ECLI:NL:RBOVE:2026:1224

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_2110_tu
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over hernieuwd verzekeringsgeneeskundig onderzoek bij beëindiging Ziektewet-uitkering

Eiseres werkte tot haar ziekmelding in november 2018 en ontving sindsdien diverse uitkeringen, waaronder Ziektewet (ZW) en Werkloosheidswet (WW). Het UWV beëindigde haar ZW-uitkering per 6 mei 2024, omdat zij volgens een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 26 maart 2024 meer dan 65% van haar loon kon verdienen. Eiseres betwistte dit en stelde dat haar medische situatie, met chronische rugpijn, PTSS en slaapproblemen, onvoldoende was meegewogen.

De rechtbank constateert dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet volledig zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende informatie ingewonnen bij de behandelend psycholoog over de psychische klachten en het slechte slapen van eiseres. Ook is onduidelijk of het medicijn Tramadol, dat eiseres rond de datum in geding gebruikte, is betrokken bij de beoordeling van haar belastbaarheid.

Daarom oordeelt de rechtbank dat het UWV de gebreken in het besluit moet herstellen door een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek te laten uitvoeren, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende informatie moet inwinnen over de psychische problematiek en medicijngebruik. De mate van arbeidsgeschiktheid op 6 mei 2024 moet vervolgens opnieuw worden vastgesteld. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het UWV nader verzekeringsgeneeskundig onderzoek te doen en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2110 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

gemachtigde: mr. M. Berkel,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (het UWV)
gemachtigde: E.H. van den Brink.

Procesverloop

1.1.
Het UWV heeft met het besluit van 5 april 2024 de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van eiseres met ingang van 6 mei 2024 beëindigd. Met het bestreden besluit van
30 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. V.C.D. Klaassen als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Overwegingen

