ECLI:NL:RBOVE:2025:7563

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
C/08/339402 / KG ZA 25-246
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 5:37 BWArt. 5:38 BWArt. 5:39 BWArt. 5:52 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening wateroverlast door wijziging waterhuishouding tussen buren

Partijen zijn buren en eigenaren van aangrenzende percelen met kwalitatieve verplichtingen voor natuurontwikkeling. Eiser klaagt over onrechtmatige wijziging van de waterhuishouding door gedaagde, die een sloot dempte en een duiker buiten werking stelde, wat leidt tot wateroverlast en belemmering van de nakoming van kwalitatieve verplichtingen.

De voorzieningenrechter beoordeelt het spoedeisend belang en de kans van slagen van de vorderingen in kort geding. Uit rapportages van deskundigen blijkt dat de wateroverlast aannemelijk is en samenhangt met het afsluiten van de duiker, ondanks dat natuurlijke grondwaterstanden ook een rol spelen. Gedaagde beroept zich op het recht van afwatering van hoger naar lager gelegen percelen en toestemming voor het dempen van de sloot, maar niet voor het buiten werking stellen van de duiker.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat gedaagde onrechtmatig handelt door het belemmeren van de afwatering. De vordering tot herstel van de oude duiker wordt toegewezen, waarbij de duiker moet worden verlaagd tot 5,20 m+NAP om voldoende afvoer te garanderen. Het gebruik van de klep op de duiker moet in overleg tussen partijen plaatsvinden. De overige vorderingen worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld de duiker binnen 21 dagen te verlagen tot 5,20 m+NAP om wateroverlast te beëindigen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/339402 / KG ZA 25-246
Vonnis in kort geding van 24 december 2025
in de zaak van

1.[eiser] ,

2.
[eiseres],
beiden te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser] (mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. M. Oudriss,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2.
[gedaagde 2],
beiden te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde] (mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. C. Borstlap.

1.De zaak in het kort

1.1.
Partijen zijn buren van elkaar. Beiden zijn eigenaar van een perceel grond, waarvoor een in een overeenkomst met de provincie Overijssel (hierna: de provincie) vastgelegde kwalitatieve verplichting geldt in verband met gesubsidieerde omzetting van landbouwgrond in natuur. [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij op onrechtmatige wijze de waterhuishouding ter plaatse gewijzigd heeft door naast het dempen van een sloot (zonder overleg of toestemming en zonder adequate maatregelen te treffen) ook een duiker buiten werking te stellen. Volgens [eiser] heeft hij daardoor significante wateroverlast en (toenemende) schade. Daarnaast stelt [eiser] dat hij als gevolg van deze onrechtmatige hinder zijn kwalitatieve verplichtingen jegens de provincie niet meer behoorlijk kan nakomen. [eiser] vordert dat [gedaagde] stopt met zijn onrechtmatige waterregulatie en de (oude) duiker weer volledig in werking stelt. [gedaagde] voert verweer en betwist, kort gezegd, dat sprake is van onrechtmatige hinder. De voorzieningenrechter zal een voorziening treffen die hij in de gegeven omstandigheden en na afweging van de wederzijdse belangen van partijen passend acht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 november 2025 met 15 producties;
- de nagekomen producties 16 en 17 van [eiser] ;
- de conclusie van antwoord in kort geding met 17 producties;
- de nagekomen productie 18 van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 10 december 2025, ter gelegenheid waarvan partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is sinds november 2019 eigenaar van het perceel [adres 1] . [gedaagde] is sinds juni 2015 eigenaar van het perceel [adres 2] . Partijen zijn elkaars buren. Beide percelen liggen naast elkaar aan de voet van de [locatie 1] .
3.2.
In 2018 is aan [gedaagde] op grond van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel een subsidie verleend voor het omzetten van landbouwgrond naar natuur met de ontwikkeling van de natuurbeheertypen kruiden- en faunarijke akker, droge heide, vochtige heide, kruiden- en faunarijk grasland en dennen-, eiken- en beukenbos. Als subsidievoorwaarde is op het perceel van [gedaagde] een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 BW Pro gevestigd om de betreffende landbouwgrond niet langer te gebruiken ten behoeve van landbouw en datgene na te laten wat de ontwikkeling of instandhouding van de hiervoor bedoelde natuurbeheertypen in gevaar brengt of verstoort.
