ECLI:NL:RBOVE:2026:116

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/08/342224 / KG ZA 25-292
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot nakoming van voorlopige zorgregeling in kort geding tussen ouders van minderjarige kinderen

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel op 5 januari 2026 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een vader en een moeder over de nakoming van een voorlopige zorgregeling voor hun minderjarige kinderen. De vader, vertegenwoordigd door advocaat mr. H. Versluis, vorderde dat de moeder, vertegenwoordigd door advocaat mr. R.N. Sahebdien, zou worden verplicht om de bij beschikking van 20 oktober 2025 vastgestelde omgangsregeling na te komen. Deze regeling hield in dat de vader onder begeleiding van een instantie contact zou hebben met de kinderen. De moeder voerde verweer en stelde dat het contact met de vader pas veilig kon worden hersteld na de traumabehandeling van de oudste minderjarige, die door Mentaal Losser werd uitgevoerd. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang van de vader weliswaar vaststond, maar dat de omstandigheden niet zodanig waren dat de omgang onmiddellijk kon worden hervat. De rechtbank benadrukte dat de betrokken hulpverlening en de moeder zich conformeren aan de adviezen van de hulpverleners en dat de gemeente leidend is in het proces van contactherstel. De vordering van de vader werd afgewezen, en de proceskosten werden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Almelo
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/342224 / KG ZA 25-292
vonnis in kort geding van 5 januari 2026
inzake
[de vader],
verder te noemen: de man of de vader,
wonende te [woonplaats 1],
eiser,
advocaat: mr. H. Versluis,
en
[de moeder],
verder te noemen: de vrouw of de moeder,
wonende te [woonplaats 2],
verweerder,
advocaat: mr. R.N. Sahebdien.

1.Het procesverloop

1.1.
De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding met bijlagen van 11 december 2025;
- een e-mail van mr. Sahebdien van 21 december 2025 met bijlagen.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 22 december 2025 met gesloten deuren plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming, verder te noemen: de raad, zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie gehad, uit welke relatie zijn geboren de minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2017,
2.1
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2020.
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
Bij beschikking van 20 oktober 2025 is de bij beschikking van deze van
13 januari 2025 vastgestelde voorlopige omgangsregeling gewijzigd en als
voorlopige omgangsregelingbepaald dat de vader en de kinderen een keer in de drie weken onder begeleiding van Senzor een uur omgang hebben op een neutrale plek. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.De vordering in conventie

3.1.
De vader vordert de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te gebieden tot nakoming van de bij beschikking van
20 oktober 2025 vastgestelde omgangsregeling, door de moeder te gebieden te bewerkstelligen dat binnen één week na betekening van dit vonnis de vader gedurende één uur op een neutrale plaats onder begeleiding van Senzor of een vergelijkbare instantie, contact met de kinderen van partijen zal hebben en dit contact vervolgens telkens om de drie weken daarna plaatsvindt, op straffe van een aan de vader te verbeuren dwangsom van
€ 100,- per dag dat de moeder met de naleving van dit gebod in gebreke zal zijn, tot een maximum van € 10.000,-, kosten rechtens.
3.2.
De vader heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening, omdat hij vanaf
16 juli 2025 geen contact met de kinderen heeft en hij hierdoor de verjaardag van [minderjarige 1] (op [geboortedatum 1] 2025) mist en er ook geen contact met de kinderen tijdens de feestdagen kan zijn. De vader is van mening dat de uitspraak van de rechtbank moet worden nageleefd. De rechtbank is in die uitspraak voorbij gegaan aan de stelling van de moeder dat omgang nu voor de kinderen traumatiserend zou kunnen zijn. Ondanks de beschikking van 20 oktober 2025 heeft er nog geen contactherstel plaatsgevonden. Dit komt omdat Senzor zonder aanwijzing van de gemeente niet de door de rechtbank gegeven beslissing kan uitvoeren. De gemeente (en ook de moeder) stelt zich op het standpunt dat de regeling op dit moment niet kan worden uitgevoerd omdat [minderjarige 1] een traumatherapie bij ‘Mentaal Losser’ gaat volgen en dat het ongewenst is dat [minderjarige 1] gedurende de therapie contact met de vader heeft. De raad heeft dit bij e-mail van 27 november 2025 aan de vader bevestigd. De vader is niet betrokken bij het traject van [minderjarige 1], waardoor hij ook geen enkele informatie heeft waarom de therapie van [minderjarige 1] het door de rechtbank vastgestelde omgangscontact in de weg zou staan. De omgang is zeer beperkt in tijd en onder begeleiding. Ook kan de vader niet begrijpen waarom hij geen contact met [minderjarige 2] kan hebben. Gezien de gang van zaken heeft de vader er geen enkel vertrouwen in dat na januari 2026 de omgang zal worden uitgevoerd. De vader is van mening dat de moeder onrechtmatig handelt door geen medewerking te verlenen aan het door de rechtbank vastgestelde omgangscontact tussen hem en de kinderen. Tijdens de zitting heeft de vader laten weten dat hij achter het onlangs gegeven advies van Mentaal Losser kan staan, maar dat het niet te lang moet duren voordat er contact komt.

