ECLI:NL:RBOVE:2026:121

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/08/335356 / HA ZA 25-214
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van bestuurder voor faillissement en bestuursverbod

In deze zaak heeft de rechtbank Overijssel op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in een civiele procedure waarbij de curator van een failliet bedrijf de gedaagde, die als bestuurder van het bedrijf fungeerde, aansprakelijk stelt voor het tekort in het faillissement. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gedaagde zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft verricht, wat een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. De curator had eerder conservatoir beslag gelegd op onroerend goed van de gedaagde en vorderde onder andere een verklaring voor recht dat de gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld tegenover het bedrijf en de schuldeisers. De rechtbank heeft de vorderingen van de curator toegewezen, met uitzondering van een deel van de vordering dat betrekking had op onrechtmatig handelen tegenover de gezamenlijke schuldeisers, omdat dit onvoldoende was onderbouwd. De gedaagde is niet verschenen in de procedure, waardoor verstek is verleend. De rechtbank heeft de gedaagde veroordeeld tot betaling van het tekort in het faillissement, een voorschot van € 100.000,00 en heeft een bestuursverbod opgelegd voor de duur van vijf jaar. Dit vonnis is openbaar uitgesproken door mr. A.N. Neumann.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/335356 / HA ZA 25-214
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
PHILIPPE EDWARD MARCEL SCHOL Q.Q.,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf] B.V. te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. P.E.M. Schol,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 5 november 2025 tussenvonnis gewezen.
1.2.
De rechtbank heeft hierna kennisgenomen van het volgende stuk:
- de akte houdende uitlating na tussenvonnis van de curator (met productie 14).
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
Op 9 april 2018 is het bedrijf [bedrijf] B.V. (handelsnaam [bedrijf] ) opgericht. Op het moment van de oprichting van [bedrijf] was [gedaagde] bestuurder van [bedrijf] . Vervolgens was hij in de periode van 25 maart 2019 tot en met 25 juni 2021 en daarna vanaf 1 juni 2022 tot 5 maart 2025 bestuurder van [bedrijf] . Op 5 maart 2025 is [bedrijf] failliet verklaard op verzoek van Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn (SPZW), gesteund door de Belastingdienst. Bij SPZW was de schuld over de periode van april 2022 tot en met februari 2023 een bedrag van € 33.750,38 en bij de Belastingdienst was de schuld over de periode van 2022 tot en met aanvang 2025 een bedrag van € 209.679,00. [bedrijf] betaalde deze schulden niet (af).
2.2.
De curator is door de rechtbank belast met het beheer en de vereffening van de boedel van [bedrijf] . Bij de curator is voor een bedrag van meer dan € 200.000,00 aan vorderingen ter verificatie ingediend, waarvan een deel van € 178.000,00 de preferente vordering van de Belastingdienst betreft.
2.3.
De curator houdt [gedaagde] aansprakelijk voor het tekort in het faillissement van [bedrijf] . Volgens de curator heeft [gedaagde] de boekhoudplicht geschonden en onrechtmatig gehandeld tegenover [bedrijf] en de gezamenlijke schuldeisers door de vorderingen van de Belastingdienst op [bedrijf] op te laten lopen, waarmee hij zijn taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. [gedaagde] heeft in een brief aan de curator medegedeeld dat hij aansprakelijkheid afwijst. In deze rechtszaak is gedaagde niet verschenen.
2.4.
De curator heeft conservatoir beslag gelegd op een onroerende zaak op naam van [gedaagde] gelegen aan de [adres] .
2.5.
De curator is, met machtiging van de rechter-commissaris, deze procedure gestart. Daarin vordert hij in woorden van gelijke strekking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:
I. voor recht te verklaren dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder van [bedrijf] onbehoorlijk heeft verricht en dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [bedrijf] ;
II. voor recht te verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [bedrijf] en de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf] ;
III. [gedaagde] , bij toewijzing van het hiervoor gevorderde tot een civielrechtelijk bestuursverbod te veroordelen voor de maximaal toegestane termijn, ingaand zodra het vonnis van de rechtbank in deze procedure in kracht van gewijsde is gegaan;
IV. [gedaagde] te veroordelen:
a.
primair, tot betaling van het tekort in het faillissement van [bedrijf] aan de curator nadat dit zal blijken aanwezig te zijn na een te houden verificatievergadering, te vermeerderen met het bedrag aan boedelschulden waaronder het door deze rechtbank vast te stellen salaris van de curator en zijn overige kosten, te voldoen binnen zeven dagen nadat de curator een afschrift van het proces-verbaal van de verificatievergadering alsmede een concept (eind)salarisbeschikking kenbaar heeft gemaakt aan [gedaagde] ;
b.
subsidiair, tot betaling van een schadevergoeding aan de curator binnen zeven dagen na betekening van het vonnis van een bedrag van € 200.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf datum faillissement tot de dag van algehele voldoening en te vermeerderen met de kosten van het gelegde conservatoir beslag;
c.
meer subsidiair, tot betaling van een schadevergoeding aan de curator, nader op te maken bijstaat en te vereffenen volgens de wet;
V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot aan de curator van € 100.000,00, te voldoen uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van het vonnis van deze rechtbank inzake de onder IV. genoemde primaire dan wel subsidiaire vordering tot betaling van het tekort in het faillissement van [bedrijf] ;
VI. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de nakosten en de kosten van het conservatoir beslag;
VII. althans zodanig uitspraak te doen als deze rechtbank juist acht.