3.3.
Ter uitvoering van het door [bedrijf 1] in oktober 2018 ontwikkelde natuurplan [locatie 2] is op 8 mei 2019 aan [gedaagde] met betrekking tot perceelnummers [nummer 1] en [nummer 2] een ontgrondingsvergunning verleend voor het ontgraven van 30.580 m3 (vooral) humeuze grond. [gedaagde] heeft deze vergunde grondwerkzaamheden vervolgens uitgevoerd.
3.4.
Op 18 januari 2021 is aan [gedaagde] een watervergunning verleend voor de reeds gedempte sloot op zijn perceel [1] . Blijkens de aanvraag had [eiser] hiertegen geen bezwaar. Deze sloot waterde door middel van een in het perceel van [gedaagde] liggende duiker af op een aan de noordkant van de [adres 2] lopende sloot die in beheer is bij het waterschap.
3.5.
In 2019 is een eveneens op de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel gebaseerde subsidie verleend aan (de rechtsvoorgangers van) [eiser] voor het omzetten van landbouwgrond naar natuur met de ontwikkeling van de natuurbeheertypen houtwal en houtsingel, poel met een oppervlakte van minder dan 175 m2 en kruiden- en faunarijk grasland. Op het perceel van [eiser] rust in dat kader een met die van [gedaagde] vergelijkbare kwalitatieve verplichting.
3.6.
Op 30 oktober 2024 hebben partijen – in aanwezigheid van Waterschap Drents Overijsselse Delta en Landschap Overijssel – een gesprek gehad over de wateroverlast die het gevolg zou zijn van de grondwerkzaamheden door [gedaagde] . Dit gesprek heeft ertoe geleid dat [gedaagde] op zijn perceel aan de kant van de [adres 2] een nieuwe duiker/overloop heeft geplaatst die circa 60 cm hoger ligt dan de oude duiker en met een klep kan worden afgesloten. Het perceel van [eiser] sluit niet aan op de sloot langs de [adres 2] . Tussen zijn perceel en de sloot langs de [adres 2] ligt een strook grond die aan [gedaagde] toebehoort.
3.7.
Bij brief van 2 januari 2025 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die hij zou hebben geleden en nog steeds zou lijden door de wateroverlast. [gedaagde] heeft deze aansprakelijkstelling afgewezen. Partijen hebben daarna geen minnelijke oplossing van hun geschil weten te bereiken.
3.8.
[eiser] heeft geohydroloog [deskundige 1] onderzoek laten verrichten. Op 19 mei 2025 heeft [deskundige 1] zijn bevindingen op papier gezet. Een aanvulling op zijn rapportage dateert van 29 oktober 2025, met daaraan gehecht foto’s van de situatie in februari 2025.
3.9.
Op verzoek van [gedaagde] heeft [deskundige 2] van het [bedrijf 2] op 5 december 2025 een rapport opgesteld.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
(1) [gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis de onrechtmatige afwatering op het perceel van [eiser] te staken en gestaakt te houden dan wel subsidiair [gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen tot het realiseren van een deugdelijk en functionerend drainagesysteem, zodat niet op de percelen van [eiser] wordt afgewaterd, dan wel die beslissing te nemen die de voorzieningenrechter in goede justitie, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, rechtvaardig acht en die recht doet aan de situatie, een en ander naar de eisen van goed en deugdelijk werk, onder last van een dwangsom van € 500 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] , of een van hen, niet, niet tijdig en/of niet volledig aan de veroordeling voldoet;
(2) [gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis de oude duiker weer volledig (conform de oude situatie) onvoorwaardelijk in werking te stellen en te houden, dan wel subsidiair [gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen toestemming voor en onvoorwaardelijke en volledige medewerking te verlenen aan de aanleg door [eiser] van een nieuwe duiker langs de erfgrens, dan wel in het verlengde van zijn slootdeel, op dezelfde hoogte als de oude duiker, dan wel die beslissing te nemen die de voorzieningenrechter in goede justitie, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, rechtvaardig acht en die recht doet aan de situatie, een en ander onder last van een dwangsom van € 500 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] , of een van hen, niet, niet tijdig en/of niet volledig aan de veroordeling voldoet;
