De rechtbank Overijssel heeft op 11 februari 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde was veroordeeld voor het misdrijf witwassen. De officier van justitie vorderde de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van een betalingsverplichting aan de Staat.
De rechtbank baseerde haar oordeel op een kasopstelling van de politie over de periode van 1 januari 2011 tot 17 september 2019, waaruit bleek dat de veroordeelde meer contant geld had uitgegeven dan legaal beschikbaar was, met een negatief kasverschil van €113.987. Dit bedrag werd als het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld.
De rechtbank legde de betalingsverplichting tot dit bedrag op aan de veroordeelde en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen. Hoewel er sprake was van een schending van de redelijke termijn, achtte de rechtbank deze voldoende gecompenseerd door matiging van de straf in de hoofdzaak. De vordering tot ontneming werd gelijktijdig met de strafzaak behandeld en toegewezen.