ECLI:NL:RBOVE:2025:955

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
19 februari 2025
Zaaknummer
11498571 \ CV EXPL 25-206
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 556 lid 1 RvBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming woning en betaling huurachterstand toegewezen

De eiser verhuurt een woning aan de gedaagde, die een aanzienlijke huurachterstand heeft opgebouwd van €10.740,65 tot en met december 2024. De eiser vordert in kort geding dat de gedaagde wordt veroordeeld de woning te ontruimen en de achterstallige huur, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten, te betalen.

De zitting vond plaats op 11 februari 2025, waarbij de gedaagde niet is verschenen. De rechtbank verleent verstek en overweegt dat de vordering spoedeisend en gegrond is. Gezien de omvang van de huurachterstand acht de rechtbank aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden en ontruiming zal worden bevolen.

De rechtbank veroordeelt de gedaagde om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen en te verlaten, en om een bedrag van €13.091,05 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente over de huurachterstand vanaf 15 januari 2025. Tevens wordt een maandelijkse vergoeding van €724,73 opgelegd zolang de woning niet wordt ontruimd. De buitengerechtelijke incassokosten van €879,97 worden als redelijk beoordeeld. De kosten van de procedure worden aan de gedaagde opgelegd.

De rechtbank wijst het verzoek om een machtiging voor gedwongen ontruiming door de eiser zelf af, omdat de wet voorschrijft dat dit door een deurwaarder moet geschieden. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen 14 dagen en betaling van de huurachterstand met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 11498571 \ CV EXPL 25-206
Vonnis in kort geding van 18 februari 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. J.F. Vanhommerig,
advocaat te Enschede,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen noch vertegenwoordigd.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.1.
de namens [eiser] betekende dagvaarding van 3 februari 2025, waarbij [eiser] een vordering heeft ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening en [gedaagde] heeft opgeroepen ter zitting in kort geding te verschijnen.
1.2.
De vordering is behandeld ter zitting van dinsdag 11 februari 2025.
[eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Vanhommerig.
Tegen de niet verschenen [gedaagde] is verstek verleend.
1.3.
[eiser] heeft zijn standpunt laten toelichten door zijn gemachtigde, die daarbij gebruik heeft gemaakt van pleitaantekeningen.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] verhuurt aan [gedaagde] de woning, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres], doch feitelijk c.q. plaatselijk bekend als [adres], laatstelijk tegen een huurprijs van € 724,73 per maand.
2.2.
[gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan van € 10.740,65, berekend tot en met de maand december 2024.

3.Het geschil - de beoordeling

3.1.
Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen.
3.2.
[eiser] vordert - samengevat - dat [gedaagde] wordt veroordeeld de door hem gehuurde woning te ontruimen en te verlaten. [eiser] vordert voorts dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van € 10.740,65, te vermeerderen met een bedrag van € 1.470,43 aan tot 15 januari 2025 verschenen wettelijke rente en een bedrag van € 879,97 aan buitengerechtelijke kosten.
3.3.
De vordering komt de kantonrechter voldoende spoedeisend voor en niet onrechtmatig of ongegrond en zal daarom worden toegewezen. Gelet op de hoogte van de huurachterstand is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst van partijen zal worden ontbonden en [gedaagde] zal worden veroordeeld tot ontruiming van de woning, onder gelijktijdige veroordeling tot betaling van de huurachterstand, vermeerderd met de hierover verschuldigde wettelijke rente. De termijn waarbinnen de woning door [gedaagde] zal moeten zijn ontruimd zal de kantonrechter vaststellen op 14 dagen na betekening van dit vonnis. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 879,97 is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en worden geacht redelijk te zijn.
3.4.
De kantonrechter acht geen grond aanwezig om ook de mede gevorderde machtiging aan [eiser] om de ontruiming zo nodig zelf, door het ministerie van een deurwaarder met behulp van Justitie en Politie uit te doen voeren, toe te wijzen, nu deze niet op de wet berust. Artikel 556 lid 1 Rv Pro schrijft voor dat een gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. De deurwaarder zelf heeft geen rechterlijke machtiging nodig om de hulp van de sterke arm in te roepen.
3.5.
[gedaagde] zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de (na)kosten van deze procedure worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde van [eiser] vastgesteld op een bedrag van € 1.824,14, als volgt gespecificeerd:
dagvaardingskosten € 146,14;
griffierecht € 732,00;
salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten x € 406,00);
nakosten
€ 134,00;
totaal € 1.824,14‬.

4.De beslissing in kort geding

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de woning met aanhorigheden, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres], doch feitelijk c.q. plaatselijk bekend als [adres] te Enschede, met al de zijnen en het zijne te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking aan [eiser] te stellen;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 13.091,05, vermeerderd met de wettelijke rente over € 10.740,65 vanaf 15 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 724,73, voor iedere maand, te rekenen vanaf 1 januari 2025, zolang [gedaagde] in gebreke blijft met ontruiming van het gehuurde, een gedeelte van een maand te rekenen voor een hele.
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.824,14‬;
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
4.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, op 18 februari 2025.