ECLI:NL:RBOVE:2026:1135

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
11396119 \ CV EXPL 24-3645
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:661 BWArt. 6:203 BWArt. 6:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Curator vordert terugbetaling onrechtmatige declaraties en privé-uitgaven van voormalig werknemer na faillissement

De curator van het faillissement van [bedrijf] B.V. vordert dat de kantonrechter verklaart dat de privébetalingen en declaraties die [gedaagde] ten laste van de failliete onderneming heeft gebracht, onrechtmatig zijn en dat zij deze bedragen dient terug te betalen. Het geschil betreft een totaalbedrag van ruim € 41.000 aan declaraties en circa € 3.200 aan privé-uitgaven die door de curator als frauduleus worden aangemerkt.

[gedaagde] betwist de beschuldigingen en beroept zich op een vaststellingsovereenkomst met finale kwijting, alsmede op instemming van de toenmalige bestuurder met de declaraties en privé-uitgaven. De kantonrechter oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst niet ziet op de onrechtmatige declaraties en privé-uitgaven die niet onderwerp van gesprek waren.

De kantonrechter stelt vast dat een bedrag van € 7.144,91 aan declaraties onvoldoende is onderbouwd en veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling hiervan met rente. Ook verklaart de kantonrechter voor recht dat privé-uitgaven voor een cv-ketel, afvalcontainers en vuurwerkaccessoires onrechtmatig zijn en veroordeelt tot terugbetaling van € 3.218,48 met rente. De overige vorderingen van de curator worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs. De vorderingen van [gedaagde] tot schadevergoeding wegens beschadiging van eigendommen worden eveneens afgewezen.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling van € 7.144,91 aan onrechtmatige declaraties en € 3.218,48 aan privé-uitgaven met rente, wijst overige vorderingen af en wijst schadevergoeding vordering af.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 11396119 \ CV EXPL 24-3645
Vonnis van 3 maart 2026
in de zaak van
mr. drs. Nick Johan Herman LEFERINK,
kantoorhoudende te Hengelo (O) ,
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf] B.V.,
eiser, hierna te noemen: de curator,
gemachtigde: mr. N.J.H. Leferink , advocaat te Hengelo (O) ,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. Roose, verbonden aan Fyner Juridische Dienstverlening B.V.,
kantoorhoudende te Tilburg.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het vonnis in het incident van 11 maart 2025;
 de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie;
 de mondelinge behandeling d.d. 11 augustus 2025 waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden. Van de zijde van de curator is een pleitnota, tevens akte houdende eisvermindering, overgelegd;
 de akte uitlaten, tevens akte overleggen producties aan de zijde van de [gedaagde] ;
 de akte uitlaten aan de zijde van de curator.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald dat heden wordt uitgesproken.

2. De feiten

2.1. In aanvulling op de in voormeld vonnis reeds opgenomen feiten stelt de kantonrechter het volgende vast.
2.2. De besloten vennootschap [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]), was een onderneming die zich richtte op verduurzaming van bedrijven en panden door levering en plaatsing van zonnepanelen, warmtepompen, cv-ketels en kunststofkozijnen. Directeur en bestuurder was de heer [directeur] (hierna: [directeur] ). De partner van [gedaagde] , de heer [medeoprichter] (hierna: [medeoprichter] ), was ook werkzaam bij [bedrijf]. [medeoprichter] had samen met [directeur] de vennootschap onder firma die de rechtsvoorgangster was van [bedrijf] opgericht en had afspraken gemaakt met [bedrijf] om op termijn een deel van de aandelen over te nemen.
2.3. Kort voor het faillissement van de onderneming op 23 juni 2023, is een conflict ontstaan tussen enerzijds [bedrijf] en anderzijds [medeoprichter] en [gedaagde] naar aanleiding van een e-mailbericht dat is verzonden aan klanten van [bedrijf]. In dit anonieme emailbericht werd gewaarschuwd voor de slechte financiële situatie van de onderneming. Op 12 mei 2023 zijn zowel [medeoprichter] als [gedaagde] op staande voet ontslagen. Nadien hebben partijen met hun gemachtigden onderhandeld en is van de zijde van [bedrijf] door de gemachtigde het volgende bericht gestuurd:
“(…) Thans bevestig ik de tussen partijen gesloten overeenkomst ten aanzien van de beëindiging van het dienstverband met uw cliënten. U heeft de regeling al in uw brief van 19 mei 2023 verwoord.
In het navolgende worden de punten van de regeling nog een keer uiteengezet:
 Einddatum dienstverband 1 juni 2023;
 Ontslag op staande voet wordt ingetrokken;
(…)
 Het bedrag van de rekening-courant ad € 36.089,76, zoals uit de administratie en de boeken blijkt wordt niet ingevorderd en wordt verrekend;
 Partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting;
(…)
Cliënte stelt voor beide werknemers een vaststellingsovereenkomst op waarvan u binnenkort het concept zult ontvangen.
De privé eigendommen kunnen worden opgehaald, daartoe overleggen partijen onderling en maken daarvoor een afspraak”.
2.4. Bij email van 1 juni 2023 heeft de gemachtigde van [bedrijf] bericht dat het gesprek over de regeling niet wordt voorgezet vanwege de slechte financiële situatie van het bedrijf en dat het ontslag op staande voet om die reden wordt gehandhaafd. Van de zijde van [gedaagde] en [medeoprichter] is hiertegen op 16 juni 2023 geprotesteerd en de stelling ingenomen dat tussen partijen overeenstemming is bereikt zodat het [bedrijf] niet vrijstaat terug te komen op de gemaakte afspraken.
2.5. Bij brief van 28 juni 2023 heeft de curator een ontslagbrief gestuurd naar [gedaagde] waarin de arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog bestaat, wordt opgezegd.
