Eisers dienden op 26 maart 2024 een aanvraag in voor ambulante begeleiding op grond van de Jeugdwet, welke door het college op 20 februari 2025 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing maakten eisers bezwaar, maar het college verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank beoordeelde op 15 december 2025 de beroepen tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Uit het dossier bleek dat ouders veelvuldig mondeling overleg hadden met het college, waarbij vertrouwen werd gewekt dat bezwaar later nog mogelijk was. De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was, mede omdat ouders niet gewend waren aan procedures en het belang van de kinderen voorop staat.
De rechtbank vernietigde de besluiten van 4 augustus 2025 en droeg het college op alsnog inhoudelijk op de bezwaren te beslissen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers. De uitspraak benadrukt de contextuele benadering bij verschoonbaarheid en het belang van een inhoudelijke beslissing voor de kinderen.