ECLI:NL:RBOVE:2025:7573

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
11808868 \ CV EXPL 25-1272
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van een factuur voor tuinstoelen met geschil over betaling en bewijsvoering

In deze civiele zaak vordert eiseres, een B.V., betaling van een factuur van € 1.500,00 door gedaagde, die samen met haar overleden partner zes tuinstoelen heeft besteld. De gedaagde stelt dat de factuur al contant is betaald, maar eiseres betwist dit en vraagt om bewijs van betaling. De kantonrechter heeft gedaagde verzocht om zich uit te laten over de mogelijkheden om de betaling te bewijzen, inclusief details over de betaling en de ondertekening van de factuur. De zaak is gecompliceerd door de gezondheid van gedaagde, waardoor een mondelinge behandeling niet mogelijk is. De kantonrechter heeft beide partijen in de gelegenheid gesteld om hun stellingen bij akte toe te lichten. De zaak is aangehouden voor verdere beslissingen en zal opnieuw op de rol komen voor het nemen van een akte door beide partijen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11808868 \ CV EXPL 25-1272
Vonnis van 23 december 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: Wiggers Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 juli 2025;
- de conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 26 april 2022 heeft [gedaagde] samen met haar (inmiddels overleden) partner zes tuinstoelen besteld bij [eiseres] voor een bedrag van € 1.500,00 inclusief btw. Op de factuur met factuurnummer [factuurnummer 1] met factuurdatum 29 december 2022 staat het volgende:

Per Pin betaald in de winkel op 26-04-2022
2.2.
De factuur met factuurnummer [factuurnummer 1] is voorzien van een handtekening.
2.3.
De tuinstoelen zijn op 30 december 2022 bij [gedaagde] geleverd.
2.4.
Op 19 mei 2023 heeft [eiseres] een e-mailbericht naar [gedaagde] gestuurd met de volgende inhoud:
“[…]
Nu met de eindejaarscontrole komen wij nog een openstaande post van jullie tegen.
Vorig jaar zou er een factuur van € 1500,- [factuurnummer 2] op 26 april 2022 door jullie met de pin betaald zijn.
Nu kunnen wij deze pintransactie niet weervinden. Later is deze factuur gecrediteerd, doordat leveren niet mogelijk was en zijn beide facturen weggeboekt.
In december is er een gewijzigde bestelling 6 Darwin verstelbare stoelen gefactureerd, factuur [factuurnummer 1], € 1500,-.
Nu staat deze factuur nog open, kan dat kloppen of is er wel 26 april per pin betaald? Kunnen jullie deze transactie terugvinden?
[…]”
2.5.
De gemachtigde van [eiseres] heeft [gedaagde] bij aangetekende brief van 14 november 2024 gesommeerd om het bedrag van € 1.500,00 binnen veertien dagen te betalen.
2.6.
Bij brieven van 30 december 2024, 6 januari 2025 en 28 februari 2025 heeft de gemachtigde [gedaagde] opnieuw gesommeerd om het factuurbedrag, de verschenen rente en de buitengerechtelijke incassokosten, samen voor een totaalbedrag van € 1.894,70, binnen vijf dagen te betalen.
2.7.
Op 30 december 2024 heeft [gedaagde] als volgt gereageerd:
“[…]
Ik ben verbaasd over het ontvangen van deze mail!
Ik wil u melden dat deze factuur was voldaan maar meneer [naam] heeft zelf fouten in zijn administratie gemaakt.
Helaas is mijn man overleden die getuige hierin was.
Ik vindt het ook zeer vreemd dat hij nu dit doet.
Ik woon ook niet meer aan de [adres] ik ben binnen 2 jaar daar drie mensen .
Mijn vader , mijn man en mijn moeder!
[…]”
2.8.
Daarop heeft de gemachtigde op dezelfde dag het volgende geantwoord:
“[…]
Allereerst spijtig om te horen dat u dierbaren verloren heeft. Condoleances daarvoor.
Wat de zaak betreft: Cliente heeft u meermaals benaderd, meer dan 2 jaar lang, en aangegeven dat er níet betaald is. Indien dat wel het geval is staat het u vrij dat aan te tonen. U, dan wel uw wijlen echtgenoot, heeft ook niet gereageerd op aanmaningen of verzoeken tot betaling. Cliente weet daarbij niets van uw persoonlijke omstandigheden en heeft geen nieuw adres van u. De aangekochte meubelen dienen nog wel betaald te worden. Wanneer dat niet in een keer kan kunt u daarvoor bij mij een betalingsregeling treffen. De hoogte van het bedrag kunnen wij samen bespreken, en een voorstel daarvoor zie ik graag van u tegemoet.
Mochten wij niet van u vernemen behoudt cliente zich het recht voor verdere maatregelen te nemen.
[…]”
2.9.
Op 6 januari 2025 heeft [gedaagde] een reactie naar de gemachtigde gestuurd en verzocht om uitstel in verband met persoonlijke omstandigheden. De gemachtigde heeft een dag later, op 7 januari 2025, het volgende geantwoord:
“[…]
Uitstel tot 23 januari 2025 is akkoord. Daarna willen wij concreet met u betalingsafspraken maken.
Vooruitlopend op uw verdere reactie het volgende. Destijds heeft u samen met familie de winkel bezocht en heeft dit familielid een aankoop gedaan. Op uw nadien uitgedraaide bon is per abuis: “betaald per pin” komen te staan, terwijl er niet gepind is. Cliente is bij u aan de deur geweest, heeft de tuinset zien staan en u heeft niet open gedaan. U heeft daarna niet meer gereageerd op telefonische verzoeken of aanmaningen. Pas na onze tussenkomst reageert u weer.
Mocht u een bewijs van betaling vinden zie ik dat graag tegemoet, dat is simpel uit de bank te draaien. Is deze er niet dient de zaak alsnog en volledig, inclusief kosten, te worden voldaan.
[…]”
2.10.
Op 21 januari 2025 volgt de volgende reactie van [gedaagde]:
“[…]
Het is een vreemd iets dat ze zeggen dat ze niet van mijn toestand wisten.
Mijn man is overleden en dat wisten ze ook.
Daarbij komt meneer [naam] ongevraagd bij mij achter het huis.
Dat is privacy, en hij doet dit zomaar ?
De heer [naam] heeft zelf een grote fout gemaakt en wil mij er mee opzadelen , dat is zeer onterecht.
Op uw nadien uitgedraaide bon is per abuis: “betaald per pin
Dit is dan contant voldaan in de zaak .
Hoe hun het dan hebben met de administratie weet ik dan niet.
Bijgevoegd is de bon van het tuinset wat meneer [naam] heeft zien staan achter mijn huis waar hij ongevraagd is geweest .
[…]”

