ECLI:NL:RBOVE:2026:1060

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_1012
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 4.6.1 planregels bestemmingsplan Buitengebied Hof van TwenteArt. 4.6.2 planregels bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering handhaving tegen meidoornhagen na verlening legaliserende omgevingsvergunning

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente om niet handhavend op te treden tegen meidoornhagen die door een derde belanghebbende zijn aangeplant op gronden behorende tot een landgoed. Eiser betwistte dit besluit en voerde meerdere beroepsgronden aan.

De rechtbank stelt vast dat het college aanvankelijk weigerde handhavend op te treden omdat er concreet zicht was op legalisatie, aangezien de derde belanghebbende een aanvraag voor een omgevingsvergunning had ingediend. Ten tijde van het bestreden besluit was deze vergunning verleend, waardoor geen sprake meer was van een overtreding van de Omgevingswet en het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelt dat het college op goede gronden heeft geweigerd handhavend op te treden en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tevens verwijst de rechtbank naar de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot handhaving is ongegrond verklaard omdat een legaliserende omgevingsvergunning was verleend.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1012
uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente

(gemachtigde: T.A. Huisken en B.R.R. Tousain).
Als derde-partij neemt deel aan dit geding:
[derde belanghebbende], uit [vestigingsplaats] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om handhavend op te treden tegen meidoornhagen die door [derde belanghebbende] (hierna: [derde belanghebbende] ) zijn aangeplant op gronden die behoren tot de [adres] . [eiser] is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op goede gronden heeft geweigerd om handhavend op te treden tegen de meidoornhagen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 5 februari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de weigering van 23 mei 2024 om handhavend op te treden tegen meidoornhagen op de [adres] gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft [derde belanghebbende] in de gelegenheid gesteld om als derde-partij deel te nemen aan deze zaken.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- eiser [eiser] ,
- namens het college T.A. Huisken en B.R.R. Tousain,
- namens [derde belanghebbende] [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3.1.
[derde belanghebbende] is eigenaar van een kasteel in [vestigingsplaats] en een daarbij bijbehorend landgoed. Het landgoed omvat grote delen van het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Tot het landgoed behoren onder meer boerderijen en andere gebouwen. Een deel van de agrarische gronden die tot het landgoed behoren wordt door [derde belanghebbende] verpacht. [eiser] pacht gronden in het buitengebied van [adres] van [derde belanghebbende] .
3.2.
In januari 2022 is op verzoek van [derde belanghebbende] een landschapsontwikkelingsplan (hierna: LOP) opgesteld voor het beheer en de ontwikkeling van het landgoed. In het LOP wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende landschapstypen. Een van de landschapstypen die voorkomen op het landgoed zijn grootschalige escomplexen die gekenmerkt worden door grote open ruimten. Een van deze gebieden is de [adres] . In het LOP wordt, voor zover hier van belang, geopperd om langs de paden op de grootschalige escomplexen lage meidoornhagen aan te planten. De bedoeling is dat deze meidoornhagen beschutting zullen bieden aan bepaalde diersoorten waaronder de patrijs en dat de hagen het open landschap aantrekkelijker zullen maken voor recreanten. [derde belanghebbende] is vervolgens begonnen met de aanplant van meidoornhagen op aan haar toebehorende gronden op de [adres] .
3.3.
Op 14 maart 2024 heeft [eiser] het college verzocht om handhavend op te treden tegen de aangeplante hagen op de [adres] . Op 16 mei 2024 heeft [derde belanghebbende] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ter legalisering van de aangeplante hagen ingediend. Met het primaire besluit van 23 mei 2024 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden omdat sprake was van concreet zicht op legalisatie. Bij het bestreden besluit heeft het college de weigering om handhavend op te treden gehandhaafd.
Inhoudelijke beoordeling
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat handhavend kan worden opgetreden als sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift. Verder kan, ondanks dat sprake is van een overtreding, van handhaving worden afgezien als concreet zicht op legalisatie bestaat.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, op 5 februari 2025, een omgevingsvergunning was verleend voor de hagen ten aanzien waarvan [eiser] had verzocht om handhavend optreden. Omdat hiervoor een legaliserende omgevingsvergunning was verleend, was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen sprake meer van overtreding van artikel 5.1 van de Omgevingswet in samenhang met de artikelen 4.6.1 en 4.6.2 van de planregels bij het voormalige bestemmingsplan ‘Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2021’ (hierna: het bestemmingsplan), dat deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
Ten tijde van het primaire besluit tot weigering van handhavend optreden, was weliswaar wel nog sprake van een overtreding, maar kon het college afzien van handhaving omdat concreet zicht op legalisering van de overtreding bestond. [derde belanghebbende] had op dat moment namelijk een aanvraag gedaan om alsnog de benodigde omgevingsvergunning te verkrijgen.
4.3.
Bij uitspraak van vandaag in de zaken met de nummers 25/1010 en 25/1011 heeft de rechtbank het door [eiser] ingestelde beroep tegen het handhaven van de verlening van de legaliserende omgevingsvergunning ongegrond verklaard.
4.4.
Het college heeft al met al op goede gronden geweigerd om handhavend op te treden tegen de zonder de benodigde vergunning aangeplante meidoornhagen op de [adres] .

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op .
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.