5.10.De voorzieningenrechter zal [gedaagde] veroordelen om de door hem na oktober 2024 aangelegde en thans nog aanwezige duiker/overloop lager te leggen om een einde te maken aan de door [gedaagde] in het leven geroepen onrechtmatige toestand.
De vraag is op welke hoogte de duiker moet komen te liggen. Partijen verschillen van mening over de gewenste verlaging van de huidige duiker. [eiser] wil dat de duiker met 60 cm wordt verlaagd tot de oorspronkelijke hoogte van 5,20m +NAP. [deskundige 1] heeft hierover in zijn aanvullende rapportage onder meer opgenomen:
“Ten aanzien van de vraag of een verlaging van de duiker tot 5,61m+ NAP voldoende is om uw land te vrijwaren van wateroverlast, en verlaging tot 5.20m+ NAP noodzakelijk is, is beantwoording iets minder eenduidig.
Het is duidelijk, onder meer dankzij de foto’s van februari 2025 dat de duikerhoogte op 5,81 m+ NAP niet voldoende is om het oppervlaktewater van uw percelen af te voeren. In die zin is een verlaging tot 5,61 m+ NAP weliswaar een stap in de goede richting en een verbetering ten opzichte van de huidige situatie, maar zeker geen herstel van de oorspronkelijke situatie.
Waar rekening mee gehouden moet worden: om water tot afvoer te laten komen, is er een hoogteverschil nodig. Daardoor komt het water op het perceel eerst hoger dan de onderkant van de duiker en pas daarna gaat het water stromen. Zodra het oppervlaktewater in de buurt komt van die 5,61 m+ NAP neemt de afvoer steeds verder af voordat het tot stilstand komt. Hoe verder van de duiker, hoe hoger het water moet komen om tot afvoer te komen. In die zin is de voorgestelde 5,61 m+ NAP bij de geconstateerde maaiveldhoogten wel erg krap, en wellicht niet voldoende om de wateroverlast te verhelpen.
Of het peil dan exact op 5,20 m+ NAP moet liggen, is hydrologisch geen absolute grens, maar dit niveau correspondeert wel met de oorspronkelijke duiker die jarenlang actief was. Uw verzoek betreft dus niet een nieuw voorstel, maar een herstel van de vroegere goed functionerende situatie.
Wat we ons daarbij goed moeten realiseren is dat het niveau van de duiker de grondwaterstanden amper zal beïnvloeden. Zoals hierboven uitgelegd, worden de grondwaterstanden voor het overgrote deel bepaald door de reactie van de [locatie 1] op neerslag en verdamping. Dat betekent dat een verlaging van de duiker tot 5,20 m+ NAP amper gevolgen zal hebben voor de grondwaterstanden op uw perceel en dat van uw buren en de natuurdoelen die daaraan gekoppeld zijn. Daarom is er vanuit hydrologisch oogpunt ook in het licht van die natuurdoelen geen bezwaar tegen herstel van het oorspronkelijke peil van de duiker.”
[gedaagde] wil niet verder gaan dan verlaging tot 5,60m+ NAP. Hij beroept zich op de inhoud van het rapport van [deskundige 2] , die onder meer schrijft:
“Om de reeds ontwikkelde waardevolle en unieke grondwaterafhankelijke natuur in stand te kunnen houden en verder door te kunnen ontwikkelen is het essentieel de watermotor intact te laten. Voor het intact laten van de watermotor is het essentieel dat er tenminste in de winter tot op een hoogte van 25 cm boven het verlaagde maaiveld water in de laagte wordt geconserveerd. Deze situatie kan zowel
worden gerealiseerd bij:
• Handhaving van de duiker op de huidige hoogte.
• Verlaging van de B.O.K. (rechtbank: binnen-onderkant) van de duiker tot aan het verlaagde maaiveld, met (tot aan het niveau van 25 cm boven het verlaagde maaiveld) gesloten klep in de winter en geopende klep vanaf het voorjaar.
Handhaving van de duiker op de huidige hoogte heeft daarbij de voorkeur: in zijn totaliteit levert dit de hoogste natuurwaarden, deze aanpak resulteert in de meest natuurlijk vorm van waterbeheer en het waterbeheer is op deze wijze ook eenduidiger en gemakkelijker uitvoerbaar.”
De voorzieningenrechter komt aan de hand van het voorgaande tot de conclusie dat [gedaagde] de duiker op het oude niveau moet leggen, dat wil zeggen op 5,20 m+ NAP om voldoende afvoer van water voor [eiser] mogelijk te maken. Zoals hiervoor overwogen is een duiker op het niveau van de huidige duiker niet afdoende. Met enig voorbehoud adviseert [deskundige 1] de duiker op het niveau van de oude duiker te leggen om voldoende afvoer mogelijk te maken. [deskundige 2] reikt geen bruikbaar alternatief aan. Hij gaat uit van de wijze waarop de natuurontwikkeling door [gedaagde] het best gediend is en adviseert daarom in de eerste plaats handhaving van de huidige situatie, wat in elk geval de afvoer van overtollig water van het land van [eiser] niet verbetert. Zijn alternatief is het 25 cm lager leggen van de bestaande duiker/overloop, waarbij het gebruik van de aanwezige klep ervoor zorgt dat in de winter voldoende water op het perceel van [gedaagde] staat. Niet gebleken is dat die verlaging toereikend is om de wateroverlast voor [eiser] te beëindigen. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] veroordelen de duiker lager te leggen en wel op een hoogte van 5,20 m+ NAP. De voorzieningenrechter acht hier ook van belang dat [deskundige 1] in zijn advies niet alleen rekening gehouden heeft met de natuurontwikkeling door [eiser] , maar ook met die van [gedaagde] . De termijn waarbinnen [gedaagde] de duiker lager moet leggen zal de voorzieningenrechter in verband met de feestdagen op 21 dagen vaststellen. De voorzieningenrechter zal tevens beslissen dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt, als hij niet voldoet aan de veroordeling om de duiker op 5,20m+ NAP te leggen, maar zal wel bepalen dat de dwangsom een bepaald maximum niet overschrijdt.
Het gebruik van de klep waarvan de huidige duiker/overloop voorzien is.