4.Het verweer in conventie

De moeder voert verweer tegen de vordering van de vader en concludeert tot afwijzing van die vordering. Zij erkent dat het in het belang van de kinderen is dat het contact met hun vader wordt hersteld, maar dit moet op een veilige en zorgvuldige wijze gebeuren. Na de zitting op 6 oktober 2025 heeft er begin november 2025 een instellingenoverleg plaatsgevonden, waar de jeugdregisseur van de gemeente, Mentaal Losser, Senzor en de raad aanwezig waren. Daar is besloten dat [minderjarige 1] eerst traumabehandeling (EMDR-therapie) nodig heeft, voordat het contact met de vader kan worden hervat. De raad en Mentaal Losser hebben de vader hierover geïnformeerd. De raad heeft toen de vader geadviseerd het traject van [minderjarige 1] af te wachten, waarna er kan worden gewerkt aan een positief contact tussen hem en de kinderen. Het traject is naar verwachting in januari 2026 afgerond. Het is niet de beslissing van de moeder dat de beschikking van 20 oktober 2025 niet wordt nagekomen. Zij heeft zich geconformeerd aan de adviezen van de betrokken hulpverlening. De moeder heeft begrepen dat het de bedoeling is dat het contact in januari 2026 zal worden hersteld, op het tempo van de kinderen. De moeder heeft ter zitting nadrukkelijk toegezegd dat zij hieraan haar volledige medewerking zal verlenen.

5.Het mondeling advies van de raad

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij zich kan voorstellen dat het voor de kinderen en de vader heel verdrietig is dat zij elkaar zo lang niet hebben gezien, maar dat het advies om de traumabehandeling van [minderjarige 1] af te wachten niet zomaar gegeven is. Tijdens de vorige zitting op 6 oktober 2025 is al gesproken over de traumaklachten bij [minderjarige 1]. Na die zitting is door Mentaal Losser vastgesteld dat daadwerkelijk sprake is van traumaklachten bij [minderjarige 1]. Daarna heeft begin november 2025 het instellingenoverleg plaatsgevonden, waar Mentaal Losser heeft laten weten dat niet wenselijk is om nu al te starten met contact voordat de EMDR-therapie van [minderjarige 1] is afgerond. Het is belangrijk om [minderjarige 1] de kans te geven om de meegemaakte gebeurtenissen een plek te geven, zodat er weer ruimte komt voor het opbouwen van een goed en prettig contact met de vader. Tijdens het instellingenoverleg is ook over [minderjarige 2] gesproken. De instellingen vonden het lastig om in te schatten wat het voor [minderjarige 2] zou betekenen als zij nu al wel contact met de vader zou hebben, en ook wat dat voor traject van [minderjarige 1] zou betekenen. Omdat het voor beide kinderen veel onduidelijkheid zou kunnen geven, is bij het instellingenoverleg besloten daar één lijn in te trekken in die zin dat er in afwachting van de therapie van [minderjarige 1] ook met [minderjarige 2] nog geen contact zal zijn. De intentie van alle betrokkenen is dat er wordt toegewerkt naar contact tussen de vader en de kinderen, maar daar moet een goed plan voor worden gemaakt. Het is belangrijk dat de kinderen worden meegenomen in het proces. De gemeente heeft de raad gevraagd een beschermingsonderzoek te doen, omdat de gemeente heeft gemerkt dat de hulpverlening maar ook de ouders niet met de neuzen dezelfde op staan en de gemeente geen mogelijkheden meer ziet in het vrijwillig kader. De raad zal in januari 2026 starten met het beschermingsonderzoek.