(3) [gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen, al dan niet ten titel van voorschot, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen de expertisekosten ad € 3.798,80 te vermeerderen met de wettelijke rente;
(4) [gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Aan zijn vorderingen legt [eiser] , samengevat, ten grondslag dat [gedaagde] door het dempen van de sloot en het afsluiten van de duiker, zonder adequate maatregelen voor de afvoer van overtollig water te treffen, in strijd heeft gehandeld met de artikelen 3:13, 5:37 t/m 5:39, 5:52 en 6:162 BW. Volgens [eiser] kan hij als gevolg van de grondwerkzaamheden door [gedaagde] optredende wateroverlast ook niet meer voldoen aan zijn kwalitatieve verplichtingen jegens de provincie en is hij geconfronteerd met optrekkend vocht in het gastenverblijf en instromend water in de IBA-tank (septic tank) van het gastenverblijf. Daarnaast betoogt [eiser] dat [gedaagde] op grond van artikel 6:174 BW Pro risico-aansprakelijk is, dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de door hem gedane toezegging om een functionerende overloop te realiseren, dat [gedaagde] in strijd handelt met een (in een bodemprocedure vast te stellen) door bestemming of verjaring ontstane erfdienstbaarheid van afwatering en dat sprake is van (wederzijdse) dwaling. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [eiser] onder meer naar de onder 3.8. genoemde rapportage van geohydroloog [deskundige 1] en een aantal schriftelijke getuigenverklaringen.
4.3.
[gedaagde] beroept zich allereerst op artikel 5:38 BW Pro dat bepaalt dat lager gelegen erven ( [eiser] ) het water van hoger gelegen erven ( [gedaagde] ) moeten ontvangen. Ten tweede wijst [gedaagde] erop dat [eiser] in het kader van de aanvraag watervergunning toestemming heeft gegeven voor het dempen van de sloot. Ten derde betwist [gedaagde] dat sprake is van onrechtmatige afwatering of onrechtmatige hinder. In de vierde plaats wijst [gedaagde] op de kwalitatieve verplichting die op zijn perceel is gevestigd, waarmee hij een belang heeft bij de huidige situatie. Daarbij verwijst hij naar het hiervoor onder 3.9. vermelde rapport van [deskundige 2] . Tot slot meent [gedaagde] dat de vorderingen onduidelijk zijn geformuleerd, wat bij toewijzing onmiddellijk tot executieproblemen zal leiden. [gedaagde] betwist dat hij gehouden is om de oude duiker te herstellen. Wel is hij bereid om de nieuwe duiker met circa 20-25 cm te verlagen tot ongeveer 5,60 m+ NAP maar volgens hem neemt [eiser] daar geen genoegen mee. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen zal de voorzieningenrechter hierna ingaan, voor zover dat nodig is voor de beoordeling van het geschil.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
5.2.
Anders dan [gedaagde] betoogt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] bij zijn vorderingen sub (1) en (2) voldoende spoedeisend belang heeft. [eiser] stelt immers dat hij als gevolg van de door [gedaagde] aangebrachte wijzigingen in de waterloop (afgraven perceel, dempen sloot en afsluiten duiker) op zijn perceel te maken heeft met wateroverlast en dat deze overlast zich blijft voordoen, vooral in de (natte) winterperiode. [eiser] stelt ook dat hij schade lijdt door die wateroverlast. [eiser] heeft dus een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening die - volgens [eiser] - een einde kan maken aan de wateroverlast. De voorzieningenrechter zal deze twee vorderingen daarom inhoudelijk beoordelen. Bij de sub (3) opgenomen geldvordering strekkende tot vergoeding van de expertisekosten ontbreekt een spoedeisend belang, althans heeft [eiser] het bestaan daarvan onvoldoende gemotiveerd. Die vordering zal daarom worden afgewezen.
Onrechtmatige hinder?
5.3.
Artikel 5:37 BW Pro bepaalt dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW Pro onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun. Voor de vraag of hinder onrechtmatig is, zijn bepalend de criteria van artikel 6:162 BW Pro. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is blijkens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval waaronder de plaatselijke omstandigheden. [2] Hinder door onttrekking of toevoer van water is afzonderlijk geregeld in de artikelen 5:38 en 5:39 BW.
