ECLI:NL:RBOVE:2026:1059

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_1010 en 1011
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6.1 bestemmingsplan Buitengebied Hof van TwenteArt. 4.6.2 bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen verlening omgevingsvergunningen voor aanplant hagen op essenlandschap

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen twee besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente, waarbij omgevingsvergunningen zijn verleend voor het aanleggen van meidoornhagen op grootschalige escomplexen op een landgoed. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze vergunningen en voert meerdere beroepsgronden aan.

De rechtbank stelt vast dat het college de vergunningen heeft verleend met het voorschrift dat de hagen jaarlijks moeten worden teruggesnoeid tot een maximale hoogte van één meter, waardoor de openheid van het essenlandschap behouden blijft. De rechtbank oordeelt dat dit voorschrift voldoende waarborg biedt tegen blijvende aantasting van het landschap en dat het college zich terecht heeft gebaseerd op het advies van de gemeentelijke groenbeheerder.

Verder wijst de rechtbank de bezwaren van eiser af die betrekking hebben op vermeende gevaren voor koeien en bedreiging van de biodiversiteit, omdat deze aspecten niet binnen het beoordelingskader van het bestemmingsplan vallen. De beroepen worden ongegrond verklaard, waardoor de vergunningen in stand blijven en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De beroepen tegen de verlening van de omgevingsvergunningen voor het aanleggen van hagen zijn ongegrond verklaard en de vergunningen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1010 en 25/1011
uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente

(gemachtigde: T.A. Huisken en B.R.R. Tousain).
Als derde-partij neemt deel aan dit geding:
[derde belanghebbende], uit [vestigingsplaats].

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een tweetal omgevingsvergunningen van 7 juni, respectievelijk 8 juli 2024, voor het aanleggen van hagen aan de [adres 1] aan [derde belanghebbende] (hierna: [derde belanghebbende]) door het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college). Eiser [eiser] (hierna: [eiser]) is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college heeft kunnen besluiten om de omgevingsvergunningen te verlenen
.[eiser] krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met de bestreden besluiten van 5 februari 2025 op de bezwaren van [eiser] is het college bij de besluiten van 7 juni en 8 juli 2024 waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het aanleggen van hagen aan de [adres 1] gebleven.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De rechtbank heeft [derde belanghebbende] in de gelegenheid gesteld om als derde-partij deel te nemen aan deze zaken.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- eiser [eiser],
- namens het college T.A. Huisken en B.R.R. Tousain,
- namens [derde belanghebbende] [naam 1], [naam 2] en [naam 3].

