ECLI:NL:RBOVE:2025:7568

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
C/08/340709 / JE RK 25-1852
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Fictieve schriftelijke aanwijzing over contact tussen kinderen en vader in het kader van een zorg- en contactregeling

In deze zaak heeft de kinderrechter op 24 december 2025 een beschikking gegeven over een verzoek van de vader om een schriftelijke aanwijzing te verkrijgen omtrent de uitbreiding van het contact met zijn kinderen. De vader heeft de gecertificeerde instelling (GI) verzocht om een schriftelijke aanwijzing, maar de GI heeft hierop niet beslist, wat door de kinderrechter wordt opgevat als een fictieve weigering. De kinderrechter heeft besloten om de minderjarige niet te horen, gezien de vrees dat een gesprek met de kinderrechter schadelijk zou zijn voor de geestelijke gezondheid van de minderjarige. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen, die in een gezinshuis verblijven. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er behoefte is aan een zorg- en contactregeling, maar dat er onduidelijkheid bestaat over de uitvoerbaarheid van de voorgestelde varianten. De kinderrechter heeft daarom de beslissing op het verzoek van de vader aangehouden voor de duur van drie maanden, zodat er ruimte is om de mogelijkheden voor uitbreiding van de omgang te onderzoeken en de belangen van de kinderen voorop te stellen.

Uitspraak

RECHTBAK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/340709 / JE RK 25-1852
Datum uitspraak: 24 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing en contactregeling
in de zaak van
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A. van den Berg,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam,
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R. Westendorp-Hertgers,
en
Familie [woonplaats 2],
hierna te noemen: de gezinshuisouders,
wonende in [woonplaats 3] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 november 2025;
  • een brief van de GI, ontvangen op 13 november 2025;
  • een e-mailbericht van de gezinshuisouders, ontvangen op 24 november 2025;
  • een brief met productie 6 van mr. Van den Berg, ontvangen op 1 december 2025;
  • een brief met bijlagen van de GI, ontvangen op 3 december 2025;
  • een brief met een aanvullende productie van mr. Van den Berg, ontvangen op 8 december 2025;
  • een brief met bijlagen van de GI, ontvangen op 9 december 2025;
  • een brief van mr. Westendorp-Hertgers ontvangen op 9 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat,
- [naam 1] en [naam 2] namens de GI.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 3] , de reclasseringsmedewerker van de vader en aan de grootouders van moederzijde.
1.3.
De gezinshuisouders zijn niet verschenen op de mondelinge behandeling. Zij hebben zich per e-mailbericht van 24 november 2025 afgemeld. Ook de moeder en haar advocaat zijn niet verschenen op de mondelinge behandeling. Zij hebben zich per brief van 9 december 2025 afgemeld.

2.Het hoorrecht van [minderjarige 1]

2.1.
Artikel 809 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt - voor zover van belang - dat de rechter minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt in de gelegenheid kan stellen om hun mening kenbaar te maken op een door haar te bepalen wijze. Dit wordt ook benoemd in artikel 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. In deze procedure heeft de kinderrechter gelet op zijn ontwikkelingsniveau beslist om [minderjarige 1] niet te horen. De kinderrechter acht in dit geval de vrees gerechtvaardigd dat een gesprek met de kinderrechter [minderjarige 1] ’s (geestelijke) gezondheid zal schaden. Dit is in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad. [1]

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een gezinshuis.
3.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 2 december 2026.
3.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 november 2025 ook de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 2 december 2026.