5.4.
Uit de aansluiting die in artikel 5:39 BW Pro wordt gezocht bij de open norm van artikel 6:162 BW Pro volgt dat niet iedere wijziging in de waterloop of afwatering verboden is. Het is aan [eiser] om aannemelijk te maken dat hij als gevolg van de grondwerkzaamheden door [gedaagde] dermate hinder ondervindt van (grond- of regen) water dat sprake is van onrechtmatigheid.
5.5.
De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen de percelen van partijen van oudsher sprake was van een sloot, die door middel van een duiker afwaterde op een aan de noordkant van de [adres 2] lopende sloot die in beheer is bij het waterschap. Naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] met zijn fotomateriaal (productie 8 bij dagvaarding) en de rapportage van [deskundige 1] (inclusief foto’s uit februari 2025) aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van het dempen van de sloot en het afsluiten van de duiker ernstige hinder ondervindt in de vorm van wateroverlast. [deskundige 1] heeft in zijn rapportage onder meer het volgende opgenomen:
“- De conclusie is dan dat het dempen van de sloot en de duiker de grondwatersituatie amper heeft beïnvloed. De hoge grondwaterstanden van begin 2024 waren ook opgetreden als de sloot en duiker er nog gelegen hadden. De [locatie 1] zijn bepalend voor de grondwaterstanden en niet de sloot en duiker.
- Ook begin 2025 trad er wateroverlast op. Het blijkt dat in de zomer van 2024 de grondwaterstanden nog niet weggezakt waren toen in het najaar de standen alweer omhoog kwamen. Het grondwatersysteem is in dit opzicht blijkbaar heel traag: de [locatie 1] waren nog niet ‘leeggelopen’ toen de nieuwe wintervoorraad grondwater alweer werd aangevuld.
- Waar de conclusie dan ook moet zijn dat de grondwaterproblematiek in 2024 en 2025 ook met de sloot en duiker niet te voorkomen was, is de gewijzigde situatie er wel de oorzaak van dat het eenmaal uitgetreden grondwater niet weg kan en decimeters hoog op delen van het land van [eiser] staat. (…). “
Dit vindt bevestiging in het rapport van [deskundige 2] , die het ontbreken van afvoer in de [adres 2] als één van de oorzaken noemt van het extreem oplopen van het waterpeil. Deze schrijft immers:
“Dankzij de demping van de sloot wordt het grondwater nu in de laagte geconserveerd. In de extreem natte winter van 2023/2024 liep het waterpeil in de laagte tot ver boven maaiveld op en raakte zelfs het noordwestelijke, niet afgegraven deel van de laagte (dat dus eigendom van de buren is) geïnundeerd. De oorzaak van het extreem hoog oplopen van het waterpeil was een combinatie van een extreme hoeveelheid neerslag en het ontbreken van een afvoer in de [adres 2] , die zoals gezegd de laagte als wal doorkruist en zodoende voor stagnatie in de oppervlakkige afvoer van water vanuit de laagte naar het externe slotenstelsel zorgde.”
De voorzieningenrechter voegt daaraan toe dat hij op grond van de inhoud van voornoemd bewijsmateriaal ook voldoende aannemelijk acht dat de wateroverlast, in tegenstelling tot wat [gedaagde] stelt, niet beperkt was tot de periode najaar 2023/voorjaar 2024, waarin zich extreme neerslag voorgedaan heeft.
5.6.
