ECLI:NL:RBOVE:2025:7606

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
08-181957-25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzetverkrachting van een verstandelijk beperkte jongeman tijdens de Almelose Ruiterdagen

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van opzetverkrachting. De zaak vond plaats in Almelo, waar de verdachte en het slachtoffer, een verstandelijk beperkte jongeman, aanwezig waren tijdens de Almelose Ruiterdagen. De verdachte, die als jurylid fungeerde, had in de nacht van 14 op 15 juni 2025 seksuele handelingen verricht bij het slachtoffer terwijl deze sliep. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van de geestelijke beperking van het slachtoffer en dat hij de signalen van wilsonbekwaamheid heeft genegeerd. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. De verdediging pleitte voor vrijspraak, maar de rechtbank oordeelde dat er sprake was van opzetverkrachting. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en ambulante behandeling. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de benadeelde partij van € 5.483,08, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank benadrukte de ernst van het feit en de impact op het slachtoffer en zijn omgeving.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-181957-25 (P)
Datum vonnis: 23 december 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1962 op [geboorteplaats],
nu verblijvende in de P.I. [locatie].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
9 december 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. K. Karapetyan, advocaat in Hengelo, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de namens [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring, de door zijn moeder voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partij door mr. L. Cassese, advocaat in Almelo, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 16 september 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte (
primair) [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) heeft verkracht, dan wel (
subsidiair) hem heeft aangerand.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij in of omstreeks de periode van 14 juni 2025 tot en met 15 juni 2025 te Almelo, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen en/of heen en weer bewegen van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond en/of
- het betasten en/of heen en weer bewegen van de penis van die [slachtoffer],
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 14 juni 2025 tot en met 15 juni 2025 te Almelo, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het brengen en/of heen en weer bewegen van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond en/of
- het betasten en/of heen en weer bewegen van de penis van die [slachtoffer],
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde opzetverkrachting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft de ontbrekende wil van [slachtoffer] – die kan worden aangenomen omdat hij sliep – voor lief genomen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Hoewel het seksuele contact door verdachte wordt erkend, kan niet worden bewezen dat verdachte wist dat [slachtoffer] wilsonbekwaam was. Aan het dubbele vereiste – inhoudende dat vast moet staan dat het slachtoffer leed aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of stoornis van zijn geestvermogen waardoor hij niet of onvolkomen in staat was zijn wil omtrent seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken en daartegen weerstand te bieden én dat verdachte wist van die geestestoestand en het daaruit voortvloeiende wilsgebrek – is niet voldaan.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
In juni 2025 vinden de Almelose Ruiterdagen plaats. Verdachte is daar aanwezig als jurylid bij wedstrijden en [slachtoffer] als vrijwilliger. Met toestemming van zijn ouders en de begeleiders van de woongroep van [slachtoffer], mag hij in de nacht van 14 op 15 juni 2025 in een tent blijven slapen op het terrein bij de Almelose Ruiterdagen. Verdachte stemt ermee in als aanspreekpunt voor [slachtoffer] te fungeren.
Die nacht, na zijn verblijf in de feesttent, voelt [slachtoffer] zich niet goed en belt hij verdachte. Ze lopen samen naar de tent van verdachte en [slachtoffer] valt op enig moment in die tent in slaap. Verdachte gaat vervolgens bij [slachtoffer] liggen, brengt hij zijn hand naar de penis van [slachtoffer] en begint hij hem af te trekken. Hierna pijpt verdachte [slachtoffer]. Terwijl deze handelingen gaande zijn, wordt [slachtoffer] wakker en ziet dat verdachte hem pijpt. Hierna verlaat [slachtoffer] de tent en schakelt hij hulp in van aanwezigen op het terrein en vertelt wat hem is overkomen. Enkele uren later wordt verdachte aangehouden.
De overwegingen van de rechtbank
- Seksueel binnendringen
Primair is opzet- dan wel schuldverkrachting ten laste gelegd. Voor een bewezenverklaring van verkrachting is vereist dat de seksuele handelingen (mede) hebben bestaan uit het binnendringen van het lichaam. In deze zaak is de penis van [slachtoffer] binnengedrongen in het lichaam van verdachte. In de vernieuwde zedenwetgeving, die op deze zaak van toepassing is, wordt onder degene die met een persoon seksuele handelingen verricht op grond van artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) onder andere ook verstaan degene die een persoon seksuele handelingen laat verrichten met diegene. Hierdoor vallen onder de reikwijdte van verkrachting ook gedragingen die bestaan uit het door een slachtoffer seksueel binnendringen van het lichaam van de dader. De feitelijkheden vallen daarmee in de sfeer van de primair ten laste gelegde opzet- en schuldverkrachting.
