De rechtbank Overijssel behandelt de ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Sr tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van invoer van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. De officier van justitie vordert een bedrag van €648.289,18 als wederrechtelijk verkregen voordeel, terwijl de verdediging dit betwist en een nulbedrag vordert vanwege testladingen, hogere kosten en beperkte rol van de veroordeelde.
De rechtbank baseert zich op het bewezenverklaarde vonnis en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. Er zijn vijf containers met cocaïne ingevoerd via vier zendingen tussen december 2020 en januari 2022. De rechtbank gaat uit van gemiddeld 45 kilogram cocaïne per container en hanteert de in het rapport genoemde prijzen en kosten. De rol van de veroordeelde wordt geschat op tien procent van het totale voordeel van €4.853.516,83, wat neerkomt op €485.351,68.
De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn met twee maanden en past een vermindering van €5.000 toe op de betalingsverplichting. Rekening houdend met vaste jurisprudentie wordt geen matiging toegepast vanwege draagkracht, omdat geen bewijs is dat de veroordeelde geen draagkracht heeft of zal hebben. De betalingsverplichting wordt vastgesteld op €480.351,68. Tevens wordt de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1080 dagen.
Het vonnis is gewezen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.