4.Het verzoek

4.1.
De vader verzoekt de kinderrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. de fictieve schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren;
II. een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij de vader de ene week op maandag van 14:30 uur tot 17:30 uur omgang heeft met beide kinderen en de andere week op zaterdag van 14:30 uur tot 17:30 uur. Vanuit deze regeling wenst de vader onder regie van de GI de omgang op zaterdag gefaseerd uit te bouwen naar zes uren (van 13:00 uur tot 19:00 uur) waarbij hij samen met de kinderen activiteiten kan ondernemen;
Subsidiair
III. een zorg- en contactregeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie juist geboden acht.
4.2.
Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt de vader dat hij het niet eens is met de huidige zorg- en contactregeling tussen hem en de kinderen. De vader heeft de GI daarom verzocht een schriftelijke aanwijzing af te geven. Aan dit verzoek heeft de GI echter geen gehoor gegeven, zodat deze weigering kan worden opgevat als een schriftelijke aanwijzing. Er had volgens de vader allang toegewerkt moeten worden naar uitbreiding van de omgang en dat heeft hij ook lang gepoogd. De vader vindt het zorgelijk dat drie uur omgang, waar naar toegewerkt moest worden conform de beschikking van de rechtbank, nog steeds niet gerealiseerd is. Hij heeft hiervoor met moeite vrij kunnen regelen van zijn werk op de zaterdagen. Dat de GI nu kindfactoren ziet op basis waarvan de omgang niet uitgebreid kan worden begrijpt de vader niet. De omgang verloopt positief, de vader volgt de adviezen van de begeleiding op en weet goed aan te sluiten bij de kinderen. De vader verwijst hiervoor naar de omgangsverslagen. Waarom de kinderen heftig reageren na de contactmomenten zoals de GI stelt, is onduidelijk. De gedragskundige heeft de oorzaken niet kunnen vaststellen en het is ook onduidelijk op basis waarvan de gedragskundige het gedrag heeft vastgesteld. Dit gedrag kan verschillende oorzaken hebben, zoals volwassenproblematiek of de beperkte en onrustige omgang, die los staan van de manier waarop de kinderen omgang ervaren met hun vader. Dat er nu een gedragsverandering wordt geconstateerd bij de kinderen vindt de vader geen grond voor het uitstellen van de uitbreiding. De vader vindt dan ook niet dat Sherborne therapie, zoals de gedragskundige adviseert, eerst afgewacht moet worden. Uitbreiding van de omgang kan wellicht de oplossing zijn om de kinderen meer rust te bieden. Ook volgens de omgangsbegeleiding is er ruimte voor uitbreiding en de vader acht dit in het belang van de kinderen. De vader is het ermee eens dat onder begeleiding toegewerkt moet worden naar omgang van zes uur, maar vindt wel dat er in ieder geval een basis moet zijn om drie uur omgang te realiseren. Mr. Van den Berg stelt daarom voor om een (voorlopige) basis voor uitbreiding van de omgang naar drie uur vast te stellen en het overige aan te houden waarbij onder regie van de GI toegewerkt kan worden naar verdere uitbouw van het contact.

5.De standpunten

5.1.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de vader het goed heeft gedaan in de afgelopen periode. Hij heeft passende vaardigheden laten zien tijdens de omgang en de kinderen genieten van het contact met hun vader. Wegens verschillende verplichtingen van de kinderen en het werk van de vader is het eerder niet gelukt om de omgang uit te breiden naar drie uur. Nu ziet de GI wel ruimte voor uitbreiding en de GI gunt de vader ook een uitbreiding van de omgang zoals die door hem verzocht wordt. Er spelen echter verschillende factoren die aan een uitbreiding op dit moment nog in de weg staan. De GI stelt in haar brief en ter zitting, waarbij zij verwijst naar het advies van de gedragskundige vanuit [locatie], dat uitbreiding van de omgang belastend is voor de kinderen en het gezinshuis. Het gezinshuis en de kinderen hebben een vaste structuur en hebben voldoende schakeltijd en herstelruimte nodig waardoor omgang op de zaterdag nu niet in het belang van de kinderen is. Ook werkt de begeleidende instantie niet op zaterdagen.
Daarbij geeft de gedragskundige aan dat de kinderen heftig reageren na de omgang. De kinderen gaan hierbij een of twee dagen niet naar school, zoeken grenzen op en hebben meer nabijheid en sturing nodig vanuit hun opvoeders. De omgangsbegeleiding ziet de verklaring hiervoor niet terug tijdens de omgang en er zijn geen zorgen over het contact tussen de vader en de kinderen. De GI vermoedt dat de kinderen zich bevinden in een loyaliteitsconflict. Deze omstandigheden maken dat uitbreiding momenteel nog niet haalbaar is, hoezeer de GI dat de vader ook gunt. De jeugdbeschermer heeft ter zitting wel voorgesteld dat omgang op maandagmiddag plaatsvindt waarbij de kinderen eerder opgehaald worden van school of op woensdagmiddag waarbij [minderjarige 1] eerder opgehaald moet worden. Op die manier kan er omgang van drie uur gerealiseerd worden. Deze mogelijkheden moeten echter nog wel besproken worden met de vader en de school van de kinderen. De GI verzoekt de kinderrechter daarom de beslissing op het verzoek aan te houden voor de duur van drie maanden waarin alle opties bekeken en onderzocht kunnen worden. Hierbinnen zal ook gewerkt moeten worden aan het verbeteren van de dynamiek en de overdracht tussen de ouders en de gezinshuisouders.
5.2.
Uit de brief van mr. Westendorp-Hertgers d.d. 9 december 2025 blijkt dat de moeder het verzoek van de vader ondersteunt voor zover uitbreiding van dit contact het contact tussen haar en de kinderen niet in de weg staat. De moeder vindt het belangrijk dat de kinderen goed contact kunnen hebben met de vader.
5.3.
Uit de brief van de gezinshuisouders blijkt dat zij zich zorgen maken over het contact tussen de kinderen en de ouders. Volgens de gezinshuisouders zijn de kinderen kwetsbaar en reageren zij heftig na de bezoekmomenten met hun ouders. Ook beschrijven de gezinshuisouders dat de samenwerking met beide ouders erg moeizaam verloopt.