Wat aan de besluitvorming vooraf ging
2.1.
Eiseres heeft vanaf 19 mei 2017 via Randstad Direct B.V gewerkt als [functie] bij Scania in Meppel voor gemiddeld 36,72 uur per week. Op
19 november 2018 heeft zij zich ziek gemeld. Het dienstverband is geëindigd op
6 januari 2019. Vanaf 7 januari 2019 ontving eiseres een ZW-uitkering. Na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWB) heeft het UWV de ZW-uitkering met een besluit van
30 september 2019 voortgezet. OP 6 augustus 2020 heeft eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Met een besluit van 9 maart 2021 heeft het UWV geweigerd om aan eiseres vanaf 16 november 2020 een WIA-uitkering toe te kennen.
2.2.
Vervolgens heeft eiseres vanaf 16 november 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Eiseres heeft zich op 6 oktober 2021 wederom ziek gemeld. Nadat de WW-uitkering nog dertien weken was doorbetaald heeft eiseres vanaf
5 januari 2022 een ZW-uitkering ontvangen. Deze ZW-uitkering is met een besluit van
5 juli 2022 vanaf 6 juli 2022 beëindigd. Met een beslissing op bezwaar van
12 september 2022 heeft het UWV de beëindiging van de ZW-uitkering vanaf 6 juli 2022 gehandhaafd. Vanaf 6 juli 2022 is de WW-uitkering voortgezet.
2.3.
Vervolgens heeft eiseres zich ziek gemeld op 26 augustus 2022. Met een besluit van
5 oktober 2022 heeft het UWV geweigerd om aan eiseres vanaf 26 augustus 2022 een
ZW-uitkering toe te kennen.
2.4.
Daarna heeft eiseres zich op 29 november 2022 opnieuw ziek gemeld. De
WW-uitkering is doorbetaald. Vanaf 14 januari 2023 is de WW-uitkering beëindigd, omdat op die datum de maximum duur bereikt was. Met een besluit van 18 januari 2023 heeft het UWV aan eiseres vanaf 16 januari 2023 een ZW-uitkering toegekend. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
Standpunt UWV
3. Het UWV heeft de ZW-uitkering van eiseres met ingang van 6 mei 2024 beëindigd, omdat eiseres op 26 maart 2024 meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het UWV heeft dit gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Een verzekeringsarts heeft een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van
26 maart 2024 opgesteld, waarin de belastbaarheid van eiseres is vastgelegd. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige vijf functies geselecteerd die eiseres met haar mogelijkheden kan uitvoeren. Met de middelste van de drie functies met het hoogste loon kan eiseres 69% verdienen van het salaris dat zij had in haar functie van [functie] bij Scania. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML van
26 maart 2024 gehandhaafd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de maatmangegevens gewijzigd, omdat het maatmanloon was geïndexeerd met onjuiste CBS-indexcijfers. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep twee geselecteerde functies verworpen. Met de qua loon middelste van de drie resterende functies kan eiseres 68,6% verdienen van het salaris dat zij had als [functie] bij Scania, zodat zij volgens het UWV meer dan 65% arbeidsgeschikt is en daarom geen recht heeft op een
ZW-uitkering.
Standpunt eiseres
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar ZW-uitkering met ingang van 6 mei 2024 moet worden voortgezet. Volgens eiseres heeft het UWV haar medische situatie onderschat, zijn in de FML onvoldoende beperkingen opgenomen en kan zij de geselecteerde functies niet uitvoeren. Zij vindt dat het arbeidsgeschiktheidspercentage te hoog is vastgesteld. Eiseres onderbouwt dit met de volgende argumenten.
4.1.
Het UWV hanteert een onzuivere mix van data. In de arbeidskundige stukken wordt gerefereerd aan geschiktheid en verdiencapaciteit rond 28 november 2023, terwijl de medische grondslag is gebaseerd op een FML per 26 maart 2024 en de beëindiging van het recht op ziekengeld plaatsvindt per 6 mei 2024. Het is niet inzichtelijk of en hoe het UWV heeft vastgesteld dat de belastbaarheid van eiseres op 28 november 2023 gelijk zou zijn aan die op 26 maart 2024 of 6 mei 2024. Het betreft bovendien een situatie met gecombineerde chronische pijnproblematiek en posttraumatische stressstoornis (PTSS)/slaapstoornissen, waarbij belastbaarheid kan fluctueren. Een duidelijk oordeel op de datum in geding vindt eiseres daarom essentieel.
4.2.
Eiseres heeft lichamelijke klachten en ernstige psychische problematiek. Eiseres kampt met langdurige en invaliderende rugklachten. Sinds 2019 ervaart zij chronische lage rugpijn met uitstraling naar de benen. Ondanks een eerdere hernia-operatie zijn de pijnklachten gebleven. Eiseres ervaart tintelingen, krachtsverlies en een doof gevoel in de voet. Behandelend specialisten hebben objectiveerbare afwijkingen vastgesteld. Behandeling heeft onvoldoende effect gehad. Hierdoor is eiseres blijvend aangewezen op zware pijnmedicatie, waaronder opioïden. Dit beïnvloedt niet alleen haar fysieke belastbaarheid, maar ook haar alertheid, concentratie en veiligheid. Bij eiseres is verder sprake van PTSS en stressgerelateerde klachten, met herbelevingen, angst, piekeren en emotionele ontregeling. Behandeling is geïndiceerd, maar kon nog niet structureel plaatsvinden wegens kwetsbaarheid en instabiliteit. De combinatie van chronische pijn en PTSS leidt bovendien tot forse slaapproblematiek. Eiseres slaapt slecht, wordt frequent wakker door herbelevingen en voelt zich overdag structureel uitgeput. Hierdoor is sprake van een verhoogde recuperatiebehoefte en beperkte dagelijkse belastbaarheid. Het UWV heeft in de FML van 26 maart 2024 onvoldoende rekening gehouden met deze gecombineerde en elkaar versterkende klachten, waardoor de functionele mogelijkheden van eiseres te ruim zijn ingeschat. Eiseres vermeldt in haar beroepschrift de beperkingen die volgens haar onvoldoende terugkomen in de FML. Zo staat in de FML dat eiser niet meer dan 8 uur per dag kan werken. Eiseres vindt onder meer dat een verdergaande urenbeperking nodig is.
