ECLI:NL:RBOVE:2025:7711

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/08/340929 / JE RK 25-1873
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing in een omgangszaak met betrekking tot een minderjarige

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Overijssel op 2 december 2025 een beschikking gegeven in een omgangszaak betreffende een minderjarige, hierna te noemen [minderjarige]. De zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming Overijssel, de gecertificeerde instelling (GI), om bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing die op 1 oktober 2025 was gegeven. De vader van [minderjarige] verleent geen medewerking aan de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige], wat zorgwekkend is voor de ontwikkeling van het kind. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de vader onvoldoende uitvoering geeft aan de eerder gegeven beschikking van 9 juli 2025, waarin de omgangsregeling was vastgesteld. De kinderrechter heeft de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd, met uitzondering van het gedeelte dat betrekking heeft op de periode waarin de moeder in Irak verbleef. De kinderrechter oordeelt dat het in het belang van [minderjarige] is dat de vader zijn medewerking verleent aan de omgangsregeling, zodat het contact tussen [minderjarige] en haar moeder kan worden gewaarborgd. De beslissing is openbaar uitgesproken en er staat geen hoger beroep open tegen deze eindbeslissing.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/340929 / JE RK 25-1873
Datum uitspraak: 2 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Zwolle,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader], hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 2] namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 1], gezinshulpverlener vanuit Budle Zorgt.
1.4.
De moeder en de vader, zijn hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op de mondelinge behandeling.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 26 juli 2026.
2.4.
De GI heeft op 1 oktober 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
“U draagt er zorg voor dat [minderjarige] omgang heeft met haar moeder. Voor de tijd dat moeder in Irak verblijft (vanaf 26 augustus 2025 voor de duur van een maand) stelt u [minderjarige] in de
gelegenheid om met moeder te kunnen beeldbellen onder begeleiding met betrokken
jeugdbeschermers en/of hulpverleners.
Wanneer moeder terug is uit Irak draagt u er zorg voor dat [minderjarige] volgens de gegeven
beschikking omgang kan hebben met haar moeder. U draagt er eveneens zorg voor dat u
meewerkt aan een plan om zelf ook te gaan voorzien in het halen/brengen van [minderjarige] van en
naar [woonplaats 1] voor de omgang van [minderjarige] met haar moeder.
Daarnaast wordt er verwacht dat u medewerking verleent aan de in te zetten hulp van Budle
Zorgt om [minderjarige] uit de klempositie te halen waarin ze nu tussen u als ouders zit.”

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 1 oktober 2025. De GI licht toe dat de vader niet meewerkt aan de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder zoals bepaald in de beschikking van 9 juli 2025. Daardoor komt het contact tussen de moeder en [minderjarige] niet van stand. Dat is zorgelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] omdat zij met de huidige gang van zaken vervreemd dreigt te raken van de moeder. De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing zodat de omgangsregeling wordt nageleefd en het recht van [minderjarige] op omgang met haar moeder wordt gewaarborgd.
3.2.
Ter zitting heeft de GI toegelicht dat de vader inmiddels weer meegewerkt heeft aan tweemaal begeleide omgang tussen [minderjarige] en moeder. Ook is Budle zorgt inmiddels sinds drie weken betrokken. De GI verzoekt wel om bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing, omdat deze laatste ontwikkelingen heel pril en fragiel zijn.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is niet verschenen op de mondelinge behandeling. Ze heeft haar zienswijze niet op een andere wijze naar voren gebracht.
4.2.
De vader is niet verschenen op de mondelinge behandeling. Hij heeft zijn zienswijze niet op een andere wijze naar voren gebracht.