2.6. Bij brief van 4 augustus 2023 heeft de curator aan [gedaagde] onder meer het volgende meegedeeld:
“(…) In de administratie van de onderneming is mij een aantal zaken met betrekking tot uw persoon opgevallen. Zo is er sprake van aanzienlijke betalingen van de onderneming aan u, buiten het salaris om, zijn er facturen die op uw naam staan door de onderneming betaald, lijkt er door u te zijn gefraudeerd met SVN-leningen en dient u nog bedrijfseigendommen (laptop en telefoon) in te leveren. Ik licht dit in deze brief toe.

1.Betalingen/declaraties

Uit de bankafschriften van de onderneming is gebleken dat er In de loop der jaren regelmatig betalingen aan u zijn verricht door de onderneming. Het gaat in totaal om een bedrag ad € 41.031,80. (…).
Voor de twee mutaties bovenaan het overzicht (€ 1.047,00 en € 40,94) ontbreken onderliggende stukken In de administratie van [bedrijf]. Voor de overige betalingen geldt dat het lijkt te gaan om declaraties. Wij hebben deze declaraties in het boekhoudprogramma van de onderneming, Money Bird, opgezocht. Bijgaand zenden wij u de betreffende documenten toe (…) . Het valt op dat het hierbij uitsluitend gaat om declaratieformulieren, die (alleen) door uzelf zijn ondertekend. De bijbehorende onderliggende stukken (bv. facturen, kassabonnen) ontbreken echter en lijken niet te zijn geboekt. Het is (daarom) de vraag of deze onderliggende stukken er wel zijn (geweest). Ik verzoek u deze onderliggende stukken aan te leveren, inclusief het bewijs dat de desbetreffende kosten door u zijn gemaakt (bv. van uw bankrekening zijn afgeschreven) en inclusief de verantwoording waarom de desbetreffende kosten zakelijk gemaakt (zouden) zijn. Indien u deze stukken niet aanlevert c.q. indien deze stukken er niet (blijken) te zijn, zal ik deze bedragen, te vermeerderen met rente en kosten, van u terugvorderen.

2.Betalingen door de vennootschap ten behoeve van u

Aan de hand van de administratie van de vennootschap heb ik geconstateerd dat gedurende het afgelopen jaar kosten/facturen van uzelf (in privé) zijn betaald door de vennootschap. Het gaat om de volgende kosten:
Factuur van HM installaties B.V. aan u in privé met betrekking tot de vervanging van een
CV-ketel (…)
Er is een raamdecoratie ingekocht bij Raamdecoratie.com waarvan vervolgens een gedeelte is doorbelast aan u in privé. (…)
Er is een afvalbak besteld voor uw woonadres bij “Rode Bak”, naar het lijkt niet voor het eerst. (…). Onderstaand de afschrijving van de bankrekening van [bedrijf] B.V., waaruit blijkt dat deze factuur op 8 juni 2022 door de vennootschap is betaald.
(…)
Er is een gereedschapset ingekocht bij Gereedschapcentrum.nl, maar deze is bij u thuis afgeleverd. (…)
Er is een laptop in gekocht bij CoolBlue, maar deze is bij u thuis afgeleverd.(…)
Er zijn vuurwerkaccessoires ingekocht bij Stotz, maar deze zijn bij u thuis afgeleverd.(…)
Er is een Monvelli Indoor IP Camera ingekocht bij bol.com, maar deze is bij u thuis afgeleverd. (…).
Tot op heden gaat het ten aanzien van deze kwestie om een bedrag van € 5.509.41. (…)
3.
SVN-lening
(…).
4.
Bedrijfseigendommen
2.7.
Bij e-mailbericht van 29 augustus 2023 heeft [gedaagde] gereageerd. Hierbij heeft ze onder meer het volgende meegedeeld:
(…) Met de boekhouder van [bedrijf] is in 2018 afgesproken dat de bonnetjes/facturen die betrekking hebben op de declaraties niet in Moneybird geboekt hoefden te worden. Uiteraard zijn deze wel bewaard en lever ik dit dan ook aan via een apart bestand (…). U geeft aan dat het opvallend is dat het gaat om declaraties die alleen door mijzelf zijn ondertekend. Echter is dit lang geleden al afgesproken met de heer [directeur] , omdat wij elkaar weinig troffen op kantoor (ik werkte veel thuis en hij was vaak in bespreking). Aangezien ik altijd veel kosten voorschoot voor de zaak, konden we er zo de vaart inhouden en hoefde ik dan niet onnodig te wachten om deze voorgeschoten kosten terug te krijgen. Deze informatie had u ook van de heer [directeur] kunnen krijgen (…) . Ondanks dat hij er nooit om heeft gevraagd, is er ook met de heer [directeur] afgesproken dat hij bij vragen ten alle tijde alle stukken in zou kunnen zien. Van een minimaal aantal gemaakte kosten zijn geen bewijsstukken, daar dit contante betalingen zonder bon zijn geweest, zoals een aankoop via Marktplaats of geld voor de monteurs, omdat zij extra werkzaamheden hadden uitgevoerd. Dit soort zaken zijn altijd op verzoek van of in overleg met de heer [directeur] of de heer [naam 1] geweest.
(…)
De factuur van HM installaties betreft inderdaad de vervanging van een privé CV ketel. Dat de factuur door [bedrijf] is betaald is besproken en akkoord bevonden door de heer [directeur] .
De factuur voor de raamdecoratie die door [bedrijf] is betaald is aan mij doorberekend met het btw bedrag in mindering gebracht. Ook dit is besproken en akkoord bevonden door de heer [directeur] . Hetzelfde geldt voor de container(s) op mijn privé adres.
De gereedschapset van de gereedschapcentrum.nl is bij mij thuisbezorgd, maar is besteld voor één van de bussen van de monteurs. Deze set is na binnenkomst dan ook naar kantoor gegaan (…).