3.Beoordeling

Verstek is verleend
3.1.
Omdat [gedaagde] niet in deze rechtszaak is verschenen, mag de rechtbank de zaak alleen inhoudelijk behandelen als bij de dagvaarding de voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn nageleefd. Als dat het geval is, dan verleent de rechterbank verstek en wijst zij de vorderingen toe, tenzij de vorderingen haar onrechtmatig of ongegrond voorkomen. [1]
3.2.
Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten nageleefd. [gedaagde] is op de eerstdienende dag niet verschenen, zodat tegen hem verstek is verleend.
3.3.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de vorderingen van curator de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Daarover het volgende.
Het tussenvonnis
3.4.
In het tussenvonnis is de curator opgedragen om de rechtbank te informeren of [gedaagde] bestuurder of commissaris is van andere rechtspersonen dan [bedrijf] en, zo ja, een uittreksel uit het Handelsregister te verstrekken van die andere rechtspersonen. [2]
3.5.
Bij akte van 5 november 2025 heeft de curator de rechtbank geïnformeerd dat [gedaagde] niet als bestuurder of commissaris betrokken is bij overige rechtspersonen. Ter onderbouwing daarvan heeft de curator een door de dienst Justis opgemaakte netwerktekening verstrekt.
3.6.
Nu de curator aan de opdracht heeft voldaan, zal bij dit vonnis worden beslist op de vorderingen.
De hoofdvorderingen worden toegewezen (I, II, IV primair en V)
3.7.
Het door de curator onder I, II, IV primair en V gevorderde komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, met de volgende uitzondering.
3.8.
De curator vordert onder II. van het petitum dat onder meer voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf] .
3.9.
De curator heeft onvoldoende gesteld waarom [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de gezamenlijke schuldeisers. Uit de dagvaarding blijkt namelijk niet wie de gezamenlijke schuldeisers zijn en of zij schade hebben geleden. Dit gedeelte van het onder II. gevorderde wordt dan ook afgewezen.
Het bestuursverbod wordt opgelegd voor de duur van vijf jaar (III)
3.10.
Het gevorderde bestuursverbod komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden opgelegd voor de duur van vijf jaar vanaf het moment dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Vanaf dat moment is namelijk sprake van een uitspraak op grond van artikel 2:248 BW die onherroepelijk is geworden. [3]
3.11.
Daarbij wordt wel aangetekend dat het moment van onherroepelijk worden van dit vonnis niet zonder nadere informatie kan worden vastgesteld door de rechtbank. Een verstekvonnis wordt op zijn vroegst onherroepelijk nadat de verzet-termijn ongebruikt is verstreken, maar deze termijn vangt aan op een onzeker moment in de toekomst. [4] Om de griffier in staat te stellen aan zijn verplichtingen [5] te voldoen, ligt het op de weg van de curator de rechtbank op de hoogte te stellen van relevante gebeurtenissen in het kader van de tenuitvoerlegging van dit vonnis.
Beslagkosten (VI)
3.12.
De gevorderde beslagkosten zijn toewijsbaar. [6] De beslagkosten worden vastgesteld op € 444,82 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € 2.714,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 2.714,00), totaal € 3.489,82. De door de curator gemaakte beslagkosten worden volledig meegeteld bij de berekening van het boedeltekort waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Daarom kan een aparte veroordeling tot betaling van deze kosten achterwege blijven.
Proceskosten en nakosten (VI)
3.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
2.392,00
- salaris advocaat
2.714,00
(1 punt × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld onder r.o. 3.14)
Totaal
5.429,45
3.14.
De nakosten zijn € 178,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
3.15.
Ten aanzien van de proceskosten en de (eventuele) nakosten geldt dat deze volledig worden meegeteld bij de berekening van het boedeltekort waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Daarom kan een aparte veroordeling tot betaling van deze kosten achterwege blijven.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder van [bedrijf] onbehoorlijk heeft verricht en dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [bedrijf] ;
4.2.
verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [bedrijf] ;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het tekort in het faillissement van [bedrijf] aan de curator, nadat dit zal blijken aanwezig te zijn na een te houden verificatievergadering, te vermeerderen met het bedrag aan boedelschulden waaronder het door de rechtbank vast te stellen salaris van de curator en zijn overige kosten, te voldoen binnen zeven dagen nadat de curator een afschrift van het proces-verbaal van de verificatievergadering alsmede een concept (eind)salarisbeschikking kenbaar heeft gemaakt aan [gedaagde] ;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan de curator een voorschot op het boedeltekort te betalen van € 100.000,00;
4.5.
verklaart de veroordelingen onder 4.3. en 4.4. uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
veroordeelt [gedaagde] tot een bestuursverbod als bedoeld in artikel 106a Fw voor de duur van vijf jaren vanaf het moment dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan gedurende welke periode [gedaagde] niet benoemd kan worden tot bestuurder of commissaris van een rechtspersoon in de zin van artikel 2:3 BW en niet mag optreden als feitelijk beleidsbepaler van een rechtspersoon;
4.7.
draagt de griffier op grond van artikel 106b lid 3 Fw op om dit vonnis zodra het onherroepelijk is geworden met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel te sturen, zodat terstond tot uitschrijving van [gedaagde] uit het Handelsregister en registratie van het opgelegde bestuursverbod bij het Handelsregister kan worden overgegaan;
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Neumann en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.Artikel 106c, eerste lid, Faillissementswet (Fw).
3.Artikel 106a Fw.
4.Artikel 143 Rv.
5.Artikel 106b, derde lid, Fw.
6.Artikel 706 Rv.