6.De beoordeling

6.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vader bij zijn vordering vast. Immers, de zorgregeling tussen de vader en de kinderen is geheel stil komen te liggen en zijn partijen verdeeld over de wijze waarop het contact tussen de vader en de kinderen zou moeten worden hersteld.
6.2.
Uitgangspunt in dit kort geding is dat de in de beschikking van 20 oktober 2025 vastgestelde voorlopige zorgregeling in beginsel dient te worden nagekomen. Daarop bestaat alleen een uitzondering als sprake is van dermate zwaarwegende feiten en/of omstandigheden dat nakoming niet in het belang van de kinderen kan worden geacht.
6.3.
In deze zaak dient de voorzieningenrechter te beoordelen of het in het belang is van de kinderen dat het contact met de vader op dit moment wordt hersteld. Gebleken is dat de kinderen sinds juli 2025 geen contact meer hebben met de vader.
6.4.
De kinderrechter heeft in de beschikking van 20 oktober 2020 een voorlopige zorgregeling vastgesteld en het navolgende overwogen:
,, De ouders verschillen van opvatting over het antwoord op de vraag of er in
afwachting van meer duidelijkheid over wat er speelt bij de kinderen wel omgang moet
plaatsvinden tussen de vader en de kinderen. Zij komen daar samen niet uit en daarom moet
de rechtbank hierover een knoop doorhakken. De rechtbank is van oordeel dat er de komende tijd toch wel enige omgang moet zijn tussen de vader en de kinderen, zodat het contact niet helemaal stil komt te liggen. Hopelijk is een begeleide omgang tussen de vader en de kinderen van eens in de drie weken voor de duur van een uur op een neutrale locatie
haalbaar. Dit kan dan feitelijk worden begeleid door Senzor. Het hele proces zal worden
gemonitord door de raad, de gemeente Losser en Senzor. Het is van belang dat er goed
contact is tussen de raad en Mentaal Losser, zodat de raad op de hoogte wordt gehouden van door die instelling vastgestelde eventuele nieuwe ontwikkelingen bij de kinderen.”
6.5.
Gebleken is dat na de zitting van 6 oktober 2025 door Mentaal Losser is vastgesteld dat bij [minderjarige 1] sprake is van traumaklachten. De betrokken instellingen hebben tijdens het instellingenoverleg begin november 2025 besloten dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat voorrang dient te worden gegeven aan de traumabehandeling van [minderjarige 1] en dat daarna kan worden gewerkt aan een contactherstel tussen de vader en beide kinderen.
6.6.
Verder is gebleken dat de traumatherapie (EMDR-therapie) van [minderjarige 1] onlangs is afgerond. Mentaal Losser heeft geconstateerd dat er op dit moment meer ruimte in het hoofd van [minderjarige 1] is om na te denken over het opbouwen van een positief contact met de vader. Daarbij merkt Mentaal Losser op dat het heel belangrijk is dat iedereen zich ervan bewust is dat dit nog wel veel spanning oplevert bij [minderjarige 1], omdat het gedrag van de vader op dit moment nog moeilijk is te voorspellen voor [minderjarige 1]. Hierdoor is [minderjarige 1] nog steeds bang dat de vader opnieuw boos zal worden. Daarom is het volgens Mentaal Losser belangrijk dat rekening wordt gehouden met het volgende wanneer de contactmomenten met de vader weer worden opgestart:
- het contact moet worden opgebouwd in een rustig tempo dat past bij [minderjarige 1]. Het is te
begrijpen dat de vader de kinderen graag wil zien, maar voor [minderjarige 1] is het belangrijk dat
hij genoeg tijd krijgt om de vader opnieuw te leren vertrouwen;
- het is belangrijk dat de contactmomenten plaatsvinden in het bijzijn van volwassenen,
zodat [minderjarige 1] zich veilig kan voelen;
- [minderjarige 1] vindt het fijn wanneer de contactmomenten samen met [minderjarige 2] zijn.
6.7.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment geen taak voor hem is weggelegd om een spoedmaatregel te nemen en dat de vordering moet worden afgewezen. Allereerst is het de intentie van alle betrokken hulpverlening en de moeder - net als de vader nu vordert - dat er begeleide omgang komt. De discussie is alleen wanneer en hoe daarmee moet worden begonnen. De omstandigheden zijn op dit moment niet zodanig dat het contact onmiddellijk kan worden hervat. De komende periode zal in overleg met de betrokken hulpverlening en de ouders een plan moeten worden gemaakt. De gemeente is daarbij leidend. Die zal, rekening houdend met de beschikking van de kinderrechter, een besluit moeten nemen over het moment dat de begeleide omgang met [minderjarige 1] kan worden gestart en onder welke voorwaarden en met welke jeugdhulpaanbieder dat dan zal zijn. De afwijzing van de vordering is verder ook gegrond op de overweging dat het niet aan de moeder toe te rekenen is dat de begeleide omgang tot heden niet tot stand is gekomen. Dat er tot dit moment geen begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige 1] is geweest, is omdat de gemeente die voorziening, om haar moverende, te volgen redenen, niet heeft ingezet. De moeder conformeert zich aan de adviezen en standpunten van de hulpverleners en de gemeente. Dat is op zichzelf niet onrechtmatig. Als de gemeente niet besluit tot het inzetten van begeleide omgang, kan de vader daartegen bestuursrechtelijk bezwaar en beroep instellen. Het is niet mogelijk om via een vordering, gericht aan de moeder, de gemeente te dwingen te komen tot begeleide omgang.
6.8.
Laatstgenoemde afwijzingsgrond geldt ook voor [minderjarige 2]. De voorzieningenrechter kan het standpunt van de raad (die verwijst naar het instellingenoverleg) over waarom het voor haar evenmin niet wenselijk is om op dit moment begeleide omgang in te zetten volgen.
6.9.
Omdat partijen ex-partners zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7.De beslissing

De voorzieningenrechter:
7.1.
wijst de vordering van de vader af;
7.2.
compenseert de kosten van de procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M.B. Elferink, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Witkop als griffier, in het openbaar uitgesproken op
5 januari 2026. De schriftelijke uitwerking van het vonnis is vastgesteld op 7 januari 2026.
Een afschrift van dit vonnis wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in dit vonnis vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.
Hoger beroep tegen dit vonnis kan worden ingesteld door de eiser en degenen aan wie een afschrift van dit vonnis is verstrekt of verzonden, binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.