijn problematiek. Gelet op het voorgaande zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd, mede met het doel om recidive zoveel als mogelijk te voorkomen en als stok achter de deur voor verdachte om zich aan de op te leggen bijzondere voorwaarden te (blijven) houden. Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden verbinden, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van een of meer personen. De rechtbank heeft hierbij de aard en de ernst van de overval, waarbij er is gedreigd met geweld jegens [slachtoffer] , in aanmerking genomen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat het risico op delictgedrag matig tot hoog is zonder behandeling, en dat verdachte tot op heden nog geen behandeling heeft gehad.
Maatregel ex artikel 38v Sr
Tot slot acht de rechtbank een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen in de vorm van een contact- en locatieverbod, zoals hierna beschreven. De rechtbank zal de duur van de maatregel gelijk stellen aan de duur van de proeftijd, te weten drie jaren. Indien verdachte het contact- of locatieverbod overtreedt, wordt de maatregel per overtreding telkens vervangen door zeven dagen hechtenis, waarbij de maximale hechtenis zes maanden bedraagt. De rechtbank kiest er in onderhavige zaak niet voor dergelijke verboden op te leggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde, zodat een eventuele overtreding hiervan het door de reclassering samengestelde pakket aan voorwaarden – dat gericht is op recidivebeperking en ook diagnostiek en behandeling bevat – niet doorkruist.
Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele manier (direct of indirect) contact mag opnemen, zoeken, of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1968. De rechtbank zal de reikwijdte van het door de officier van justitie gevorderde locatieverbod beperken, in die zin dat verdachte zich niet binnen een straal van
250 metervan de vestigingen van [bedrijf] Tankstation in [plaats] gelegen aan de [adres 1]) en de [adres 2]) mag bevinden. De rechtbank is van oordeel een locatieverbod inhoudende dat verdachte zich niet binnen een straal van vijf kilometer van de tankstations mag bevinden, zoals door de officier van justitie gevorderd, een té vergaande inbreuk in het leven van de verdachte oplevert. Dit zou immers met zich meebrengen dat verdachte zich niet in het centrum van [plaats] mag bevinden en ook niet op de A35, terwijl verdachte vrienden en familie in [plaats] heeft wonen.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar moeten zijn, nu er – gelet op al hetgeen hiervoor reeds is overwogen – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.638,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de schadepost “kosten camerabeveiliging” ad € 238,--. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 2.400,-- gevorderd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in het geheel toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde vergoeding van de materiële schade afgewezen dient te worden, omdat de aanschaf van de camerabeveiliging voor de privéwoning van de benadeelde partij niet is aan te merken als directe schade als bedoeld in artikel 51f, eerste lid Sv. Over de gevorderde vergoeding van de immateriële schade heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat onvoldoende is gebleken van een aantasting in de persoon op andere wijze. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat er een bedrag van hoogstens € 750,-- toegekend dient te worden ter vergoeding van immateriële schade.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Hoewel de behoefte van de benadeelde partij tot de aanschaf van camerabeveiliging invoelbaar en begrijpelijk is, is de rechtbank van oordeel dat deze schade niet kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sv. Deze kosten staan in een te ver verwijderd (juridisch) verband van het delict. De rechtbank zal daarom vergoeding van deze schade afwijzen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier staat vast dat sprake is geweest van een gewapende overval. [slachtoffer] was als medewerkster in de shop van het tankstation aanwezig. Zoals blijkt uit de onderbouwing bij haar verzoek tot schadevergoeding, heeft de overval haar erg aangegrepen, ze voelt zich tot op heden – met name in de avonduren – onveilig en wantrouwig, zowel op de werkvloer als in haar privéleven. [slachtoffer] ondervindt tot op heden psychische klachten ten gevolge van de overval en heeft hiervoor contact gezocht met de huisarts en praktijkondersteuner. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van deze normschending door de verdachte mee dat de nadelige psychische gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit betekent dat [slachtoffer] recht heeft op vergoeding van immateriële schade, op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank stelt de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 2.000,--. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij en de vergoedingen die in soortgelijke zaken door rechters zijn toegekend. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 30 (dertig) dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38w, 55 en 63 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de eendaadse samenloop van:
feit 1, het misdrijf: afpersing;
feit 2, het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich na vrijlating meldt bij Reclassering Nederland. Verdachte blijft zich melden op
afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;
- indien de reclassering dit noodzakelijk acht, meewerkt aan diagnostiek en/of behandeling door een nog nader te bepalen forensische polikliniek: forensische polikliniek GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de
behandeling;
- indien de reclassering het nodig acht, verblijft in nader door de reclassering te bepalen
instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen,
ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en softdrugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt aan de verdachte op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van
3 (drie) jaren;
- beveelt dat de verdachte gedurende drie jaren op geen enkele wijze – direct of
indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1968;
- beveelt dat de verdachte zich gedurende drie jaren niet binnen een straal van
250 metervan de vestigingen van [bedrijf] Tankstation in [plaats] gelegen aan de [adres 1]) en de [adres 2]) mag bevinden;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door
7 (zeven) dagenhechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- beveelt dat deze maatregel
dadelijk uitvoerbaaris, omdat er ernstig rekening mee moet
worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich
belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] ;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
schadevergoeding (vordering [slachtoffer] )
- wijst de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van materiële schade af tot een bedrag van € 238,--;
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.000,-- (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 2.000,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.000.--, (zegge: tweeduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 30 (dertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 400,-- (bestaande uit immateriële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. de Waard, voorzitter, mr. J. Wentink en
mr. T.H. Kapinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
Buiten staat
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer ON2R025050/KOESKOES25. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.