Zoals hiervoor vermeld verwijst [gedaagde] naar artikel 5:38 BW Pro, inhoudende dat lagere erven het water moeten ontvangen dat van hoger gelegen erven van nature afloopt. Voor zover hij daarmee betoogt dat hij niet onrechtmatig jegens [eiser] kan handelen door het water van zijn perceel naar het perceel van [eiser] te laten stromen, geldt het volgende. Uit hetgeen partijen naar voren gebracht hebben tijdens de mondelinge behandeling leidt de voorzieningenrechter af dat het (overtollige) water zich op de percelen van partijen in het bijzonder ophoopt op het punt waar voorheen de duiker lag en thans de in 2024 door [gedaagde] aangelegde duiker/overloop ligt. Partijen konden zich beiden vinden in de omschrijving dat zich daar ‘het putje’ bevindt. De voorzieningenrechter verbindt daaraan de conclusie dat het probleem voor [eiser] niet zozeer gelegen is in de omstandigheid dat het land van [gedaagde] afwatert op zijn land, maar dat het water afkomstig zowel van het perceel van [eiser] als van het perceel van [gedaagde] , al dan niet als ‘uittredend grondwater’, niet meer afgevoerd wordt in de langs de [adres 2] gelegen sloot maar op het laagste punt van genoemde percelen blijft staan. De voorzieningenrechter vindt aanknopingspunten hiervoor zowel in de rapportage van [deskundige 1] als in die van J.W. [deskundige 2] . Met het voorgaande heeft het antwoord op de vraag in hoeverre het water na de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden nog van nature van het land van [gedaagde] afloopt bij de beoordeling van de vordering van [eiser] geen doorslaggevende betekenis. Hetzelfde geldt voor het antwoord op de vraag of de door [eiser] gegeven toestemming voor het dempen van de sloot tussen zijn perceel en het perceel van [gedaagde] in de weg staat aan het toekennen van een onrechtmatig karakter aan de door [gedaagde] op zijn grond genomen maatregelen. Tussen partijen staat immers vast dat [eiser] niet ingestemd heeft met het buiten werking stellen van de oude duiker en het aanleggen van een nieuwe, hoger gelegen duiker/overloop voor de afwatering op de sloot langs de [adres 2] .
5.7.
In het licht van het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat [eiser] op dit moment voldoende aannemelijk gemaakt heeft dat hij door de grondwerkzaamheden van [gedaagde] (in het bijzonder het afsluiten van de duiker) geen mogelijkheid meer heeft om overtollig oppervlaktewater van zijn perceel af te voeren. Voor zover van belang is de voorzieningenrechter met [gedaagde] van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt heeft dat de hiervoor beschreven wateroverlast de oorzaak is van het optrekkend vocht in zijn gastenverblijf en van het stromen van water in zijn IBA-tank. [deskundige 1] besteedt hier geen aandacht aan in zijn rapportage en de foto’s uit productie 8 bij dagvaarding acht de voorzieningenrechter hiertoe ontoereikend, nu daar het verband tussen de wateroverlast en het optrekkend vocht niet blijkt. [eiser] heeft echter wel voldoende aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de wateroverlast zijn kwalitatieve verplichtingen tegenover de provincie niet (meer) behoorlijk kan nakomen. De voorzieningenrechter wijst er in dat verband op dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling onbetwist naar voren gebracht heeft dat een provinciaal ambtenaar medegedeeld heeft dat de huidige toestand van het perceel van [eiser] niet in overeenstemming is met de bedoeling van de kwalitatieve verplichting. Met het voorgaande is in voldoende mate waarschijnlijk dat de bodemrechter, later oordelend, tot de slotsom zal komen dat sprake is van onrechtmatige hinder door [gedaagde] jegens [eiser] . Dat betekent dat voor de voorzieningenrechter de deur naar het treffen van een voorlopige voorziening open staat.
5.8.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de overige grondslagen die [eiser] noemt voor zijn vordering onbesproken laten.
5.9.
Met [gedaagde] is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] in het petitum onder 1 van de dagvaarding zijn vorderingen, zowel primair als subsidiair, onvoldoende concreet en dus te onbepaald heeft geformuleerd, zodat bij toewijzing hiervan de kans op executieproblemen reëel is. [eiser] vordert immers primair [gedaagde] te veroordelen tot het staken van onrechtmatige afwatering zonder nadere aanduiding wanneer afwatering onrechtmatig is en subsidiair tot het realiseren van een deugdelijk en functionerend drainagesysteem zonder nadere omschrijving van dat systeem. De onder 2 opgenomen vordering is wel voldoende duidelijk, maar de voorzieningenrechter ziet aanleiding om invulling te geven aan de eveneens in deze vordering opgenomen door hem in voorkomend geval in goede justitie te nemen beslissing.
5.10.
De voorzieningenrechter zal [gedaagde] veroordelen om de door hem na oktober 2024 aangelegde en thans nog aanwezige duiker/overloop lager te leggen om een einde te maken aan de door [gedaagde] in het leven geroepen onrechtmatige toestand.