De ingekochte laptop van CoolBlue is inderdaad ook bij mij thuis geleverd. Net als de meeste zakelijke laptops die werden besteld, aangezien ik deze voor iedere medewerker instelde en gebruiksklaar maakte. Daarna gingen de laptops naar de betreffende medewerker op kantoor.
De factuur van de vuurwerkaccessoires van [naam 2] zijn privékosten geweest. Deze had ik terug moeten betalen, maar dit is onbedoeld vergeten.
De camera’s die via bol.com zijn gekocht waren beveiligingscamera’s voor de zaak. Deze heb ik daar ook geïnstalleerd en zouden daar dus aanwezig moeten zijn.
(…)
Uw constatering uit de administratie met betrekking tot de SVN-lening is niet juist. (…) De enige juiste constatering hier is dat ik de verduurzamingsmaatregelen die Ik wilde treffen niet via [bedrijf] heb getroffen. (…)
Verder zouden mijn scooter en mijn fietsendrager nog aanwezig zijn op de zaak. Ik heb geprobeerd af te spreken met de heer [directeur] om mijn eigendommen op te halen. Door verschillende dreigappjes en een filmpje waaruit zichtbaar werd dat mijn scooter totaal is gemolesteerd, heb ik niet de mogelijkheid gekregen om deze eigendommen op te halen. Graag hoor ik van u welke oplossing u hiervoor ziet (…) ”.
2.8.
Bij brief van 20 december 2023 heeft de curator gereageerd op het bericht van [gedaagde] van 29 augustus 2023. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:
“(…) De onderbouwing op de declaraties heb ik geïnventariseerd en onderzocht. Ik ben tot de conclusie gekomen dat de onderbouwing niet volledig is. Een bedrag van € 7.144, 91 is niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Bijgaand zend ik u het overzicht met daarop de declaraties, voor welk bedrag er onderbouwing is aangeleverd alsmede voor het verschil tussen de declaraties en de onderbouwing. Kunt u mij ook voor het resterende bedrag een onderbouwing c.q. verantwoording toesturen?
Daarnaast heb ik bij de heer [directeur] navraag gedaan over de aard en omvang van de declaraties. Hij heeft aangegeven dat alleen u in het bezit was van de zakelijke bankpas, zodat u daarmee zakelijke uitgaven kon doen. Het feit dat er dan toch voor een totaal bedrag van € 41.031,80 aan declaraties voor uitgaven vanuit die privérekening zijn ingediend, terwijl juist (en alleen) u over een zakelijke bankpas beschikte, is opmerkelijk. Het had voor de hand gelegen dat u zakelijke uitgaven direct met de zakelijke bankpas zou hebben betaald. Kunt u dit toelichten?
Ten aanzien van de declaratieposten waarvoor wel bonnen zijn aangeleverd (…), verzoek ik u aan te tonen dat deze bedragen ook daadwerkelijk van uw bankrekening zijn afgeschreven (bv. middels een mutatieoverzicht waarop deze betalingen terug te vinden zijn).
U erkent dat de factuur van HM Installaties ziet op de vervanging van uw privé cv-ketel, maar geeft daarbij aan dat zou zijn besproken dat [bedrijf] de factuur zou betalen. U laat echter na dit te onderbouwen. Ook vind ik het moeilijk voorstelbaar dat uw werkgever uw privé cv- ketel betaalt. Desgevraagd heeft de heer [directeur] aangegeven niet bekend te zijn met een dergelijke afspraak. Kunt u mij nadere stukken toesturen waaruit deze afspraak met [bedrijf] zal moeten blijken? Ditzelfde geldt voor de factuur van de raamdecoratie. Ook daarvan worden geen nadere stukken toegezonden waaruit enige afspraak ter zake zou blijken, terwijl de heer [directeur] desgevraagd heeft aangegeven ook met een dergelijke afspraak over raamdecoratie niet bekend te zijn.
(…)
U erkent dat de factuur van [naam 2] inderdaad privékosten zijn geweest en dat deze onbedoeld niet zijn betaald aan [bedrijf]. Derhalve verzoek ik u het factuurbedrag ad € 75,99 over te maken naar de faillissementsrekening (…)”.
2.9.
Bij e-mailbericht van 24 april 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aan de curator onder meer het volgende meegedeeld:
“(…) Het is weinig zinvol dat cliënte allerlei privé-gegevens beschikbaar zou moeten stellen om te bewijzen dat de facturen en bonnen door haar zijn voorgeschoten. Immers, ze heeft al eerder gezegd dat de meeste bonnen contant zijn voorgeschoten en daarna gedeclareerd. Er is geen enkele rechtsregel die dat verbiedt. En voor de duidelijkheid: de declaraties zijn door de werkgever geaccepteerd en daarmee is het de verantwoordelijkheid van de werkgever geworden.
Namens cliënten bericht ik u dat zij bereidwillig zijn geweest om informatie te verstrekken, u heeft alle bonnen en facturen gekregen en die kunnen allemaal door de werkgever worden bevestigd.
Kort en goed: partijen waren al finale kwijting overeengekomen. Desondanks zijn cliënten bereid geweest u te woord te staan en informatie te vertrekken. Maar daar blijft het wat cliënten betreft bij. (…)”
3. Het geschil
In conventie:
3.1.
De curator vordert - samengevat en na vermindering van eis- dat de kantonrechter:
 voor recht verklaart dat de privébetalingen die [gedaagde] ten laste van [bedrijf] heeft gebracht ten onrechte zijn gedaan en dat [gedaagde] tot terugbetaling hiervan gehouden is;
 voor recht verklaart dat de declaraties die [gedaagde] ten laste van [bedrijf] heeft gebracht geheel althans gedeeltelijk ten onrechte ten laste van [bedrijf] zijn gebracht en dat [gedaagde] in zoverre tot terugbetaling hiervan gehouden is;
 alsmede dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om aan de curator te betalen:
 een bedrag van € 39.966,81, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;
 een bedrag van € 3.926,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
 de kosten van de procedure.
