ECLI:NL:RBOVE:2025:7570

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
11424615 \ CV EXPL 24-2352
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 159 lid 2 RvArt. 166 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijslevering echtheid handtekening onder leenovereenkomst

In deze civiele zaak tussen eiser en gedaagde staat de echtheid van een handtekening onder een leenovereenkomst centraal. Eiser stelt dat gedaagde geld van hem heeft geleend en de handtekening op de overeenkomst door gedaagde is gezet. Gedaagde betwist dit en beweert dat hij de handtekening niet heeft geplaatst.

De rechtbank heeft een deskundigenonderzoek bevolen, uitgevoerd door experts van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau. Het rapport concludeert dat het veel waarschijnlijker is dat de handtekening niet authentiek is en niet door gedaagde is gezet. Beide partijen hebben op het conceptrapport gereageerd, waarbij gedaagde het oordeel bevestigt en eiser het onbegrijpelijk vindt.

De kantonrechter wijst erop dat eiser de bewijslast draagt voor de echtheid van de handtekening. Op grond van artikel 166 lid 1 Rv Pro wordt eiser in de gelegenheid gesteld getuigen te horen om zijn stelling te bewijzen. De zaak wordt aangehouden en op 6 januari 2026 wordt de voortzetting gepland, waarbij eiser de getuigen en beschikbaarheid moet opgeven. Het getuigenverhoor zal plaatsvinden in Almelo.

Deze tussenuitspraak benadrukt het belang van bewijslevering in civiele procedures en de rol van deskundigenonderzoek en getuigenverhoor bij het vaststellen van de authenticiteit van een handtekening.

Uitkomst: Eiser wordt in de gelegenheid gesteld getuigen te horen ter bewijs van de echtheid van de handtekening; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11424615 \ CV EXPL 24-2352
Vonnis van 23 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1], gemeente [gemeente 1],
eisende partij, hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: L. Veld, werkzaam bij Deurwaarderskantoor Wigger Van het Laar te Almelo,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2], gemeente [gemeente 2],
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. V.A. Batelaan, advocaat te Harderwijk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 juli 2025 waarbij een deskundigenonderzoek is bevolen;
- het deskundigenrapport van 23 oktober 2025 van ing. [deskundige 1] en [deskundige 2], werkzaam bij Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau te Enschede;
- de conclusie na deskundigenbericht van 25 november 2025 van [eiser];
- de conclusie na deskundigenbericht van 25 november 2025 van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De (verdere) beoordeling

2.1.
Zoals in voormeld tussenvonnis is vermeld, heeft [eiser], onder verwijzing naar een door hem overgelegde “Leenovereenkomst”, gesteld dat [gedaagde] geld van hem heeft geleend. Volgens [gedaagde] heeft hij geen geld geleend van [eiser] en is de handtekening onder voormelde overeenkomst niet van hem.
2.2.
De “Leenovereenkomst” is een onderhandse akte. Dit betekent dat op degene die zich van de akte als bewijsmiddel wil bedienen, [eiser] dus, de bewijslast rust en daarmee het bewijsrisico van de echtheid van de betwiste handtekening (artikel 159 lid 2 Rv Pro).
Het deskundigenonderzoek
2.3.
Partijen zijn door de deskundige in de gelegenheid gesteld om te reageren op het concept deskundigenbericht en hebben dat beiden gedaan. De deskundige heeft vervolgens een definitief deskundigenrapport uitgebracht. In dit rapport zijn in hoofdstuk 12 de reacties van partijen opgenomen en wordt gereageerd op de opmerkingen van [eiser].
2.4.
In hoofdstuk 10 “
Conclusies” van het deskundigenbericht staat opgenomen:

De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de betwiste handtekening die is gezet voor de persoon [gedaagde] geen authentieke handtekening van hem betreft (hypothese H2) dan wanneer het wel om een authentieke handtekening zou gaan en niet om een nabootsing of vervalsing (H1).”
2.5.
[gedaagde] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht opgemerkt:

[gedaagde] meent dat zijn standpunt, inhoudende dat de handtekening onder de
geldleenovereenkomst niet van hem is, door het deskundigenonderzoek wordt bevestigd. Immers, volgens de deskundige is het veel waarschijnlijker dat de handtekening niet is gezet door [gedaagde] dan dat de handtekening wel is gezet door [gedaagde].”
2.6.
[eiser] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht opgemerkt dat hij het oordeel van de deskundige onbegrijpelijk vindt. Hij houdt vol dat de handtekening door [gedaagde] is gezet en dat hij en zijn zoon daarbij aanwezig waren. Hij wil dan ook dat zijn zoon als getuige wordt gehoord.
2.7.
Artikel 166 lid 1 Rv Pro neemt als uitgangspunt dat de rechter op verzoek van een partij een getuigenverhoor moet bevelen. Gelet daarop zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld door middel van getuigen bewijs te leveren van zijn stelling dat de handtekening door [gedaagde] is gezet.
2.8.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
stelt [eiser] in de gelegenheid bewijs te leveren van zijn stelling dat de betwiste handtekening echt (als in: door [gedaagde] gezet) is, door het laten horen van getuigen,
3.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
dinsdag 6 januari 2026voor uitlating door [eiser] wie hij als getuigen wil doen horen,
3.3.
bepaalt dat [eiser] de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden februari tot en met mei 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
3.4.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. E. Horsthuis, in het gerechtsgebouw te Almelo, Egbert Gorterstraat 5,
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.