De vraag is op welke hoogte de duiker moet komen te liggen. Partijen verschillen van mening over de gewenste verlaging van de huidige duiker. [eiser] wil dat de duiker met 60 cm wordt verlaagd tot de oorspronkelijke hoogte van 5,20m +NAP. [deskundige 1] heeft hierover in zijn aanvullende rapportage onder meer opgenomen:
“Ten aanzien van de vraag of een verlaging van de duiker tot 5,61m+ NAP voldoende is om uw land te vrijwaren van wateroverlast, en verlaging tot 5.20m+ NAP noodzakelijk is, is beantwoording iets minder eenduidig.
(…)
Het is duidelijk, onder meer dankzij de foto’s van februari 2025 dat de duikerhoogte op 5,81 m+ NAP niet voldoende is om het oppervlaktewater van uw percelen af te voeren. In die zin is een verlaging tot 5,61 m+ NAP weliswaar een stap in de goede richting en een verbetering ten opzichte van de huidige situatie, maar zeker geen herstel van de oorspronkelijke situatie.
Waar rekening mee gehouden moet worden: om water tot afvoer te laten komen, is er een hoogteverschil nodig. Daardoor komt het water op het perceel eerst hoger dan de onderkant van de duiker en pas daarna gaat het water stromen. Zodra het oppervlaktewater in de buurt komt van die 5,61 m+ NAP neemt de afvoer steeds verder af voordat het tot stilstand komt. Hoe verder van de duiker, hoe hoger het water moet komen om tot afvoer te komen. In die zin is de voorgestelde 5,61 m+ NAP bij de geconstateerde maaiveldhoogten wel erg krap, en wellicht niet voldoende om de wateroverlast te verhelpen.
Of het peil dan exact op 5,20 m+ NAP moet liggen, is hydrologisch geen absolute grens, maar dit niveau correspondeert wel met de oorspronkelijke duiker die jarenlang actief was. Uw verzoek betreft dus niet een nieuw voorstel, maar een herstel van de vroegere goed functionerende situatie.
Wat we ons daarbij goed moeten realiseren is dat het niveau van de duiker de grondwaterstanden amper zal beïnvloeden. Zoals hierboven uitgelegd, worden de grondwaterstanden voor het overgrote deel bepaald door de reactie van de [locatie 1] op neerslag en verdamping. Dat betekent dat een verlaging van de duiker tot 5,20 m+ NAP amper gevolgen zal hebben voor de grondwaterstanden op uw perceel en dat van uw buren en de natuurdoelen die daaraan gekoppeld zijn. Daarom is er vanuit hydrologisch oogpunt ook in het licht van die natuurdoelen geen bezwaar tegen herstel van het oorspronkelijke peil van de duiker.”
[gedaagde] wil niet verder gaan dan verlaging tot 5,60m+ NAP. Hij beroept zich op de inhoud van het rapport van [deskundige 2] , die onder meer schrijft:
“Om de reeds ontwikkelde waardevolle en unieke grondwaterafhankelijke natuur in stand te kunnen houden en verder door te kunnen ontwikkelen is het essentieel de watermotor intact te laten. Voor het intact laten van de watermotor is het essentieel dat er tenminste in de winter tot op een hoogte van 25 cm boven het verlaagde maaiveld water in de laagte wordt geconserveerd. Deze situatie kan zowel
worden gerealiseerd bij:
• Handhaving van de duiker op de huidige hoogte.
• Verlaging van de B.O.K. (rechtbank: binnen-onderkant) van de duiker tot aan het verlaagde maaiveld, met (tot aan het niveau van 25 cm boven het verlaagde maaiveld) gesloten klep in de winter en geopende klep vanaf het voorjaar.
Handhaving van de duiker op de huidige hoogte heeft daarbij de voorkeur: in zijn totaliteit levert dit de hoogste natuurwaarden, deze aanpak resulteert in de meest natuurlijk vorm van waterbeheer en het waterbeheer is op deze wijze ook eenduidiger en gemakkelijker uitvoerbaar.”