6.De beoordeling

Het wettelijk kader en de ontvankelijkheid
6.1.
Ingevolge artikel 1:265f lid 1 van het BW kan de GI, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige en voor de duur daarvan, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Deze beslissing van de GI geldt als een schriftelijke aanwijzing en artikel 1:264 en 1:265 BW zijn van overeenkomstige toepassing. Een schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). In het kader hiervan dient de rechtbank te beoordelen of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. Ingevolge artikel 1:265f lid 2 BW kan de rechtbank voorts een zodanige regeling vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
6.2.
De kinderrechter stelt vast dat de vader op 7 oktober 2025 de GI heeft verzocht een schriftelijke aanwijzing te geven omtrent een uitbreiding van het contact met de kinderen. De GI heeft daarop tot op heden niet beslist. De kinderrechter concludeert dat er daarom juridisch sprake is van een fictieve weigering tot het nemen van een besluit, zodat deze weigering om een (nieuwe) regeling in een schriftelijke aanwijzing vast te leggen kan worden opgevat als een schriftelijke aanwijzing. Een en ander is tevens aan te merken als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vader heeft tijdig het verzoek ingediend tot het vervallen verklaren van deze aanwijzing en is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
6.3.
De vader heeft eveneens verzocht om een contactregeling vast te stellen conform het verzoek. De kinderrechter kan een zodanige regeling vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt (artikel 1:265f lid 2 BW).
Het inhoudelijk oordeel
6.4.
De kinderrechter is van oordeel dat het op dit moment niet duidelijk is wat de meest wenselijke zorg- en contactregeling voor de kinderen is. De kinderrechter kan daarom nog geen definitieve beslissing nemen en zal de zaak aanhouden. De kinderrechter legt dit uit.
6.5.
De kinderrechter constateert dat iedereen het erover eens is dat er nu toegewerkt moet worden naar een contactregeling waarbij minstens drie uur omgang bewerkstelligd wordt. De kinderrechter stelt ook vast dat er verschillende variaties mogelijk zijn om dit te realiseren en dat over de uitvoerbaarheid van elk van die varianten nu nog teveel onduidelijkheid bestaat. Zo is het nu niet helder of de omgang kan plaatsvinden op de maandagmiddag in verband met de school van de kinderen en de mogelijke consequenties bij het eerder ophalen. De vader heeft liever dat de kinderen op maandagmiddag later terugkeren naar het gezinshuis omdat de kinderen het eerder ophalen vanuit school mogelijk als belastend ervaren. Dit is nog niet voorgelegd aan de gezinshuisouders waardoor hun visie hierop onbekend is. Het is bovendien niet uitgesloten dat de omgang op woensdag kan plaatsvinden. De kinderrechter heeft onvoldoende zicht op welke van deze alternatieven tot uitbreiding van de omgang het meest tegemoet komt aan de belangen van de kinderen. De diverse mogelijkheden dienen eerst onderzocht te worden en besproken te worden met de ouders, de gezinshuisouders, de school en de omgangsbegeleiding.
Daarnaast is het onduidelijk wat de oorzaken zijn voor de gedragsverandering van de kinderen. De kinderrechter volgt het standpunt van de GI dat deze kinderen gevoelig zijn voor de onrust en verharding tussen de ouders en de gezinshuisouders. Dat kan mogelijk een verklaring zijn voor hun gedrag. Het verbeteren van de systeemdynamiek verdient daarom nog aandacht.
6.6.
De kinderrechter acht zich gegeven de situatie en de onduidelijkheid hierover onvoldoende ingelicht om nu een beslissing te kunnen geven op het verzoek van de vader. De kinderrechter zal daarom de beslissing op het verzoek aanhouden. De kinderrechter zal, overeenkomstig het verzoek van de GI, de beslissing op het verzoek aanhouden voor de duur van drie maanden. In deze periode zal bezien moeten worden welke mogelijkheden er zijn om de omgang uit te breiden waarbij de belangen en de behoeften van de kinderen voorop dienen te staan.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
houdt iedere verdere beslissing op het verzoek van de vader aan voor de duur van drie maanden;
7.2.
stelt de advocaten van de partijen en de GI in de gelegenheid om zich uiterlijk 24 maart 2026 schriftelijk uit te laten over de stand van zaken en over het verdere verloop van de procedure.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025 door mr. A.M. Koene, kinderrechter, in aanwezigheid van S. Mahmoud als griffier.
-

Voetnoten

1.Hoge Raad, 1 november 2013, ECLI:NL:HR:1013, rechtsoverweging 3.3.5.