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3.1.
[derde belanghebbende] is eigenaar van een kasteel in [vestigingsplaats] en een daarbij bijbehorend landgoed. Het landgoed omvat grote delen van het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Tot het landgoed behoren onder meer boerderijen en andere gebouwen. Een deel van de agrarische gronden die tot het landgoed behoren wordt door [derde belanghebbende] verpacht. [eiser] pacht gronden in het buitengebied van [plaats] van [derde belanghebbende].
3.2.
In januari 2022 is op verzoek van [derde belanghebbende] een landschapsontwikkelingsplan (hierna: LOP) opgesteld voor het beheer en de ontwikkeling van het landgoed. In het LOP wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende landschapstypen. Een van de landschapstypen die voorkomen op het landgoed zijn grootschalige escomplexen die gekenmerkt worden door grote open ruimten. Een van deze gebieden is de [adres 1]. In het LOP wordt, voor zover hier van belang, geopperd om langs de paden op de grootschalige escomplexen lage meidoornhagen aan te planten. De bedoeling is dat deze meidoornhagen beschutting zullen bieden aan bepaalde diersoorten waaronder de patrijs en dat de hagen het open landschap aantrekkelijker zullen maken voor recreanten. [derde belanghebbende] is vervolgens begonnen met de aanplant van meidoornhagen op aan haar toebehorende gronden aan de [adres 1].
3.3.
Op 16 mei 2024 heeft [derde belanghebbende] aanvragen om verlening van omgevingsvergunningen voor het legaliseren van reeds aangeplante hagen en voor het aanplanten van hagen op de [adres 1] gedaan. Bij besluit van 7 juni 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het “het legaliseren aanleg haag [adres 1] aan de [adres 1] (nabij de [adres 2]) in [plaats], kadastraal bekend [vestigingsplaats], [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 2]”. Bij besluit van 8 juli 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor “het aanleggen van een haag’ aan de [adres 1] (nabij [adres 3], [adres 2] en [adres 4]) in [plaats], kadastraal bekend [vestigingsplaats], [kadastrale aanduidingen 3]”. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de verlening van deze omgevingsvergunningen. Aan de verleende omgevingsvergunningen is het voorschrift verbonden dat de hagen jaarlijks moeten worden onderhouden en moeten worden teruggesnoeid naar een maximale hoogte van één meter.
3.4.
Bij de bestreden besluiten van 5 februari 2025 heeft het college de bezwaren van [eiser] ongegrond verklaard. Het beroep met nummer 25/1010 richt zich tegen het besluit waarbij het bezwaar tegen de omgevingsvergunning van 8 juli 2024 ongegrond is verklaard. Het beroep met nummer 25/1011 richt zich tegen het besluit waarbij het bezwaar tegen de omgevingsvergunning van 7 juni 2024 ongegrond is verklaard.
Inhoudelijke beoordeling
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat beide beroepen die [eiser] heeft ingesteld betrekking hebben op besluiten waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor de aanleg van hagen in verschillende delen van de [adres 1]. Omdat het toetsingskader in beide zaken gelijk is, zal de rechtbank beide besluiten die zijn genomen gezamenlijk beoordelen.
4.2.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat hij het advies van de Commissie Bezwaarschriften (hierna: de Commissie) niet van het college heeft gehad. Volgens het college is het advies van de Commissie wel degelijk aan [eiser] toegezonden. De rechtbank kan niet vaststellen of het college het advies van de Commissie wel of niet heeft toegezonden aan [eiser]. Wat hier verder ook zij, vaststaat dat [eiser] later alsnog een kopie van dit advies van de rechtbank heeft gehad. [eiser] heeft hiervan dan ook alsnog kennis kunnen nemen en hij heeft voldoende tijd gehad om hierop in de gronden van zijn beroep te kunnen reageren. Voor gegrondverklaring van het beroep om deze reden bestaat dan ook geen aanleiding.
4.3.
Op de gronden waarop de hagen zijn gesitueerd is het voormalige bestemmingsplan ‘Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2021’ (hierna: het bestemmingsplan), dat deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, van toepassing. Voor deze gebieden geldt, voor zover hier van belang, de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – openheid’. Op grond van het bepaalde in artikel 4.6.1, aanhef en onder b, van de planregels bij het bestemmingsplan is het aanbrengen van hoogopgaande beplanting en/of houtopstanden zonder omgevingsvergunning verboden. Op grond van het bepaalde in artikel 4.6.2 van de planregels is vergunningverlening onder voorwaarden mogelijk. Een omgevingsvergunning hiervoor wordt geweigerd indien door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.
4.4.
Naar aanleiding van de stelling van [eiser] dat de aanplant van de hagen blijvend onevenredig afbreuk doet aan het (grootschalige) essenlandschap op de [adres 1] is van belang dat aan de omgevingsvergunning het voorschrift is verbonden dat de hagen jaarlijks moeten worden teruggesnoeid naar een hoogte van maximaal één meter. Door dit voorschrift wordt voorkomen dat het zicht over het weidse landschap op de [adres 1] wordt beperkt. De openheid van het essenlandschap is daarmee voldoende gewaarborgd. Het college heeft zich bij de besluitvorming kunnen baseren op het advies van de gemeentelijke adviseur groenbeheer hieromtrent. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
4.5.
[eiser] heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de meidoornhagen een gevaar vormen voor zijn koeien omdat meidoorns scherpe doorns hebben, die in het gras/voer terecht kunnen komen. Ook kunnen deze hagen volgens [eiser] een bedreiging voor de biodiversiteit vormen omdat de hagen het voor reeën moeilijker maken om zich vrij over de [adres 1] te verplaatsen. De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze stellingen dat deze aspecten geen deel uitmaken van het beoordelingskader zoals dat geldt op grond van artikel 4.6.1 en 4.6.2 van de planregels bij het bestemmingsplan. Het gaat daarbij immers enkel om de openheid van het landschap. Hiermee kon het college bij de beoordeling van de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning voor de afwijking van het bestemmingsplan dan ook geen rekening houden. Op de vraag of de meidoornhagen daadwerkelijk een bedreiging vormen voor koeien en op de vraag of de hagen het reeën moeilijker maken om zich te verplaatsen over de [adres 1] gaat de rechtbank om die reden dan ook niet inhoudelijk in.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven en [derde belanghebbende] de vergunningen voor de aanplant van hagen behoudt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. van der Weij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op .
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.