Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord.
2.De feiten
Per Pin betaald in de winkel op 26-04-2022”
3.Het geschil
4.De beoordeling
Per Pin betaald in de winkel op 26-04-2022”.
2024(zoals gesteld in de dagvaarding) is gedaan, roept eerder vragen op dan dat het zaken opheldert. Dat geldt ook voor het e-mailbericht van 19 mei 2023 van [eiseres] aan [gedaagde] (zoals opgenomen in rechtsoverweging 3.4). Die e-mail zorgt voor verwarring over de vraag waarom er op de factuur van december 2022 (met factuurnummer [factuurnummer 1]) de mededeling staat dat er per pin is betaald in de winkel op 26 april 2022, terwijl de factuur van 26 april 2022 (kennelijk) was gecrediteerd omdat levering niet mogelijk was. Ook is het niet duidelijk wat er precies bedoeld wordt met het ‘wegboeken van beide facturen’. Bovendien is de factuur van december 2022 (met factuurnummer [factuurnummer 1]) ondertekend met een handtekening, maar het is niet duidelijk wie dat heeft gedaan. De kantonrechter vraagt [eiseres] ook om opheldering over de vraag van wie die handtekening afkomstig is. Verder verzoekt de kantonrechter om duidelijkheid over de vraag waarom [eiseres] de stoelen aan [gedaagde] heeft geleverd terwijl [gedaagde] de stoelen nog niet (contant) betaald zou hebben. Dat lijkt niet erg logisch.
5.De beslissing
dinsdag 20 januari 2026(
ambtshalve peremptoir) voor het nemen van een akte door [eiseres] over wat is vermeld in rechtsoverweging 4.5. en [gedaagde] over wat is vermeld in rechtsoverweging 4.6. en