Kortgezegd verwijt de curator [gedaagde] dat zij ten tijde van het dienstverband met [bedrijf] op oneigenlijke wijze gebruik en misbruik heeft gemaakt van haar positie binnen [bedrijf] doordat zij bovenmatig kosten heeft gedeclareerd en privé-uitgaven ten laste van [bedrijf] heeft gebracht.
3.2.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de curator, dan wel afwijzing van de vordering, met veroordeling van de curator in de kosten van de procedure.
[gedaagde] betwist dat zij frauduleus heeft gehandeld: zij heeft uitgelegd hoe de werkwijze was ten aanzien van de ingediende declaraties en dat dit in overleg met de bestuurder gebeurde. Ten aanzien van de privé-uitgaven geldt dat de bestuurder van [bedrijf] heeft ingestemd met de betaling van deze uitgaven door de werkgever. Ook doet [gedaagde] een beroep op de vaststellingsovereenkomst die partijen hebben gesloten in mei 2023 waarbij partijen elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend.
In reconventie:
3.3.
[gedaagde] vordert dat - samengevat- dat de kantonrechter de curator q.q. en [bedrijf]:
 hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 12.000,00 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;
 hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure.
[gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat zij schade lijdt die bestaat uit de volledige juridische kosten die zij moet maken voorafgaand aan en in deze procedure, welke zij begroot op € 10.000,00, inclusief btw. Ook is de curator onzorgvuldig omgesprongen met haar eigendommen, te weten de fietsendrager en de scooter. De waarde van de fietsendrager begroot [gedaagde] op € 500,00 en die van de scooter op € 1.200,00. De schade wordt verhaald op [bedrijf] en de curator in persoon.
3.4.
De curator concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagde] dan wel afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
In conventie:
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] houdt in dat zij een beroep doet op een tussen haar en [bedrijf] voor datum van het faillissement gesloten vaststellingsovereenkomst waarbij finale kwijting is overeengekomen. Gelet hierop heeft de curator volgens [gedaagde] niets meer van haar te vorderen.
4.2.
De kantonrechter overweegt dat voor de totstandkoming van een overeenkomst niet perse noodzakelijk is dat de overeenkomst op schrift is gesteld en is ondertekend, ook op andere wijze kan blijken dat partijen een overeenkomst hebben gesloten. In dit geval heeft de toenmalige gemachtigde van [bedrijf] bij e-mailbericht van 25 mei 2023 aan de toenmalige gemachtigde van [gedaagde] meegedeeld dat de tussen partijen gesloten overeenkomst ten aanzien van de beëindiging van het dienstverband wordt bevestigd. In de e-mail is verwezen naar een brief van de gemachtigde van [gedaagde] van 19 mei 2023 en worden de punten van de regeling waarover overeenstemming is bereikt, nog een keer vermeld. Eén van deze punten is dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Het voorgaande betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat partijen het eens zijn geworden over de punten zoals die zijn opgenomen in de e-mail van 25 mei 2023.
4.3.
Voor de vraag wat dat betekent voor de onderhavige procedure is van belang wat de reikwijdte is van hetgeen waarover [bedrijf] en [gedaagde] overeenstemming hebben bereikt. De uitleg dient te worden bepaald aan de hand van de Haviltex-norm (ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Ingevolge de Haviltex-norm is bij de uitleg van een bepaling in een overeenkomst beslissend de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Ook de wijze waarop partijen nadien hebben gehandeld, kan een rol spelen bij de uitleg.
4.4.
Anders dan de curator stelt, betekent de omstandigheid dat [gedaagde] zich na het faillissement bij het UWV heeft gemeld om een beroep te doen op de loongarantieregeling niet dat hieruit zou blijken dat ook [gedaagde] meent dat geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Immers in die situatie zou ook het ontslag op staande voet dat als onderdeel van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen, niet zijn ingetrokken en zou in die situatie de loondoorbetalingsverplichting zijn geëindigd op 12 mei 2023.
4.5.
Een vaststellingsovereenkomst is naar zijn aard bedoeld om een einde te maken aan een geschil tussen partijen en eenduidig de rechtsverhouding tussen partijen te regelen. Zowel [bedrijf] als [gedaagde] hebben bij de totstandkoming van de overeenstemming juridische hulp gehad. Uit de correspondentie die is overgelegd, leidt de kantonrechter af dat [bedrijf] enerzijds en [gedaagde] en [medeoprichter] anderzijds gesproken hebben over de impact van de anonieme e-mail die in april 2023 is verzonden, de gevolgen die dit heeft voor [bedrijf] en het naar aanleiding hiervan gegeven ontslag op staande voet. Ook is gesproken over een r-c-verhouding die kennelijk tussen [medeoprichter] en [bedrijf] heeft bestaan. De overeenstemming die op 25 mei 2023 is bereikt, ziet op de door middel van die overeenkomst tot stand gekomen afspraken met betrekking tot de afwikkeling van alle op dat moment bestaande vorderingen en schulden. Het finale kwijtingsbeding dat is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst geldt na naleving van deze afspraken. De rechten en vorderingen waarvan [bedrijf] ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst het bestaan niet kende, maken daarentegen geen deel uit van de finale kwijting.
4.6.
Uit de correspondentie blijkt niet dat de wijze van declareren en de betalingen die [gedaagde] in verband hiermee in de loop van de jaren vanuit [bedrijf] aan zichzelf heeft gedaan en die door de curator als onrechtmatig en derhalve als frauduleus worden aangemerkt, onderwerp van gesprek zijn geweest en derhalve betrokken zijn bij de finale kwijting. Dat geldt ook voor de betalingen die door [bedrijf] zijn gedaan ten behoeve van de aanschaf van artikelen aan c.q. uitgaven van [gedaagde] in privé. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat [bedrijf] in persoon van haar bestuurder [directeur] op de hoogte was van de wijze waarop [gedaagde] declareerde en haar zelfs instrueerde zo te handelen, maar [gedaagde] heeft haar stellingen niet nader onderbouwd. In dit verband is ook van belang dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij niet weet of [directeur] de declaraties heeft gecheckt, maar dat er in ieder geval geen tweede handtekening nodig was, terwijl tevens is gebleken dat [gedaagde] vanaf (in ieder geval) april 2023 de mappen met bonnetjes (tot op heden) onder zich heeft gehouden zodat een controle ook niet mogelijk was. Een en ander betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat het door [gedaagde] gedane beroep op finale kwijting terzake de onderwerpen van deze procedure niet slaagt.
