Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De bewijsmotivering
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van verdachte
28 januari 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet recent is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank houdt op de voet van artikel 63 Sr Pro rekening met een aan verdachte op 4 oktober 2024 opgelegde strafbeschikking, een geldboete van € 280,--.
7.De schade van benadeelde
€ 5.000,-- (vijfduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
feit 2, het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden;
10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
bijzondere voorwaardendat verdachte:
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 5000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 60 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Gottemaker, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.