Partijen zijn voormalig echtgenoten die gehuwd waren onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding. De kern van het geschil betreft de vraag of partij B aan partij A een bedrag van €14.671 moet betalen op grond van een door haar ondertekend rapport met een uitwerking van het verrekenbeding over 2014.
Partij B stelt dat zij het rapport onder dwaling of misbruik van omstandigheden heeft ondertekend en beroept zich op vernietiging van de overeenkomst. Zij kreeg een bewijsopdracht om dit te onderbouwen, maar slaagde hier niet in. Uit getuigenverklaringen blijkt dat het rapport buiten partij B om tot stand kwam en dat zij alleen de laatste pagina ter ondertekening kreeg, zonder uitleg over de inhoud.
De rechtbank oordeelt echter dat partij B het rapport ook bij volledige kennis en zonder druk redelijkerwijs zou hebben ondertekend, mede omdat eerdere jaren ook waren verrekend en de schuld slechts met €2.952 was toegenomen. De vordering tot betaling wordt daarom toegewezen, inclusief wettelijke rente vanaf 4 april 2023. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Partij B wordt veroordeeld in de proceskosten.