4.7.
De curator heeft aan zijn vorderingen primair ten grondslag gelegd dat sprake is van het declareren van onjuiste bedragen c.q. het doen van ongeoorloofde betalingen en dus van fraude, waardoor op [gedaagde] op grond van artikel 7:661 lid 1 BW Pro een schadevergoedingsplicht rust. Als subsidiaire grondslag voor de vorderingen noemt de curator onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW Pro) en als meer subsidiaire grondslag de ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 [1] BW) .
4.8.
Ingevolge artikel 7:661 BW Pro is de werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever, jegens de werkgever niet aansprakelijk tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de overeenkomst, anders voortvloeien. De achtergrond van de zeer beperkte aansprakelijkheid van de werknemer voor schade van de werkgever is ingegeven vanwege het in ondergeschiktheid uitvoeren van de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer de instructies van de werkgever dient op te volgen.
4.9.
Ten aanzien van de declaraties stelt de curator zich op het standpunt dat [gedaagde] op oneigenlijke wijze gebruik en misbruik heeft gemaakt van haar positie binnen [bedrijf] door allerlei bedragen namens zichzelf bij de onderneming te declareren die feitelijk niet zien op uitgaven die zij zelf heeft gedaan en waarvan ook niet is gebleken dat het hierbij om zakelijke uitgaven ging waarvoor [bedrijf] toestemming heeft gegeven.
4.10.
Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] jegens de curator gehouden is tot (gedeeltelijke) terugbetaling van de declaraties die zij aan zichzelf heeft overgemaakt ten laste van [bedrijf] is van belang dat [gedaagde] binnen [bedrijf] degene was die belast was met de financieel/administratieve werkzaamheden. Zij was verantwoordelijk voor de afwikkeling van de declaraties, had het beheer over de zakelijke bankpas en kon zelfstandig betalingen van de zakelijke bankrekening verrichten. Laatstelijk werkte zij fulltime en genoot zij een salaris van € 5.100,00 per maand exclusief emolumenten.
4.11.
Kort na het faillissement heeft de curator opheldering gevraagd [2] aan [gedaagde] voor de door [bedrijf] gedane betalingen aan [gedaagde] naast het reguliere salaris. Het betreft een totaalbedrag van € 41.031,80 dat gedurende het dienstverband, een periode van ruim 4,5 jaar, is overgemaakt aan [gedaagde] . Er waren wel declaratieformulieren aanwezig in de administratie, maar die zijn alleen door [gedaagde] ondertekend. Ook de onderliggende stukken, zoals facturen en kassabonnen, ontbraken [3] . Uit de reactie van [gedaagde] die daarop volgt, in combinatie met de nadere vragen van de curator, blijkt dat een bedrag van € 7.144,91 niet dan wel onvoldoende is onderbouwd. Ook in deze procedure heeft [gedaagde] hiervoor geen (nadere) onderbouwing gegeven en heeft zij gesteld dat van slechts een minimaal aantal betalingen geen bewijsstukken aanwezig zijn omdat dit contante betalingen, zonder bon zijn geweest, zoals een aankoop via Marktplaats of geld voor de monteurs, maar waarvoor overleg met [directeur] of [naam 1] heeft plaatsgevonden.
4.12.
De kantonrechter overweegt in de eerste plaats dat een bedrag van ruim € 7.000,00 haar niet als een ‘minimaal bedrag’ voorkomt. Bovendien zal ook voor een contante betaling een verantwoording, in welke vorm dan ook, dienen plaats te vinden. Hoewel de bewijslast voor de aansprakelijkheid van een werknemer uit hoofde van artikel 7:661 BW Pro op de werkgever rust, gaat het om gegevens die zich in het domein van [gedaagde] bevinden en zal [gedaagde] voldoende dienen te stellen c.q. te onderbouwen dat ook deze declaraties betrekking hebben op kosten die zij ten behoeve van [bedrijf] heeft voldaan. Dat is zij niet alleen uit hoofde van haar functie binnen [bedrijf] verschuldigd maar ook omdat zij kennelijk met [directeur] zou hebben afgesproken dat een tweede handtekening op het declaratieformulier niet nodig is en dat hij te allen tijde de onderliggende stukken kan inzien.
4.13.
Nu [gedaagde] voor een bedrag van € 7.144,91 aan gedeclareerde onkosten geen onderbouwing heeft gegeven en zij ter zake ook geen bewijsaanbod heeft gedaan, zal zij dit bedrag dienen te betalen aan de curator.
4.14.
Van het van het totale bedrag van € 41.031,80 resterende bedrag van € 33.886,89 heeft [gedaagde] wel bonnen en dergelijke overgelegd. Bij conclusie van antwoord zijn vervolgens voor een deel van laatstgenoemd bedrag bankafschriften van de privérekening van de [gedaagde] overgelegd waaruit volgt dat de onkosten door haar zijn gemaakt. Hierop heeft de curator de vordering verminderd met een bedrag van € 1.064,99 zodat nog een bedrag resteert van € 32.821,90 waarvoor [gedaagde] wel bonnen en dergelijke heeft overgelegd maar waarvan volgens de curator onvoldoende vast is komen te staan dat [gedaagde] voor deze gedeclareerde bedragen daadwerkelijk in privé kosten heeft betaald die ten laste van [bedrijf] komen.
4.15.
Ten aanzien van de nog resterende gedeclareerde bedragen heeft [gedaagde] in haar brief van 29 augustus 2023 gesteld dat zij dat met [directeur] de afspraak had gemaakt dat alleen zij de declaratieformulieren ondertekende en dat de onderliggende stukken te allen tijde door [directeur] konden worden ingezien. In de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] de declaratiepraktijk binnen [bedrijf] verder toegelicht. Zij heeft onder meer gesteld dat zij de inkoop organiseerde van de dagelijkse lunches op kantoor, waarbij de inkoop door het personeel werd gedaan die vervolgens de bonnen overhandigde aan [gedaagde] . Verder kon er niet altijd van de zakelijke rekening worden betaald omdat er niet voldoende saldo voor was, in welke situatie [gedaagde] in privé betaalde aan de betreffende medewerker en later het betaalde bedrag declareerde. Ook waren er medewerkers die er moeite mee hadden de declaratieformulieren goed in te vullen en dan diende [gedaagde] het declaratieformulier in nadat zij zelf de betaling van de medewerker had overgenomen. [gedaagde] stelt dat deze werkwijze was afgestemd met de directie en de boekhouder.
4.16.
In reactie op de brief van [gedaagde] van 29 augustus 2023 heeft de curator kennelijk wel navraag gedaan bij [directeur] omdat hij de daaropvolgende brief van 20 december 2023 vermeldt dat [directeur] heeft meegedeeld dat alleen [gedaagde] in het bezit was van een zakelijke bankpas. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft de curator nog toegelicht dat hij [directeur] wel heeft gesproken en dat [directeur] is geschrokken van de hoogte van het bedrag, dat hij zich daar niet van bewust was en daar geen toestemming voor heeft gegeven. Wat [directeur] hiermee precies bedoelt, is niet duidelijk. Een verklaring van [directeur] over eventuele instructies die hij (of de boekhouder) heeft gegeven aan [gedaagde] over de wijze waarop de declaraties verwerkt moesten worden, wat er überhaupt gedeclareerd mocht worden en of en hoe controle op de declaraties plaatsvond, ontbreekt.
4.17.
De bewijslast van de stellingen van de curator dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van haar positie binnen [bedrijf] waardoor zij schade heeft toegebracht aan haar werkgever in de zin van artikel 7:661 BW Pro, ligt bij de curator. De kantonrechter ziet geen aanleiding, bij de huidige stand van zaken, voorhands aan te nemen dat de curator is geslaagd in dit bewijs. Weliswaar is de kantonrechter met de curator van oordeel dat bij een aantal bonnen vraagtekens gezet kunnen worden of deze wel ten laste van [bedrijf] behoorden te worden gebracht, maar dat sluit niet uit dat [bedrijf] in persoon van [directeur] er niet al teveel moeite mee had om uitgaven voor lunches, snacks en dergelijke voor rekening van [bedrijf] te laten komen, zoals door [gedaagde] is gesteld. Bovendien heeft [gedaagde] in de loop van de procedure kennelijk ten aanzien van een aanzienlijk deel van de declaraties alsnog een (min of meer afdoende) onderbouwing kunnen geven voor de door haar, gedurende het dienstverband, gedeclareerde bedragen en heeft zij een aantal verklaringen overgelegd van oud-werknemers die de door [gedaagde] beschreven declaratiepraktijk bevestigen.
4.18.
De curator heeft weliswaar onderkend dat de stelplicht en de bewijslast van de ongeoorloofde declaraties op hem rusten, maar meent vervolgens kennelijk dat [gedaagde] met het betwisten van de ongeoorloofde betalingen een bevrijdend verweer opwerpt, waardoor zij de feiten die zij daaraan ten grondslag legt, dient te bewijzen. De kantonrechter ziet dit toch anders. Het is aan, in dit geval, de curator om te stellen en te bewijzen dat [gedaagde] in strijd met de instructies gedeclareerd heeft waardoor ongeoorloofde betalingen aan haar zijn gedaan. Daarvoor had de curator naar aanleiding van de gemotiveerde betwistingen van [gedaagde] , dienen te stellen hoe binnen [bedrijf] de kosten gedeclareerd dienden te worden en welke taak [gedaagde] hierin had. Nu de curator ter zake niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
4.19.
Subsidiair en meer subsidiair heeft de curator aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat sprake is onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking. Nog afgezien van de omstandigheid dat daar waar de wetgever met artikel 7:661 BW Pro een zeer beperkte aansprakelijkheid van de werknemer voor schade van de werkgever heeft willen geven, rusten de stelplicht en bewijslast voor vorderingen uit onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking ook op de curator. Ook hiervoor geldt dat de curator niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
4.20.
De conclusie is dan ook dat de gevorderde verklaring voor recht dat de declaraties die [gedaagde] ten laste van [bedrijf] heeft gebracht gedeeltelijk ten onrechte ten laste van [bedrijf] zijn gebracht, kan worden toegewezen en wel tot een bedrag van € 7.144,91. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van genoemd bedrag aan de curator. Ook de hierover gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding zal worden toegewezen.
4.21.
De curator heeft verder een verklaring van recht gevorderd inhoudende dat de privébetalingen die [gedaagde] ten laste van [bedrijf] heeft gebracht, ten onrechte zijn gedaan en dat [gedaagde] in verband hiermee een bedrag van € 3.926,48 aan de curator dient te betalen. Het gaat hier om een factuur van HM Installaties ten behoeve van een cv-ketel voor de woning van [gedaagde] , een factuur van Raamdecoratie B.V. ten behoeve van raamdecoraties voor de woning van [gedaagde] , een factuur van Rode Bak voor afvalcontainers voor het woonadres van [gedaagde] en een factuur van [naam 2] voor een vuurwerkaccessoire waarvan [gedaagde] in eerste instantie [4] heeft erkend dat zij deze dient te voldoen, maar waarvan zij op de mondelinge behandeling heeft gesteld dat het vuurwerk is aangeschaft ten behoeve van een oud & nieuwsfeest voor collega’s op het woonadres van [gedaagde] .
4.22.
Wat betreft de vuurwerkaccessoire kan de kantonrechter kort zijn: [gedaagde] heeft in haar brief van 29 augustus 2023 zonder voorbehoud erkend dat dit een privé-uitgave is die zij vergeten is te betalen. Het nadien bijgestelde standpunt is niet onderbouwd en ook valt niet in te zien hoe de reactie van [gedaagde] in haar brief van 29 augustus 2023 verklaard zou kunnen worden door intimidatie van de zijde van de curator. [gedaagde] had immers alle tijd om een schriftelijke reactie te geven en ook ten aanzien van de punten waarover de curator opheldering vroeg, is niet gebleken dat [gedaagde] zich op de een of andere manier liet intimideren. Het verweer van [gedaagde] op dit punt wordt dan ook gepasseerd.
4.23.
Ook ten aanzien van de afvalcontainer heeft [gedaagde] heeft haar stelling gewijzigd. Waar zij in de brief van 29 augustus 2023 stelt dat [bedrijf] de factuur heeft betaald en daarna het bedrag minus de btw aan [gedaagde] heeft doorberekend, volgt uit de conclusie van antwoord dat [gedaagde] niet langer stelt dat het betreffende bedrag is doorberekend, maar dat dit bedrag, net als de betaling door [bedrijf] van de cv-ketel voor [gedaagde] in privé, met instemming van [directeur] heeft plaatsgevonden in het kader van de werkkostenregeling waar ook in de arbeidsovereenkomst naar wordt verwezen.
4.24.
De kantonrechter overweegt dat ook [gedaagde] ook op dit punt haar gewijzigde stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Het is nogal een verschil of de afvalcontainers, een bedrag van € 527,50, doorberekend zijn en [gedaagde] het factuurbedrag minus de btw, aan [bedrijf] heeft voldaan, dan wel dat de betreffende kosten in het kader van de werkkostenregeling door de werkgever zijn voldaan. Bovendien is [gedaagde] niet zo maar een werknemer maar is zij degene die, als enige binnen de onderneming, belast was met de financiële en administratieve werkzaamheden. Dat geldt ook voor het bijhouden van de bedragen die de werkgever per jaar in het kader van de werkkostenregeling zou kunnen besteden. Nu [gedaagde] de gewijzigde stelling op geen enkele manier heeft onderbouwd, wordt ook dit verweer gepasseerd.
4.25.
Blijven over de bedragen die de curator vordert in verband met de btw-component van de raamdecoratie en de cv-ketel.
4.26.
Ten aanzien van de btw-component van de raamdecoratie ad € 708,00 constateert de kantonrechter in de eerste plaats dat uit de factuur blijkt dat de btw-component geen € 708,00 is, dat is het totaalbedrag van de factuur, maar € 122,88. Gelet op de aard van het verwijt dat de curator [gedaagde] maakt, had het op de weg van de curator gelegen de stelling van [gedaagde] dat afgesproken is de btw ten laste van [bedrijf] te laten te laten komen en aldus te kunnen verrekenen, waardoor btw-fraude zou zijn gepleegd, nader te onderbouwen met een verklaring van de bestuurder dat hij hiermee niet heeft ingestemd. Dat is niet gebeurd. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
4.27.
Waar het gaat om de privé cv-ketel heeft [gedaagde] in haar brief van 29 augustus 2023 verklaard dat de factuur van 27 maart 2023 ad € 2.614,99 op 13 april 2023 is betaald door [bedrijf], hetgeen is besproken met en geaccordeerd door [directeur] . De curator heeft betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt en heeft daarbij gerefereerd aan de door hem gedane navraag hierover bij [directeur] .
4.28.
De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] haar stelling dat zij toestemming van [directeur] de factuur heeft laten betalen door [bedrijf], niet heeft onderbouwd. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord gesteld dat een werkgever dit mag doen en dat ook uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat het budget van de werkkostenregeling beschikbaar was gesteld voor uitkeringen aan het personeel, waarmee zij kennelijk bedoeld te zeggen dat, als blijkt dat de regeling onjuist is geïnterpreteerd door de werkgever, dit niet op de werknemer verhaald kan worden. Op zich kan de kantonrechter [gedaagde] op het laatste punt volgen, maar hieraan gaat vooraf dat eerst duidelijk moet zijn dat [gedaagde] met toestemming van [directeur] de factuur heeft laten betalen door [bedrijf]. In dit verband is van belang dat de factuur is betaald op 13 april 2023, terwijl op dat moment de financiële situatie van [bedrijf] kennelijk zo penibel was dat [gedaagde] en haar partner enkele dagen later geen vertrouwen hebben in de continuïteit van de onderneming en er een anonieme e-mail wordt verstuurd aan alle debiteuren van [bedrijf] waarin gewaarschuwd wordt voor de grote financiële onzekerheid van [bedrijf]. Deze e-mail is vervolgens de aanleiding geweest voor het ontslag op staande voet. Onder die omstandigheden acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat [directeur] toestemming geeft om de factuur voor de privé cv-ketel door [bedrijf] te laten betalen. Ook heeft [gedaagde] niets gesteld waaruit zou kunnen blijken dat een dergelijke uitgave onder de werkkostenregeling zou kunnen vallen en ook hier geldt dat van [gedaagde] , gelet op haar positie, toch iets van vastlegging in de administratie had mogen verwacht. [gedaagde] heeft weliswaar bewijs aangeboden, maar naar het oordeel van de kantonrechter heeft zij daartoe onvoldoende gesteld zodat ook dit bewijsaanbod wordt gepasseerd.
4.29.
De conclusie van het voorgaande is dat de gevorderde verklaring voor recht gedeeltelijk zal worden toegewezen waar het betreft de privébetalingen voor de cv-ketel, de afvalcontainers en de vuurwerkaccessoires. Het hiermee gemoeide bedrag is (€ 2.614,99 + € 527,50 + € 75,99 =) € 3.218,48. Ook de gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, nu ter zake geen verweer is gevoerd.
4.30.
In het lichaam van de dagvaarding heeft de curator weliswaar ook aanspraak gemaakt op de vergoeding van buitengerechtelijke kosten, maar nu deze vordering niet is opgenomen in het petitum van de dagvaarding, is deze niet toewijsbaar.
4.31.
De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld.
In reconventie:
4.32.
[gedaagde] legt aan een deel van haar vordering ten grondslag dat ten tijde van het faillissement in de loods van [bedrijf] B.V. een fietsendrager [5] en scooter stonden die aan [gedaagde] in eigendom toebehoorden. Zij stelt dat zij tijdig het eigendomsrecht hiervan heeft geclaimd. De scooter en fietsendrager zijn onder het beheer van de curator beschadigd en uiteindelijk in de veiling verkocht. [gedaagde] stelt dat de curator onzorgvuldig heeft gehandeld en om die reden persoonlijk aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade die € 1.700,00 bedraagt.
4.33.
De curator verweert zich tegen de vorderingen en stelt in de eerste plaats dat [gedaagde] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat een vordering in reconventie alleen ingesteld kan worden tegen de curator q.q. en niet tegen de curator pro se (persoonlijk).
4.34.
De kantonrechter overweegt dat de curator op zich het gelijk aan zijn zijde heeft, maar ook hier stemt hetgeen in het lichaam van de conclusie van eis in reconventie staat, niet overeen met hetgeen in het petitum staat. In de geformuleerde eis heeft [gedaagde] namelijk gevorderd om de heer [de curator] in zijn hoedanigheid van curator (…) te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van, in totaal, € 12.000,00. Dit betekent dat [gedaagde] kan worden ontvangen in haar eis in reconventie.
4.35.
De kantonrechter zal de vordering tot vergoeding van schade verband houdende met de fietsendrager en de scooter echter afwijzen op inhoudelijke gronden. Zij overweegt daartoe dat uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde] de scooter bij [bedrijf] had gestald omdat zij thuis geen ruimte had. Ook is verklaard dat uit een toegestuurd filmpje is gebleken dat werknemers van [bedrijf] de scooter hebben vernield voor de datum van het faillissement en dat de scooter derhalve niets meer waard was ten tijde van het faillissement. De kantonrechter constateert dat deze lezing in belangrijke mate afwijkt van hetgeen in de conclusie van eis in reconventie is gesteld. Ook is niet gesteld waarom [bedrijf] c.q. de curator q.q. aansprakelijk zou zijn voor de schade die [gedaagde] lijdt omdat haar scooter door toenmalige werknemers van [bedrijf] is vernield.
4.36.
Met betrekking tot de fietsendrager heeft [gedaagde] verklaard dat zij deze online zag staan bij de veiling. Zij verklaart dat zij daarop de curator niet heeft gebeld omdat zij er niet van op de hoogte zou zijn dat dit moest, maar de kantonrechter volgt haar hierin niet. Haar toenmalige gemachtigde heeft haar reeds bij email van 25 mei 2023 geadviseerd de privéspullen snel op te halen en dat [bedrijf] heeft meegedeeld dat daartoe de gelegenheid wordt geboden. Het is dan ook aan [gedaagde] te wijten dat zij zich niet tot [bedrijf] heeft gewend (voor datum faillissement) of tot de curator (na het faillissement) om de fietsendrager op te halen c.q. haar eigendomsrecht geldig te maken. Dat zij dit zou hebben gedaan, is weliswaar gesteld maar niet onderbouwd en ook niet in overeenstemming met hetgeen [gedaagde] heeft verklaard tijdens de mondelinge behandeling. De kantonrechter kan dan ook niet inzien welk verwijt de curator c.q. [bedrijf] ter zake gemaakt kan worden.
4.37.
Ook de vordering tot vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten wordt afgewezen. Gelet op dat wat in conventie is overwogen en beslist, kan niet gesproken worden van een kansloze procedure die door de curator aanhangig is gemaakt.
4.38.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure die aan de zijde van de curator worden begroot op een half punt van het toepasselijke liquidatietarief.
5. De beslissing
De kantonrechter:
In conventie:
5.1.
verklaart voor recht dat de privébetalingen die [gedaagde] ten laste van [bedrijf] heeft gebracht betreffende de cv-ketel voor de woning van [gedaagde] , de afvalcontainers van De Rode Bak ten behoeve het woonadres van [gedaagde] en de vuurwerkaccessoires afkomstig van [naam 2] , ten onrechte zijn gedaan en dat [gedaagde] tot terugbetaling hiervan is gehouden;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in verband hiermee tot betaling aan de curator van een bedrag van € 3.218,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot de dag van algehele voldoening;
5.3.
verklaart voor recht dat declaraties die [gedaagde] ten laste van [bedrijf] heeft gebracht, gedeeltelijk ten onrechte ten laste van [bedrijf] zijn gebracht en dat [gedaagde] in zoverre tot terugbetaling hiervan gehouden is;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in verband hiermee tot betaling aan de curator van een bedrag van € 7.144,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
5.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;
In reconventie:
5.8.
wijst de vorderingen af;
5.9.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de curator begroot op € 216,00;
5.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van het onder 5.9 bepaalde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Voetnoten

1.In de pleitnotitie staat artikel 6:203 BW Pro vermeld, maar bedoeld zal zijn artikel 6:212 BW Pro).
2.In zijn brief van 4 augustus 2023
3.Uit de verklaring van [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de mappen met de onderliggende bonnen ten tijde van het faillissement en ook nog ten tijde van de mondelinge behandeling bij haar thuis staan.
4.In de brief van 29 augustus 2023
5.In de conclusie van is in reconventie staat abusievelijk ‘fiets’ vermeld, tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd dat het gaat om een fietsendrager.