5.De beoordeling

Het wettelijk kader
5.1.
De GI kan ter uitvoering van haar taak een schriftelijke aanwijzing geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. [1] De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouders of de minderjarige niet instemt met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet, of indien dit noodzakelijk is om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. De met het gezag belaste ouder of de minderjarige volgt de schriftelijke aanwijzing op. [2] De GI kan de kinderrechter verzoeken om de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. [3]
5.2.
De schriftelijke aanwijzing wordt beschouwd als een besluit in de zin van
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb. De kinderrechter zal daarom beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. De schriftelijke aanwijzing moet het doel van de ondertoezichtstelling dienen en in het belang van de minderjarige zijn.
Ontvankelijkheid van het verzoek
5.3.
De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of de gecertificeerde instelling ontvankelijk is in haar verzoek. De gecertificeerde instelling heeft de vader op 1 oktober 2025 de schriftelijke aanwijzing gestuurd en heeft op 13 november 2025 een verzoek tot bekrachtiging van deze schriftelijke aanwijzing bij de rechtbank ingediend. Aan de minimale termijn van twee weken tussen het uitreiken van de schriftelijke aanwijzing aan de vader en het indienen van het verzoek bekrachtiging schriftelijke aanwijzing is voldaan. De kinderrechter zal de gecertificeerde instelling dan ook in haar verzoek ontvangen.
De inhoudelijke beoordeling5.4. Op basis van de stukken en de zitting kan naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing worden bekrachtigd.
5.5
Bij beschikking van 9 juli 2025 is een verdeling van de zorg- en opvoedtaken opgesteld tussen de moeder en [minderjarige] . De vader verleent niet dan wel onvoldoende uitvoering aan deze beschikking. Sinds 23 juli 2025 heeft er lange tijd namelijk geen omgang plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige] . Nu één van de doelen in het plan, als bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid van de Jeugdwet, is dat [minderjarige] het fijn heeft met de beide ouders en van beiden mag houden zonder last te hebben van hun ruzies, levert de vader onvoldoende medewerking aan de uitvoering van het plan. De kinderrechter is daardoor van oordeel dat de GI de vader een schriftelijke aanwijzing mocht geven. De schriftelijke aanwijzing betreft de uitvoering van de taak van de GI en heeft betrekking op de opvoeding en verzorging van [minderjarige] .
5.6
Thans dient beoordeeld te worden of de GI de bevoegdheid tot het geven van een schriftelijke aanwijzing op een juiste manier heeft aangewend. Naar het oordeel van de kinderrechter heeft de GI zich bij het geven van de schriftelijke aanwijzing gehouden aan de wettelijke regels. Zo heeft zij een vooraankondiging gestuurd waarin is uitgelegd wat de redenen zijn voor het afgeven van de schriftelijke aanwijzing. En bij het geven van de schriftelijke aanwijzing is geen beginsel van behoorlijk bestuur geschonden.
5.7
Nu [minderjarige] en de moeder geen omgang hebben kan [minderjarige] de band die zij met haar moeder heeft niet verder uitbreiden. Daarnaast kan ze zich niet spiegelen aan de moeder en dat heeft gevolgen voor haar identiteitsontwikkeling. Het is dan ook belangrijk dat de vader zijn medewerking gaat verlenen aan hetgeen bepaald is in de beschikking van 9 juli 2025 en de doelen die zijn bepaald in het plan van aanpak. Dit is in het belang van [minderjarige] . De vader wordt daarom opgeroepen om mee te werken aan de concrete naleving van de schriftelijke aanwijzing.
5.8
Daar lijkt inmiddels een voorzichtige start mee te zijn gemaakt sinds de betrokkenheid van de gezinshulpverlener van Budle Zorgt en de recente omgangsmomenten tussen moeder en [minderjarige] . Hoewel de kinderrechter dit een goed signaal vindt is het op dit moment nog te pril om de huidige situatie zonder de bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing voort te laten duren.
5.9
De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing daarom bekrachtigen met uitzondering van het gedeelte dat gaat over de periode dat de moeder in Irak zat. Nu de moeder alweer enige tijd in Nederland verblijft heeft de GI geen belang meer bij bekrachtiging van dit gedeelte.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 1 oktober 2025 met uitzondering van het gedeelte dat gaat over de periode dat de moeder in Irak zit.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025 door
mr. D.E. Schaap, kinderrechter, in aanwezigheid van M.E. Sijnstra, griffier, en op schrift gesteld op 16 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [4]

Voetnoten

1.Artikel 1:263, eerste lid, BW.
2.Artikel 1:263, tweede lid, BW.
3.Artikel 1:263, derde lid, BW.
4.Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).