In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingsprocedure tegen een veroordeelde die betrokken was bij de invoer van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 480.351,68 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank oordeelt dat op basis van de wettige bewijsmiddelen aannemelijk is dat de veroordeelde voordeel heeft genoten van de door hem ingevoerde cocaïne en zijn rol binnen de criminele organisatie. De officier van justitie had een hoger bedrag van € 648.289,18 gevorderd, maar de rechtbank heeft dit bedrag verlaagd na beoordeling van de draagkracht en de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank heeft vastgesteld dat de veroordeelde een uitvoerende en coördinerende rol had en dat hij recht heeft op 10% van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel, dat is berekend op € 4.853.516,83. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, wat heeft geleid tot een vermindering van de betalingsverplichting met € 5.000, --. De beslissing is genomen op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, dat de mogelijkheid biedt om wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen.