De vader vordert dat de moeder wordt verplicht de bij beschikking van 20 oktober 2025 vastgestelde omgangsregeling na te komen, waarbij hij contact met zijn kinderen onder begeleiding wil hebben. Hij stelt dat sinds juli 2025 geen contact heeft plaatsgevonden en dat de moeder onrechtmatig handelt door geen medewerking te verlenen. De moeder erkent het belang van contact, maar stelt dat eerst traumabehandeling van het oudste kind moet plaatsvinden, waarna contact op een veilige en zorgvuldige wijze kan worden hersteld.
De raad voor de kinderbescherming bevestigt dat traumaklachten bij het oudste kind zijn vastgesteld en dat het instellingenoverleg heeft besloten het contact uit te stellen tot na de EMDR-therapie. De gemeente heeft de raad gevraagd een beschermingsonderzoek te starten vanwege onenigheid tussen hulpverlening en ouders.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang van de vader vaststaat, maar dat de voorlopige zorgregeling in beginsel moet worden nagekomen tenzij zwaarwegende omstandigheden dit in het belang van de kinderen verhinderen. Gezien de traumaklachten en het advies van hulpverleners is het niet in het belang van de kinderen om het contact nu te hervatten. De gemeente heeft de zorgregeling nog niet ingezet, wat niet aan de moeder kan worden toegerekend. De vordering wordt daarom afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.