4.3.
Eiseres stelt verder dat de geselecteerde functies uitgaande van de FML van
26 maart 2024 niet passend zijn. Als de FML wordt aangescherpt zijn de functies volgens eiseres zeker niet passend. Eiseres licht dit per functie nader toe.
Toetsingskader
5. De wetteksten die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Bespreking van het geschil
Het geschil
6.1.
In geschil is of het UWV de mate van arbeidsgeschiktheid van eiseres op de datum in geding terecht heeft vastgesteld op meer dan 65%. Voor alle duidelijkheid stelt de rechtbank vast dat de datum in geding 6 mei 2024 is. Omdat eiseres heeft gesteld dat het UWV een onzuivere mix van data hanteert, licht de rechtbank hieronder toe waarom de datum in geding in dit geval 6 mei 2024 is.
6.2.
Voor deze procedure is van belang dat eiseres zich heeft ziek gemeld op
29 november 2022. Op 28 november 2023 was zij 52 weken ziek. Rond die datum kon de EZWB plaatsvinden. De EZWB is echter later uitgevoerd. In het kader van de EZWB heeft de verzekeringsarts op 26 maart 2024 de FML vastgesteld en op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat eiseres meer dan 65% arbeidsgeschikt is. Dit is met het besluit van 5 april 2024 aan eiseres medegedeeld. In verband met het bepaalde in artikel 19aa, tweede lid, van de ZW kan de beëindiging van de ZW-uitkering niet eerder dan een maand na die dag ingaan. Daarom heeft het UWV de ZW-uitkering beëindigd met ingang van 6 mei 2024. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] stelt de rechtbank vast dat in dit geval 6 mei 2024 de datum in geding is en dat met relevante wijzigingen in de gezondheidssituatie van eiseres tot en met die datum rekening moet worden gehouden.
Verzekeringsgeneeskundig onderzoek
7.1.
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek bestaat uit rapporten van 20 februari 2023 en 26 maart 2024 van verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] (hierna: [verzekeringsarts 1] ), een rapport van
8 maart 2024 van verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] (hierna: De [verzekeringsarts 2] ) en een rapport van
21 mei 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. [verzekeringsarts 1] heeft het dossier van eiseres bestudeerd, eiseres op 16 februari 2023 en 26 maart 2024 gezien en gesproken tijdens een spreekuur en haar psychisch en lichamelijk onderzocht. [verzekeringsarts 1] heeft informatie opgevraagd bij behandelaren. De [verzekeringsarts 2] heeft gegevens over eiseres en de ontvangen informatie bestudeerd. [verzekeringsarts 1] heeft alle (medische) informatie bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier van eiseres bestudeerd, eiseres gezien en gesproken tijdens een spreekuur op 2 april 2025 en het psychisch functioneren van eiseres waargenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft medische informatie opgevraagd en ontvangen. Hij heeft alle beschikbare (medische) gegevens bij zijn beoordeling betrokken.
7.2.
[verzekeringsarts 1] heeft in het rapport van 26 maart 2024 overwogen dat bij eiseres sprake is van een onvoldoende behandelde PTSS. [verzekeringsarts 1] overweegt dat nog onvoldoende basis/stabiliteit van de psychische gesteldheid aanwezig is om het geadviseerde intensievere traject te laten starten. Ten tijde van het spreekuur op 16 februari 2023 was sprake van een psychische crisis, waarvan behandeling was gestart. Op 26 maart 2024 merkt eiseres sinds de crisissituatie wel graduele vooruitgang, maar nog niet in die mate dat het medisch vervolgtraject kon worden opgestart.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt over de psychische klachten dat geen sprake is van nieuwe medische feiten. Dit blijkt volgens hem uit de medische informatie, die hij heeft opgevraagd. Er is (onveranderd) sprake van een 'andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis' (PTSS). De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt op dat in 2024 enkel en weinig frequent (eenmaal per 4 tot 6 weken) sprake is geweest van contact met een sociaalpedagogisch hulpverlener en dat geen sprake is van behandeling met psychofarmaca. Hieruit leidt de verzekeringsarts bezwaar en beroep af dat de psychische klachten/problematiek niet ernstig is. Dit sluit aan bij zijn bevindingen, anamnese, observatie en het dagverhaal. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst erop dat eiseres pas eind 2024, circa een halfjaar na datum in geding, is verwezen naar een psycholoog voor behandeling. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in de FML voldoende rekening gehouden met de psychische klachten/problematiek van eiseres.
7.3.
Uit de rapporten van [verzekeringsarts 1] blijkt dat eiseres ook kampt met chronische rugpijnklachten. De behandeling met een neurostimulator heeft minder effect op de rugpijn gehad dan ze had gehoopt. Het pijncentrum geeft aan dat de psychische gesteldheid daar een negatieve rol in kan spelen. De (negatieve) wisselwerking in de multimorbiditeit (meerdere chronische aandoeningen tegelijkertijd) die wisselend van aard is maakt het volgens [verzekeringsarts 1] aannemelijk dat er tijdelijk nog toegenomen beperkingen zijn. De ernst die eiseres aangeeft vindt [verzekeringsarts 1] op basis van de ontvangen informatie, dagverhaal en eigen bevindingen plausibel.
Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat uit van pijnklachten van de lage rug. Eiseres heeft te maken met uitstraling naar het linkerbeen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is geen sprake van nieuwe medische feiten en nieuwe behandelingen. De behandeling met pijnmedicatie is ongewijzigd sinds de datum in geding 6 mei 2024. De neuroloog liet in mei of juni 2024 een MRI maken van de lage rug. Dit liet geen verklaring zien voor de klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet dan ook geen medische reden om meer of andere beperkingen aan te nemen.
7.4.
In de FML is vermeld dat eiseres niet meer dan 8 uur per dag kan werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet geen reden voor een verdergaande urenbeperking. Bij eiseres is geen sprake van energetische problematiek die het gevolg is van ernstige aandoeningen zoals ernstige hart- en longaandoeningen, systeemziekten, depressie, nieuwvormingen en dergelijke. Er is op en rond datum in geding geen sprake van een verminderde beschikbaarheid vanwege behandeling. Eiseres had eenmaal per 4 tot 6 weken een gesprek met de sociaal pedagogisch hulpverlener. Er zijn gelet op anamnese en dagverhaal geen aanwijzingen dat eiseres niet meer toe kan komen aan een privéleven, of dat er een reëel risico is op schade aan de gezondheid.
7.5.
In de FML van 26 maart 2024 zijn voor eiseres beperkingen opgenomen in persoonlijk functioneren (rubriek 1), sociaal functioneren (rubriek 2), fysieke omgevingseisen (rubriek 3), dynamische handelingen (rubriek 4), statische houdingen (rubriek 5) en werktijden (rubriek 6). Vermeld is dat eiseres niet meer dan 8 uur per dag kan werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat deze FML, die ziet op datum in geding 6 mei 2024, gehandhaafd kan blijven.
Het oordeel van de rechtbank
7.6.
De rechtbank is echter van oordeel dat nog onduidelijk is of de FML van 26 maart 2024 de belastbaarheid van eiseres op 6 mei 2024 correct weergeeft. De rechtbank licht dit als volgt toe.
7.7.
In het rapport van 21 mei 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de psychische klachten vermeld dat eiseres slecht slaapt. Ze heeft last van dromen met herbelevingen. In het rapport staat dat eiseres de psychische problemen heeft besproken in de gesprekken met mevrouw Smid bij Dimence. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover niet nader doorgevraagd, omdat hij over de psychische klachten/problematiek informatie zou opvragen bij Dimence. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op
4 april 2025 informatie opgevraagd bij Dimence: sociaalpedagogisch hulpverlener [naam] en psycholoog M. Smid . De sociaalpedagogisch hulpverlener heeft medische gegevens verstrekt, maar van psycholoog Smid heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niets ontvangen. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep van psycholoog Smid geen antwoord heeft ontvangen, is onduidelijk of de psychische problemen van eiseres en het slechte slapen wel voldoende zijn meegenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover namelijk niet doorgevraagd bij eiseres en de behandelend psycholoog heeft hierover ook geen nadere gegevens verstrekt. Dat de behandeling bij de psycholoog is gestart na de datum in geding, betekent niet automatisch dat de informatie van deze behandelaar geen betrekking kan hebben op die datum. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nogmaals bij psycholoog Smid om informatie over de psychische problemen en het slechte slapen had moeten vragen of daarnaar bij eiseres had moeten doorvragen. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit niet heeft gedaan is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd.
7.8.
Verder overweegt de rechtbank dat eiseres er tijdens de zitting op heeft gewezen dat zij Tramadol gebruikt. Dat zij dit medicijn ook al innam rond de datum in geding blijkt uit het medicatieoverzicht, dat eiseres bij haar aanvullend bezwaarschrift van 10 juni 2024 heeft gevoegd. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten blijkt niet of hiermee bij het vaststellen van de belastbaarheid van eiseres rekening is gehouden. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
Herstel gebreken
8.1.
Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen gebreken in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen moet het UWV nader verzekeringsgeneeskundig onderzoek doen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep moet bij psycholoog Smid of eiseres zelf informatie inwinnen over de psychische problemen van eiseres en het slechte slapen. Verder moet de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn beoordeling betrekken dat eiseres rond de datum in geding Tramadol gebruikte. De verzekeringsarts bezwaar en beroep dient met inachtneming van de nadere informatie over de psychische problemen, het slechte slapen en het feit dat eiseres rond de datum in geding Tramadol gebruikte de belastbaarheid van eiseres op 6 mei 2024 opnieuw vast te stellen. Vervolgens moet het UWV de mate van arbeidsgeschiktheid van eiseres op 6 mei 2024 opnieuw vaststellen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
8.2.
Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen onder 8.1. in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetteksten

Artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW bepaalt dat de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte en/of gebreken recht heeft op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 19, vijfde lid, van de ZW bepaalt dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. In afwijking van de eerste zin wordt indien de verzekerde de arbeid gedurende minder dan een week heeft verricht en daaraan voorafgaand gedurende ten minste zes maanden andere arbeid heeft verricht onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die gewoonlijk kenmerkend zijn voor de andere arbeid die in die zes maanden hoofdzakelijk is verricht.
Artikel 19aa eerste lid, van de ZW bepaalt dat in afwijking van artikel 19 de Pro verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, zwangerschap of bevalling, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van deze wet, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht heeft op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde, indien de verzekerde:
a. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19; en
b. als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Artikel 19aa, tweede lid, van de ZW bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, recht heeft op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.
Artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW bepaalt dat onder maatmaninkomen wordt verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.
Artikel 19 ab Pro, eerste lid, van de ZW bepaalt dat het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa, wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Van een arbeidskundig onderzoek kan onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden worden afgezien.
Artikel 19aa, derde lid, van de ZW bepaalt dat onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa, eerste lid, wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Artikel 19aa, zesde lid, van de ZW bepaalt dat bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, de verzekeringsarts zo veel mogelijk gebruik maakt van wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen kunnen ondersteunen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van 1 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3925.