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.500,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen staat vast dat er op 26 april 2022 een koopovereenkomst is gesloten, waarbij [gedaagde] samen met haar partner zes tuinstoelen van [eiseres] heeft gekocht voor een bedrag van € 1.500,00 inclusief btw. Partijen twisten over de vraag of de factuur al is betaald: volgens [eiseres] moet [gedaagde] de volledige € 1.500,00 nog betalen, maar volgens [gedaagde] is de factuur al (contant) betaald.
4.2.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij de factuur al heeft betaald gewezen op de mededeling op de factuur: “
Per Pin betaald in de winkel op 26-04-2022”.
4.3.
Daartoe heeft [gedaagde] onder meer een rekeningafschrift ingebracht, waaruit blijkt dat er op 16 april 2022 een bedrag van € 1.874,00 aan [eiseres] is betaald. [gedaagde] heeft daarna echter erkend dat het door haar ingebrachte rekeningafschrift verkeerd is, zodat de kantonrechter die niet zal meenemen in de beoordeling.
4.4.
De overige door beide partijen aangevoerde feiten en omstandigheden zorgen voor onduidelijkheid en roepen vragen op. Aangezien er vanwege de gezondheid van [gedaagde] (vooralsnog) geen mondelinge behandeling kan plaatsvinden om een en ander op te helderen, zal de kantonrechter beide partijen in de gelegenheid stellen hun stellingen bij akte toe te lichten. Hierna wordt uitgelegd van wie welke toelichting wordt verwacht en waarom.
[eiseres]
4.5.
De kantonrechter verzoekt [eiseres] om (nader) toe te lichten hoe de mededeling (dat er op 26 april 2022 in de winkel per pin is betaald) op de factuur van 29 december 2022 met factuurnummer [factuurnummer 1] is komen te staan. Haar uitleg over dat een familielid van [gedaagde] eerder een bestelling heeft gedaan en daardoor voornoemde mededeling per abuis op de betreffende factuur is opgenomen, terwijl die bestelling van dat familielid op 26 april
2024(zoals gesteld in de dagvaarding) is gedaan, roept eerder vragen op dan dat het zaken opheldert. Dat geldt ook voor het e-mailbericht van 19 mei 2023 van [eiseres] aan [gedaagde] (zoals opgenomen in rechtsoverweging 3.4). Die e-mail zorgt voor verwarring over de vraag waarom er op de factuur van december 2022 (met factuurnummer [factuurnummer 1]) de mededeling staat dat er per pin is betaald in de winkel op 26 april 2022, terwijl de factuur van 26 april 2022 (kennelijk) was gecrediteerd omdat levering niet mogelijk was. Ook is het niet duidelijk wat er precies bedoeld wordt met het ‘wegboeken van beide facturen’. Bovendien is de factuur van december 2022 (met factuurnummer [factuurnummer 1]) ondertekend met een handtekening, maar het is niet duidelijk wie dat heeft gedaan. De kantonrechter vraagt [eiseres] ook om opheldering over de vraag van wie die handtekening afkomstig is. Verder verzoekt de kantonrechter om duidelijkheid over de vraag waarom [eiseres] de stoelen aan [gedaagde] heeft geleverd terwijl [gedaagde] de stoelen nog niet (contant) betaald zou hebben. Dat lijkt niet erg logisch.
[gedaagde]
4.6.
De kantonrechter verzoekt [gedaagde] om zich bij akte uit te laten over haar mogelijkheden om de (contante) betaling te bewijzen, over hoe de contante betaling is gegaan, wie daarbij aanwezig waren, wie er heeft betaald, en wie de factuur van december 2022 (met factuurnummer [factuurnummer 1]) heeft ondertekend.
4.7.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Voor de onderstaande datum zal geen uitstel worden verleend (ambtshalve peremptoir).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
dinsdag 20 januari 2026(
ambtshalve peremptoir) voor het nemen van een akte door [eiseres] over wat is vermeld in rechtsoverweging 4.5. en [gedaagde] over wat is vermeld in rechtsoverweging 4.6. en
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.