- Ontbrekende wil en wetenschap
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen heeft verricht die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij
- al dan niet in voorwaardelijke zin - wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Minst genomen zal van voorwaardelijk opzet sprake zijn bij het eenvoudigweg negeren of voor lief nemen van duidelijk waarneembare verbale of fysieke signalen van de ander die blijk geven van een negatieve, een non-responsieve of passieve opstelling van die ander, bij het negeren van duidelijke signalen van wilsonvrijheid bij de ander als gevolg van geestelijk of lichamelijk onvermogen dan wel als gevolg van een door een functioneel of hiërarchisch verband bepaalde ongelijkwaardige relatie, bij onverhoeds gedrag of bij het gebruik van dwang, geweld of bedreiging.
In artikel 244 Sr is bepaald dat bij een persoon in ieder geval de wil tot het verrichten of ondergaan van seksuele handelingen ontbreekt als diegene in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert of een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap heeft dat deze niet of onvolkomen in staat is een wil te bepalen of kenbaar te maken over de seksuele handelingen of daartegen weerstand te bieden. Elk onvermogen tot een vrije positieve wilsuiting bij de ander vereist dat wordt afgezien van seksueel contact.
[slachtoffer] sliep toen verdachte de seksuele handelingen bij hem verrichtte en verkeerde daarmee in een staat van verminderd bewustzijn en lichamelijke onmacht, waardoor zowel in verbale als in fysieke zin geen vrije positieve wilsuiting mogelijk was. De rechtbank stelt dan ook vast dat de wil tot seksuele handelingen bij [slachtoffer] ontbrak. Ten aanzien van de vraag of verdachte wetenschap had van die ontbrekende wil en dus opzettelijk handelde overweegt de rechtbank dat geen sprake is van vol opzet, omdat [slachtoffer] zijn onwil niet kenbaar heeft kunnen maken. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] sliep. Door toch over te gaan tot de seksuele handelingen heeft verdachte de signalen van wilsonvrijheid van [slachtoffer] als gevolg van geestelijk of lichamelijk onvermogen en de ontbrekende wil van [slachtoffer] genegeerd en voor lief genomen. Er is dan ook sprake van voorwaardelijk opzet. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde, met dien verstande dat sprake is van opzetverkrachting, wettig en overtuigend bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in
of omstreeksde periode van 14 juni 2025 tot en met 15 juni 2025 te Almelo,
althans in Nederland,met
een persoon, te weten[slachtoffer],
een of meerseksuele handelingen die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen en
/ofheen en weer bewegen van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond en
/of- het betasten en
/ofheen en weer bewegen van de penis van die [slachtoffer],
terwijl hij, verdachte, wist
, althans ernstige reden had om te vermoedendat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 243 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: opzetverkrachting.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling en meewerken aan middelencontrole. Ook het vermijden van contact met jongens in de door de reclassering genoemde leeftijdsgroepen moet als bijzondere voorwaarde worden opgenomen, met dien verstande dat de voorwaarde zo moet worden geformuleerd dat verdachte geen direct contact mag zoeken met jongens uit deze leeftijdsgroepen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om het contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, waarbij de vervangende hechtenis wordt bepaald op 14 dagen per overtreding. De officier van justitie heeft gevorderd de dadelijke uitvoerbaarheid van het reclasseringstoezicht en de maatregel te bevelen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij de strafbepaling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals het verlies van werk en woning.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich als destijds zestigjarige man schuldig gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer], een twintigjarige verstandelijk beperkte jongeman. [slachtoffer] mocht in de nacht van 14 op 15 juni 2025 voor het eerst alleen in een tent blijven slapen en de ouders en begeleiders van [slachtoffer] hebben alles gedaan wat in hun macht lag om het verblijf zo goed mogelijk voor te bereiden en te laten verlopen. Verdachte was van het bestaan van de beperking van [slachtoffer] op de hoogte; hij kende [slachtoffer] al geruime tijd, wist dat [slachtoffer] in een woongroep verbleef en de begeleidster van [slachtoffer] had die avond met verdachte afgesproken dat hij als aanspreekpunt voor [slachtoffer] een oogje in het zeil zou houden. Een positie die hij, gelet op een veroordeling voor een zedenfeit in 1997, de destijds gevolgde zedenbehandeling en zijn seksuele voorkeur, niet had moeten aannemen. Ook daarna heeft verdachte op meerdere momenten de keuze gemaakt zich niet te verwijderen uit de situatie, terwijl hij de rode vlaggen had moeten herkennen vanuit zijn verleden. In tegendeel, verdachte heeft op grove wijze misbruik gemaakt van zijn positie. Hij heeft vanuit zijn lustgevoelens gehandeld en is voorbij gegaan aan de ongelijkwaardigheid die op alle gebieden tussen hem en [slachtoffer] bestond. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan. Uit de voorgelezen slachtofferverklaringen is gebleken welke impact het feit heeft op [slachtoffer] en zijn omgeving. [slachtoffer] heeft angsten en een wantrouwen tegenover mannen ontwikkeld. Verder slaapt hij slecht en voelt hij agressie en woede. Ook binnen het gezin van [slachtoffer] zijn de gevolgen merkbaar en is het vertrouwen geschaad.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 3 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor strafbare feiten. In 1997 is verdachte veroordeeld voor een zedendelict met een minderjarige jongen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 27 oktober 2025, opgesteld door E. Dobbelsteen, GZ-psycholoog en psychotherapeut. Hierin is te lezen dat verdachte een langdurige en aanhoudende seksuele voorkeur heeft voor jongens in de midden tot laat puberale leeftijd (circa 15 tot 18 jaar). In de DSM-5 valt dit beeld in de categorie ‘Andere gespecificeerde parafiele stoornis’. Hoewel tijdens het ten laste gelegde sprake was van alcoholintoxicatie waarbij (volgens verdachte) gedragsveranderingen en ontremmingen optraden, blijkt geen sprake van structureel problematisch middelengebruik. Verdachte had ondanks de parafiele stoornis en alcoholintoxicatie naar het oordeel van de psycholoog voldoende mogelijkheden om zijn wil in vrijheid te bepalen. Verdachte is in het dagelijks leven niet bekend met impulscontrole-problemen en is eerder veroordeeld voor ontucht waarvoor hij behandeling heeft gevolgd, zodat hij zich bewust had kunnen zijn van de risico’s. Zijn handelen lijkt vooral ingegeven door het volgen van driften en behoefte aan intimiteit, terwijl hij op meerdere momenten andere keuzes had kunnen maken (bijvoorbeeld het afwijzen van de begeleidersrol, het niet drinken van alcohol of het voorkomen van lichamelijke toenadering). Het advies is om het ten laste gelegde volledig aan verdachte toe te rekenen. Er wordt een gemiddeld risico op recidive gezien. Dit betekent dat de kans op seksuele recidive binnen vijf jaren op ongeveer zeven tot acht procent wordt ingeschat. Met strafoplegging en toezicht kan dit risico afnemen. Er zijn beschermende factoren aanwezig zoals een gemiddelde intelligentie, voldoende copingvaardigheden en het accepteren van toezicht. Gedragskundige interventies worden niet geadviseerd. Het advies is om bij strafoplegging toezicht door de reclassering op te leggen en daarnaast de toegang tot kwetsbare personen te beperken door het weigeren of intrekken van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG).
De rechtbank onderschrijft de overwegingen en conclusies van de deskundige over de vaststelling van de gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis en de mate van toerekenbaarheid en neemt deze over.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 17 november 2025. De reclassering rapporteert het volgende. Verdachte is eerder veroordeeld voor een zedendelict en heeft daarvoor behandeling gevolgd, maar geeft zelf te kennen destijds geen volledige openheid te hebben gegeven. Omdat sprake is van een gemiddeld risico op recidive en verdachte onvoldoende heeft geprofiteerd van eerdere zedenbehandeling, is behandeling gericht op zedenproblematiek en psychosociaal functioneren geïndiceerd. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een contact- en locatieverbod, het meewerken aan middelencontrole en het vermijden van contact met minderjarigen/jongens in de midden tot laat puberale leeftijd. Geadviseerd wordt om de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht te bevelen.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In beginsel is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor langere duur gerechtvaardigd gezien de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat in de hiervoor gemaakte overwegingen meerdere strafverzwarende omstandigheden rondom het bewezenverklaarde naar voren komen. Hij heeft binnen de hiervoor geschetste omstandigheden op grove wijze misbruik gemaakt van een kwetsbare jongeman. De rechtbank acht het van belang dat verdachte opnieuw wordt behandeld voor zijn (zeden)problematiek en verdachte heeft verklaard dat hij hiertoe gemotiveerd is. Het risico op herhaling moet zo minimaal mogelijk worden gemaakt. De rechtbank ziet dan ook reden een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren. De rechtbank zal aan dit voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden meldplicht en ambulante behandeling koppelen, zoals door de reclassering geadviseerd. Zowel het intrekken of weigeren van een VOG zoals door de psycholoog geadviseerd, als het vermijden van contact met jongens in de door de reclassering genoemde leeftijdsgroepen zijn geen uit te voeren en te controleren voorwaarden. De rechtbank is echter wel van oordeel dat verdachte beperkt moet worden in de mogelijkheid tot contact met deze doelgroep. De rechtbank zal daarom bepalen dat als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat verdachte geen (vrijwilligers)werk mag verrichten met minderjarige jongens en jongens in de midden- tot laat puberale leeftijd.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen.
Contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr
Tot slot acht de rechtbank een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen in de vorm van een contact- en locatieverbod, zoals hierna beschreven. De rechtbank kiest er in onderhavige zaak niet voor dergelijke verboden op te leggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde, zodat een eventuele overtreding van bijzondere voorwaarden en tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel de verboden intact laat. De rechtbank legt de maatregel op voor de duur van vijf jaren en beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van veertien dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij de totale duur van de vervangende hechtenis zes maanden kan bedragen.
De rechtbank is van oordeel dat ook de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.483,08, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- eigen risico € 69,06
- reis- en parkeerkosten € 126,06
- agressietraining (zes keer) € 225,00
- slaapmiddelen € 62,96
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 5.000,00 gevorderd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom geheel toewijzen tot een bedrag van € 5.483,08, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop uitspraak wordt gedaan in deze zaak.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 62 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 38w Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair, het misdrijf: opzetverkrachting
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 5 (vijf) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 5 (vijf) jarende navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- zich laat behandelen door Transfore of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start op een nader te bepalen moment. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen en in kaart te brengen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Indien uit controles blijkt dat behandeling gericht op verslavingsproblematiek geïndiceerd is werkt verdachte mee aan behandeling hiervoor.
- geen (vrijwilligers)werk aanvaardt of verricht met minderjarige jongens en jongens in de midden- tot laat puberale leeftijd, waarbij verdachte zich ook anderszins onthoudt van de begeleiding van, het accepteren van (juridische) verantwoordelijkheid voor en/of het toezicht houden op voornoemde categorie jongens;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt aan de verdachte op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van
5(
vijf) jaren;
- beveelt dat de verdachte gedurende 5 jaren op geen enkele wijze – direct of
indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer];
- beveelt dat de verdachte zich gedurende 5 jaren niet in de gemeente Almelo zal bevinden;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door
14 (veertien) dagenhechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- beveelt dat deze maatregel
dadelijk uitvoerbaaris, omdat er ernstig rekening mee moet
worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich
belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
schadevergoeding
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 5.483,08,te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2025;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 5.483,08, (zegge: vijfduizend vierhonderd drieëntachtig euro en acht cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat
gijzelingvoor de duur van
62 dagenkan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en
mr. M.S. de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025278849. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 december 2025, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik was op 14 juni 2025 bij de Twentse Ruiterdagen in Almelo. Ik weet dat ik de penis van [slachtoffer] heb aangeraakt. Ik heb hem afgetrokken of erin geknepen. Ik ontken niet dat ik [slachtoffer] heb gepijpt.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 23 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 176):
V: Hoe heb je hem precies afgetrokken?
A: Door in zijn penis te knijpen iedere keer en met mijn hand heen en weer te gaan.
(…)
V: Wat was [slachtoffer] aan het doen,
A: Sliep, (…).
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 15 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 14):
Mijn zoon [slachtoffer] is seksueel misbruikt door [verdachte] . Het is op zondag 15 juni 2025 tussen 01:15 en 02:15 gebeurd bij de manege waar de ruiterdagen van Almelo plaatsvinden.
4. Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor van [slachtoffer] van 17 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 27 - 28):
Ik ging mee naar de tent van [verdachte] . Ik was moe en viel in slaap met mijn onderbroek aan. Het begon met aftrekken en het velletje ging naar beneden en dat deed een beetje pijn en daarom werd ik wakker. Ik voelde dat zijn hand aan mijn piemel zat en ik voelde dat deze ook een beetje heen en weer ging. Ik zag dat hij bezig was met mijn piemel af te trekken en te zuigen. Hij ging met zijn lippen om mijn hele piemel. Het was tegen mijn zin in.
5. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek persoon van 15 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 118-119):
Wij hebben het forensisch medisch onderzoek uitgevoerd en acht bemonsteringen genomen van het genitale gebied. Het volgende spoor werd in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:
Spoornummer: PL0600-2025278849-236561
SIN: [code]
Wijze veiligstellen: Zedenkit
Datum/tijd veiligstellen: 15 juni 2025 om 09:30 uur
Plaats veiligstellen: Aan lichaam slachtoffer [slachtoffer]
Bijzonderheden: 8x bemonstering genitale gebied
[Afbeelding]
[Afbeelding]
Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Intituut van 16 juli 2025, opgemaakt door forensisch deskundige [verbalisant], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 138-140):
[Afbeelding]
Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
[code] (penishuid (nat))
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.
DNA-profiel [code] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte], dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.