ECLI:NL:RBOVE:2026:1050

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
08.229834.25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 314a SvArt. 359 SvArt. 361 SvArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling diefstal horloge met beperkte straf

De rechtbank Overijssel heeft op 26 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging tot doodslag, zware mishandeling en diefstal. De rechtbank sprak verdachte vrij van de poging tot doodslag en zware mishandeling omdat onvoldoende medische informatie en bewijs ontbraken om opzet en de ernst van het letsel vast te stellen.

Wel werd verdachte veroordeeld voor diefstal van een horloge, een feit dat hij bekend had. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het horloge met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had weggenomen. De straf die werd opgelegd was een gevangenisstraf van één week, met aftrek van de tijd in voorarrest.

De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en het advies van de reclassering, die het volwassenstrafrecht toepaste vanwege het gedrag en de leeftijd van verdachte. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden werden deels toegewezen; alleen de reparatiekosten van het horloge werden toegewezen, terwijl andere vorderingen werden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde dat gijzeling bij niet-betaling niet zal worden toegepast. De uitspraak werd gewezen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag en zware mishandeling, maar veroordeeld voor diefstal tot een gevangenisstraf van één week met beperkte schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.229834.25 (P)
Datum vonnis: 26 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] (Syrië),
geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 februari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. L.E. de Rode, advocaat in Zutphen, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) door mr. D. Leijssen is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, na aanpassing van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van 12 februari 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:primair heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven, dan wel subsidiair hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel meer subsidiair heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
feit 2:een horloge van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) heeft gestolen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Hardenberg, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherpvoorwerp en/of puntig voorwerp, in de (onder)rug, in elk geval in zijn lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat
voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Hardenberg, althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door een of meerdere malen met een mes, althans een puntig voorwerp, in diens (onder)rug, althans lichaam te steken en/of te snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Hardenberg, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp voorwerp en/of puntig voorwerp, in de (onder)rug, in elk geval in zijn lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Hardenberg, althans in Nederland, een horloge, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
De rechtbank overweegt hiertoe dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat er door verdachte met een voorwerp een verwonding is aangebracht in de rug van [slachtoffer 1]. Op basis van het dossier kan echter niet worden vastgesteld welk voorwerp door verdachte is gebruikt, met hoeveel kracht dit voorwerp is gehanteerd, op welke plek in de rug [slachtoffer 1] exact is geraakt en welk gevolg de handeling van verdachte had kunnen hebben. Bij gebrek aan deze informatie is niet te beoordelen in hoeverre er een kans is geweest op overlijden van en/of zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] en in hoeverre verdachte daar opzet op heeft gehad.
Het dossier bevat geen medische informatie over de aard en de ernst van het letsel bij [slachtoffer 1]. Er zijn geen foto’s van het letsel direct nadat het was toegebracht en ook is er geen letselbeschrijving noch een interpretatie. Zwaar lichamelijk letsel is daarom evenmin bewezen.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen [1] , behoudens het hierna te bespreken verweer van de raadsman.
het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 februari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van verhoor verdachte van 31 augustus 2025, pagina 130;
het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] van 31 augustus 2025, pagina 16-17.
Oogmerk om zich wederrechtelijke toe te eigenen
De verdachte heeft verklaard dat hij zag dat het horloge bij iemand afviel, dat hij het toen van de grond heeft opgeraapt en dat hij het horloge voor zichzelf wilde houden. Hij heeft het horloge ook bij zich gehouden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het oogmerk had om zich het horloge wederrechtelijk toe te eigenen.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
2
hij in
of omstreeksde periode van 30 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Hardenberg,
althans in Nederland,een horloge
, in elk geval enig goed,dat
/ deleaan [slachtoffer 2]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 310 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
het misdrijf:
diefstal.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, uitgaande van een veroordeling voor poging doodslag.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een horloge
.Tijdens een worsteling zag hij dat iemand het horloge verloor, hij zag het horloge op de grond liggen en heeft het horloge toen opgeraapt om het zelf te houden. Hiermee heeft de verdachte aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendom. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte van 20 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in 2024 tweemaal voor vermogensdelicten is veroordeeld door de kinderrechter tot (deels) voorwaardelijke straffen. Ten tijde van het bewezenverklaarde feit liep verdachte in de proeftijden van deze twee veroordelingen.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 12 november 2025, van [naam], reclasseringswerker bij GGZ Tactus Verslavingszorg. Hieruit volgt dat er bij verdachte sprake is van instabiliteit op alle leefgebieden. Verdachte heeft geen onderdak, geen werk, een negatief sociaal netwerk, schulden, een alcoholprobleem en er spelen mogelijk ook problemen op het gebied van zijn psychisch functioneren. De reclassering concludeert dat door het ontbreken van een rechtmatige verblijfsvergunning het niet mogelijk is om reclasseringstoezicht uit te voeren. De reclassering schat het risico op herhaling in als hoog. De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen, nu er geen sprake is van schoolgang en verdachte bij zijn kalenderleeftijd passend gedrag vertoond. De rechtbank neemt deze conclusie over en zal het volwassenstrafrecht toepassen. De reclassering adviseert een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf of maatregel
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van één week met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7.De schade van benadeelden

7.1
De vordering van de benadeelde partijen
7.1.1
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 4.349,08, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- kleding € 204,94;
- medische kosten € 26,14;
- daggeld ziekenhuis € 38,00.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 4.080,00 gevorderd.
7.1.2
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 118,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- jas € 114,99;
- horloge reparatie € 3,50.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld dat het materiële deel in zijn geheel toewijsbaar is en het immateriële deel moet worden gematigd naar € 2.500,00 en voor het overige deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de reparatiekosten van € 3,50 toewijsbaar zijn en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] primair op het standpunt gesteld dat deze afgewezen moeten worden, althans niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
7.4.1
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De vordering van [slachtoffer 1] heeft betrekking op het onder 1 ten laste gelegde. Omdat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
7.4.2
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer 2]. De opgevoerde kosten voor het repareren van het horloge van € 3,50 zijn door de verdachte niet betwist en de rechtbank acht deze kosten ook aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 3,50 dan ook toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Nu er geen rechtstreeks verband is tussen de opgevoerde kosten voor de reparatie van de jas van € 114,99 en het bewezenverklaarde feit (diefstal horloge), zal de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze kostenpost niet-ontvankelijk verklaren.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
De rechtbank bepaalt het aantal dagen gijzeling bij niet betaling op 0 (nul) dagen.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 63 Sr Pro.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair, subsidiair meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 2, het misdrijf:
diefstal;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) week;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij
[slachtoffer 1](feit 1) in het geheel
niet-ontvankelijkis in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2](feit 2) toe tot een bedrag van
€ 3,50(
drie euro en vijftig cent);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2) van een bedrag van € 3,50
(bestaande uit materiële schadevergoeding),te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2025;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 3,50(
drie euro en vijftig cent),te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 0 (nul) dag kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel, bestaande uit materiële schade van € 114,99 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. J. de Ruiter en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025419006. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.