De rechtbank Overijssel behandelde op 23 december 2025 het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, die sinds 22 oktober 2025 gedetineerd is. De gevangenhouding was bevestigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De officier van justitie verzette zich tegen het verzoek.
De rechtbank constateerde dat de gronden voor voorlopige hechtenis, waaronder recidive en eerdere veroordelingen in Ierland, Frankrijk en Spanje, onverminderd van kracht zijn. Een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv, was nog niet aan de orde. Daarom werd het verzoek tot opheffing afgewezen.
Wel werd het verzoek tot schorsing toegewezen, omdat het persoonlijke belang van verdachte, met name het voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin, zwaarder woog dan het belang van voortzetting van de hechtenis. Het recidivegevaar kon worden beperkt doordat verdachte een baan had gevonden en bereid was een waarborgsom van €5.000 te betalen. Ook bood verdachte aan schadevergoeding aan gedupeerden te betalen, wat zijn inzicht in het laakbare handelen toont.
De rechtbank schorst de voorlopige hechtenis onder strikte voorwaarden, waaronder medewerking aan identificatie, geen strafbare feiten plegen, verschijnen op oproepen en adreswijzigingen melden. De schorsing gaat in na betaling van de waarborgsom aan het CJIB.
Deze beslissing werd genomen door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel, met drie rechters en een griffier aanwezig.