De rechtbank Overijssel heeft op 24 december 2025 besloten tot verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige tot 16 maart 2026. Dit besluit volgt op een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, die de noodzaak van gedwongen hulpverlening handhaaft vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie.
De moeder kampt met forse alcoholproblematiek die de thuissituatie voortdurend op scherp zet. Er zijn meldingen van escalaties, conflicten en het niet naleven van veiligheidsafspraken. Daarnaast zijn er grote zorgen over de hygiëne en veiligheid in de woning, waaronder het alleen laten van het kind zonder valbeveiliging. De vader staat welwillend tegenover hulpverlening en draagt de zorg grotendeels alleen, maar wordt zwaar belast door de problematiek.
De gecertificeerde instelling (GI) is het niet eens met de verlenging en pleit voor eerst vrijwillige hulpverlening, maar de kinderrechter oordeelt dat zonder medewerking van de moeder dit traject geen kans van slagen heeft. De voorlopige ondertoezichtstelling wordt daarom als noodzakelijk gezien als vangnet voor de vader en als maatregel voor de moeder. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer binnen het gedwongen kader blijft essentieel om de veiligheid en ontwikkeling van het kind te waarborgen.
De kinderrechter wijst het verzoek van de raad toe en bepaalt tevens een mondelinge behandeling op 4 maart 2026 voor een eventueel verzoek tot ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.