ECLI:NL:RBOVE:2026:1098

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_3208 tu
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over herstel gebrekkige vaststelling arbeidsongeschiktheid door UWV

Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het UWV heeft zijn arbeidsongeschiktheid per 2 december 2024 vastgesteld op minder dan 35%, waardoor hij geen uitkering ontvangt. Eiser stelt dat zijn psychische gezondheidssituatie verslechterd is en dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn klachten, mede doordat hij sinds mei 2024 geen adequate medische behandeling ontvangt.

De rechtbank constateert dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd, omdat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met de feitelijke onmogelijkheid van eiser om medische informatie over de datum in geding te overleggen. De rechtbank wijst op het belang van een nadere expertise om de psychische problematiek van eiser te onderzoeken.

De rechtbank beveelt het UWV aan om binnen twaalf weken het gebrek te herstellen door middel van een nieuwe beoordeling op basis van een expertise en stelt een termijn van twee weken voor het UWV om te melden of het gebruik maakt van deze herstelmogelijkheid. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het UWV een nieuwe expertise uit te voeren en de arbeidsongeschiktheid opnieuw vast te stellen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3208 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen Heerlen, verweerder (het UWV)
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

1.1.
Het UWV heeft met het besluit van 20 maart 2025 eisers mate van arbeidsongeschiktheid op 2 december 2024 vastgesteld op 33,84% en aan eiser vanaf die datum geen WIA-uitkering toegekend. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiser heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op
2 december 2024 vastgesteld op 30,15% en de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV.