De voorzieningenrechter komt aan de hand van het voorgaande tot de conclusie dat [gedaagde] de duiker op het oude niveau moet leggen, dat wil zeggen op 5,20 m+ NAP om voldoende afvoer van water voor [eiser] mogelijk te maken. Zoals hiervoor overwogen is een duiker op het niveau van de huidige duiker niet afdoende. Met enig voorbehoud adviseert [deskundige 1] de duiker op het niveau van de oude duiker te leggen om voldoende afvoer mogelijk te maken. [deskundige 2] reikt geen bruikbaar alternatief aan. Hij gaat uit van de wijze waarop de natuurontwikkeling door [gedaagde] het best gediend is en adviseert daarom in de eerste plaats handhaving van de huidige situatie, wat in elk geval de afvoer van overtollig water van het land van [eiser] niet verbetert. Zijn alternatief is het 25 cm lager leggen van de bestaande duiker/overloop, waarbij het gebruik van de aanwezige klep ervoor zorgt dat in de winter voldoende water op het perceel van [gedaagde] staat. Niet gebleken is dat die verlaging toereikend is om de wateroverlast voor [eiser] te beëindigen. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] veroordelen de duiker lager te leggen en wel op een hoogte van 5,20 m+ NAP. De voorzieningenrechter acht hier ook van belang dat [deskundige 1] in zijn advies niet alleen rekening gehouden heeft met de natuurontwikkeling door [eiser] , maar ook met die van [gedaagde] . De termijn waarbinnen [gedaagde] de duiker lager moet leggen zal de voorzieningenrechter in verband met de feestdagen op 21 dagen vaststellen. De voorzieningenrechter zal tevens beslissen dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt, als hij niet voldoet aan de veroordeling om de duiker op 5,20m+ NAP te leggen, maar zal wel bepalen dat de dwangsom een bepaald maximum niet overschrijdt.
Het gebruik van de klep waarvan de huidige duiker/overloop voorzien is.
5.11.
Uit wat de voorzieningenrechter hiervoor overwogen heeft volgt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] handelt als hij belemmert dat overtollig water op het perceel van [eiser] wegstroomt op de langs de [adres 2] lopende sloot. Vandaar dat de voorzieningenrechter [gedaagde] zal veroordelen de duiker/overloop waardoor de afwatering op die sloot geschiedt lager te leggen. De vraag is dan nog hoe de klep waarvan die duiker voorzien is gebruikt moet worden. [gedaagde] is als eigenaar van de duiker met klep verantwoordelijk voor het gebruik daarvan. Gezien de noodzaak om overtollig water van het land van [eiser] af te voeren zal [gedaagde] gebruik van de klep dat laatste mogelijk moeten maken. [gedaagde] zal de klep dan ook alleen dicht mogen zetten met instemming van [eiser] .
De voorzieningenrechter stelt daarnaast vast dat partijen ieder op eigen wijze aan natuurontwikkeling op de aan hen toebehorende, aan elkaar grenzende percelen doen. [gedaagde] heeft daarbij gekozen voor natuur die om meer water vraagt dan de natuur die [eiser] ontwikkelt. Dit leidt tot (mogelijke) strijdigheid van de belangen van partijen. Partijen dienen bij voortzetting van hun beider natuurontwikkeling in de huidige vorm, dan ook zoveel mogelijk met elkaars natuurontwikkeling rekening te houden. Dat betekent dat het vasthouden van water met gebruikmaking van de klep mogelijk moet blijven, zolang het afvoeren van overtollig water niet nodig is, waarbij de voorzieningenrechter aantekent dat het vasthouden van water onder omstandigheden – bijvoorbeeld bij droogte - ook in belang van [eiser] zou kunnen zijn. Partijen zullen er dus niet aan ontkomen in onderling overleg te bepalen of en, zo ja, wanneer en voor hoe lang de klep moet worden gesloten.
5.12.
De voorzieningenrechter zal de vordering van [eiser] voor het overige afwijzen.
Proceskosten
5.13.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk om binnen 21 dagen na betekening van dit vonnis de huidige duiker op zijn perceel te verlagen tot de oorspronkelijke hoogte van 5,20m+ NAP, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet (tijdig) en/of niet volledig aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000;
6.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. (PvdS)

Voetnoten

1.Het betreft hier waterstaatswerk secundaire watergang OK.5.158.
2.Zie HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0235.