Overwegingen

Feiten
2.1.
Eiser werkte vanaf 1 februari 2022 als assistent teamleider logistiek bij Nabuurs Logistiek B.V. voor gemiddeld 35,56 uur per week. Eiser heeft zich op 5 december 2022 ziek gemeld. Op 31 december 2023 is het dienstverband met Nabuurs Logistiek B.V. beëindigd. Vanaf 2 januari 2024 ontving eiser een uitkering op grond van de Ziektewet.
2.2.
Eiser heeft op 2 september 2024 een WIA-uitkering aangevraagd. Met een besluit van 13 december 2024 heeft het UWV aan eiser vanaf 2 december 2024 een voorschot op een WIA-uitkering toegekend. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
Standpunt UWV
3. Het UWV heeft geweigerd om aan eiser vanaf 2 december 2024 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens het UWV op die datum minder dan 35% (30,15%) arbeidsongeschikt was. Het UWV heeft dit gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. De UWV-arts heeft een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin de beperkingen van eiser zijn vastgelegd. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd die eiser met zijn beperkingen nog kan verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het maatmanloon en de maatmanomvang gewijzigd en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies gehandhaafd. Met de middelste van de drie functies met het hoogste loon kan eiser 30,15% verdienen van het loon dat hij had voordat hij ziek werd, zodat het UWV hem minder dan 35% arbeidsongeschikt acht.
Standpunt eiser
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een WIA-uitkering.
4.1.
Eiser stelt dat het UWV geen rekening heeft gehouden met zijn huidige gezondheidssituatie. Hij vindt de verzekeringsgeneeskundige beoordeling oppervlakkig en onbetrouwbaar. Eiser begrijpt niet dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage in het bestreden besluit is gewijzigd van 33,84% naar 30,15%, terwijl zijn gezondheidssituatie alleen maar slechter is geworden en hij geen medische behandeling heeft gehad. Het is moeilijk te verenigen met medische zorgvuldigheid dat herstel en arbeidsgeschiktheid worden verondersteld, terwijl eiser gedurende een lange periode niet onder behandeling staat en geen medische ondersteuning ontvangt.
4.2.
Eiser is na een zelfmoordpoging in Polen behandeld. Na zijn terugkeer naar Nederland heeft hij nog geen goede behandeling gekregen. Medicatie die eiser in Polen voorgeschreven had gekregen werkte niet meer. Vanaf juli 2024 is hij met de medicatie gestopt. De huisarts is niet bevoegd de noodzakelijke medicijnen voor te schrijven. Eisers gezondheidssituatie wordt alleen maar slechter. Ondanks diverse pogingen om hulp te krijgen, ontvangt hij nog steeds geen specialistische (medicamenteuze) behandeling. Eiser benadrukt dat hij sinds mei 2024 geen enkele medische behandeling of begeleiding meer ontvangt, ondanks herhaalde verzoeken en eerdere toezeggingen van betrokken instanties. Hierdoor is het voor hem feitelijk onmogelijk om nieuwe medische stukken aan te leveren. Het ontbreken van recente documentatie is derhalve niet het gevolg van nalatigheid van eisers kant, maar van het ontbreken van toegang tot medische zorg. Het ontbreken van behandeling is niet het gevolg van een eigen keuze, maar van structurele tekortkomingen binnen het zorg- en uitvoeringssysteem, waarvan eiser herhaaldelijk melding stelt te hebben gemaakt.
4.3.
Eiser is van mening dat zijn medische problemen onvoldoende zijn betrokken bij de beoordeling van zijn arbeidsvermogen. Eiser stelt dat hij door fysieke en psychische klachten niet in staat is om te werken. Daarnaast heeft langdurige blootstelling aan discriminatie aantoonbare negatieve gevolgen gehad voor zijn psychische gezondheid en zijn maatschappelijke participatie. Eisers psychische gezondheidstoestand beperkt zijn functioneren in het dagelijks leven, zijn vermogen om arbeid te verrichten en tevens zijn mogelijkheid om zelfstandig en structureel naar een werkplek te reizen. Volgens het laatste advies van zijn arts mag eiser vanwege concentratieproblemen en bijwerkingen van de medicijnen niet zelfstandig een voertuig besturen. Verder kan eiser door zijn klachten geen gebruik maken van het openbaar vervoer en kan hij niet verblijven in grote groepen met mensen. Dit beperkt eisers mobiliteit en maakt het voor hem onmogelijk om buitenshuis te werken.
4.4.
Eiser voert verder aan dat hij, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, de laatste zes maanden geen enkele concrete werkaanbieding heeft ontvangen.
4.5.
Eiser heeft in beroep medische informatie overgelegd.
Reactie UWV
5. Het UWV heeft zijn standpunt gehandhaafd en dit onderbouwd met een nader rapport van 7 januari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Bespreking geschil
Het geschil
6.1.
In geschil is of het UWV terecht eisers mate van arbeidsongeschiktheid per
2 december 2024 heeft vastgesteld op minder dan 35%. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Verzekeringsgeneeskundig onderzoek
6.2.
Van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt uit de rapporten van
10 februari 2025 en 28 augustus 2025. Een verzekeringsarts heeft het rapport van
10 februari 2025 van een UWV-arts getoetst en akkoord bevonden. Het rapport van
28 augustus 2025 is van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De UWV-arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben het dossier van eiser bestudeerd. Zij hebben met eiser gesproken. Eiser heeft verteld over zijn situatie op het moment van de spreekuren op
3 februari 2025 en 28 augustus 2025. Eiser heeft gesproken over zijn klachten en belemmeringen, zijn manier van leven en zijn dagverhaal. De UWV-arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben eiser geobserveerd en hem psychisch onderzocht. Zij hebben alle (medische) informatie, waaronder ook het medicijngebruik, bij hun beoordeling betrokken.
6.3.
Bij eiser is een depressie en een paranoïde persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Eiser is van 19 februari 2024 tot en met 6 mei 2024 in Polen opgenomen geweest vanwege een suïcidepoging. In juni 2024 was hij weer terug in Nederland en heeft de huisarts hem verwezen naar transculturele therapie. Eiser staat echter nog op een wachtlijst.
6.4.
De UWV-arts heeft overwogen dat eiser zich weet te redden in het dagelijks leven, maar dat hij hierbij wel tegen problematiek aanloopt. Eiser komt weinig buiten en onderneemt weinig activiteiten. Bij eiser is sprake van vermoeidheid, die zich niet uit in slaapbehoefte overdag. Ook heeft eiser te maken met somberheid en kan hij niet genieten van dingen waar hij dit vroeger wel kon. Eiser kan wel voor zichzelf zorgen en krijgt ook deels hulp van zijn omgeving. De geclaimde klachten en belemmeringen passen volgens de UWV-arts bij de aandoeningen en komen ook consistent naar voren tijdens anamnese, dagverhaal en observaties tijdens het spreekuur. De UWV arts merkt ook op dat eiser achterdocht uit richting de tolk, de bedrijfsarts, de huisarts en instanties in Nederland. De UWV-arts overweegt dat eiser nog verdere behandeling moet krijgen, maar dat het voor nu nog voldoende aannemelijk is dat sprake is van beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren.
6.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt dat eiser al lange tijd bekend is met psychische klachten. De psychische impact die discriminatie op eiser heeft gehad en de psychische aandoening vormen ziekte/gebrek waaruit beperkingen voortkomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aan de eerder opgestelde FML een beperking toegevoegd.
6.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met het rapport van 7 januari 2026 op de beroepsgronden gereageerd. Hij heeft overwogen dat de nadere (medische) informatie niet leidt tot een andere inschatting van de belastbaarheid van eiser. De informatie was al bekend, bevat geen aanvullende of wezenlijke medische gegevens, of betreft geen informatie waarmee bij de schatting rekening moet worden gehouden.
6.7.
Bij de door eiser overgelegde documenten bevindt zich ook een behandelplan van
12 maart 2025 van het psychiatrisch ziekenhuis in Polen, waar eiser eerder opgenomen is geweest. Daarin staat dat sprake is van een nieuwe klacht, auto-agressie. In de brief van
12 maart 2025 schrijft de psychiater ook dat, hoewel eiser geen suïcidale gedachten zegt te hebben, het niveau van de auto-agressie duidt op een risico van een mogelijke suïcidepoging in de nabije toekomst indien er geen specialistische zorg en aangepaste medicatie worden geboden. De psychiater merkt op dat advies uit het ontslagrapport van de vorige ziekenhuisopname na terugkeer in Nederland niet is opgevolgd.
6.8.
Uit een brief van 17 april 2025 blijkt dat eiser van zijn zorgverzekeraar geen vergoeding krijgt voor behandeling in Polen.
6.9.
Volgens het rapport van 7 januari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt uit de brief van de Poolse psychiater niet dat de klachten anders zijn dan eerder door de UWV-arts is besproken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er tevens op dat de brief niet evident ziet op de datum in geding, 2 december 2024. Daarbij merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat eiser deze stap heeft genomen kort voor de opname en niet in december of al voor het spreekuur van de UWV-arts.
6.10.
Eiser heeft overtuigend toegelicht dat hij zijn best heeft gedaan om specialistische behandeling te krijgen. Sinds medio 2024 wacht hij daar echter nog op. Daarom is het voor eiser feitelijk onmogelijk om zijn medische gezondheidssituatie op de datum in geding,
2 december 2024, met medische informatie te onderbouwen.
6.11.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in dit geval onzorgvuldig is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had in deze onmogelijkheid van eiser aanleiding moeten zien om eisers psychische problematiek door middel van een expertise nader te laten onderzoeken. Dit geldt temeer nu uit de informatie van 12 maart 2025 blijkt dat de psychische klachten van eiser zich nog steeds voordoen en niet zijn verminderd. Daarbij merkt de rechtbank op dat de brief inderdaad niet is gedateerd op de datum in geding, maar dat hieruit ook niet blijkt dat de situatie op de datum
2 december 2024, ongeveer drie maanden eerder, beter was. Dat eiser zich in maart 2025 voor behandeling bij de Poolse psychiater heeft gemeld is onvoldoende om dit aan te nemen, zeker nu eiser in Nederland steeds tevergeefs op zoek is geweest naar specialistische behandeling.
Herstel gebrek
7.1.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het UWV de psychische problematiek van eiser op
2 december 2024 door middel van een expertise laten onderzoeken en met inachtneming van die informatie eisers mate van arbeidsongeschiktheid op 2 december 2024 opnieuw vaststellen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.
7.2.
Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
7.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.