ECLI:NL:RBOVE:2026:1233

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
ak_24_4162
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaren tegen besluiten en feitelijke handelingen gemeente Tubbergen

Eiser heeft in juni 2024 meerdere bezwaren ingediend tegen het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen, waarvan het merendeel niet-ontvankelijk werd verklaard. Het bezwaar tegen het besluit van 24 november 2023 werd afgewezen wegens te late indiening, terwijl de overige bezwaren niet gericht waren tegen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar tegen feitelijke handelingen.

Eiser stelde dat hij het besluit pas in juni 2024 ontving en dat het postbezorgingsbedrijf geen afhaalbericht had achtergelaten. De rechtbank oordeelde dat het besluit aangetekend was verzonden via een bij de ACM geregistreerd postbedrijf en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat geen afhaalbericht was achtergelaten. De gevolgen van het niet afhalen van het poststuk komen voor rekening van eiser.

De overige bezwaren betroffen onder meer het verharden van wegen, het aanleggen van een ontsluitingsweg, en het plaatsen van palen, welke geen bestuursrechtelijke besluiten zijn. De rechtbank stelde vast dat het college terecht deze bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook de stellingen over onvolledigheid van het hoorzittingsverslag en onjuistheden tijdens de hoorzitting werden verworpen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/4162

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser ([eiser]),

en
het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen, verweerder (het college).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van meerdere bezwaren die [eiser] in juni 2024 bij het college heeft ingediend. De meeste van deze bezwaren heeft het college niet-ontvankelijk verklaard, omdat die volgens het college niet zijn gericht tegen een ‘besluit’, zoals dat wordt uitgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Alleen de brief aan [eiser] van 24 november 2023 is een besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Daartegen heeft [eiser] echter te laat bezwaar gemaakt. Het college is van mening dat [eiser] dat kan worden verweten en dat daarom het bezwaar tegen dat besluit ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [eiser] voert hiertegen aan dat hij het besluit van 24 november 2023 pas in juni 2024 voor het eerst heeft ontvangen en dat hem daarom niet kan worden verweten dat hij pas in die maand daartegen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank volgt [eiser] daar niet in. Het college heeft het besluit van
24 november 2023 per aangetekende post naar hem verzonden en [eiser] had het poststuk moeten afhalen bij het afhaalpunt van het postbezorgingsbedrijf. Dat dat bedrijf voor het poststuk geen afhaalbericht bij hem heeft achtergelaten, heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt. De gevolgen van het niet afhalen van het poststuk komen voor rekening van [eiser] en het bezwaar tegen het besluit van 24 november 2023 is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De overige bezwaren van [eiser] zijn niet gericht tegen besluiten als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is ongegrond.

Inleiding: feiten en procesverloop

2.1
Per brief van 4 oktober 2023 heeft [eiser] aan de burgemeester van Tubbergen (hierna: de burgemeester) gevraagd om twee wegen die langs zijn perceel lopen (door [eiser] de [adres 1] en de [adres 2] genoemd) begaanbaar te maken voor fietsers, voetgangers en hulpverleners. Volgens [eiser] wordt het laatste stuk van de [adres 1] geblokkeerd door betonblokken, waardoor hij niet meer met zijn auto en aanhanger achterwaarts zijn oprit op kan rijden. Ook stelt hij in de brief van 4 oktober 2023 dat beide wegen niet op de juiste hoogte zijn aangelegd, dat bij de wegen nog zandkeringen moeten worden geplaatst en dat overtollig of opgehoopt zand moet worden verwijderd. Verder moet de [adres 2] worden geëgaliseerd en moeten de gaten daarin worden opgevuld. Volgens [eiser] zijn (delen van) de [adres 2] en de daarop aansluitende [adres 3] tijdens de realisatie van het nabijgelegen woningbouwproject opgehoogd, waardoor (delen van) die wegen nu hoger liggen dan zijn inritten. Mede daardoor lijdt hij (water)schade. De wateroverlast houdt volgens [eiser] ook verband met de zaksloten die in verband met het woningbouwproject zijn aangelegd. Verder heeft hij in een onderhoudsweg naast één van de zaksloten asbest aangetroffen. [eiser] stelt in de brief van 4 oktober 2023 dat dit laatste nader moet worden uitgezocht, dat de [adres 2] en de [adres 3] weer tot de oude hoogte moeten worden teruggebracht en dat een oplossing moet worden gevonden voor de wateroverlast die hij op zijn perceel ondervindt.
2.2
De burgemeester heeft de brief van 4 oktober 2023 ter behandeling doorgestuurd naar het college en dat bij brief van 2 november 2023 aan [eiser] meegedeeld.
2.3
Op 23 november 2023 hebben twee toezichthouders van de gemeente Tubbergen (hierna: de gemeente) het onderhoudspad naast de door [eiser] bedoelde zaksloot onderzocht op de aanwezigheid van asbest. Deze toezichthouders hebben geen asbest-verdachte materialen waargenomen.
2.4
Bij besluit van 24 november 2023 heeft het college gereageerd op de brief van [eiser] van 4 oktober 2023. Voor zover deze brief concrete handhavingsverzoeken bevat, heeft het college die gemotiveerd afgewezen. Daarnaast heeft het college zich in het besluit van 24 november 2023 op het standpunt gesteld dat de brief van 4 oktober 2023 voornamelijk verzoeken om feitelijk handelen bevat en dat die brief daarom hoofdzakelijk privaatrechtelijk van aard is. Voor wat betreft die verzoeken om feitelijke werkzaamheden uit te voeren heeft het college de brief van 4 oktober 2023 niet aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat de beslissingen op die verzoeken geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Wel heeft het college in het besluit van 24 november 2023 inhoudelijk gereageerd op de verzoeken van [eiser] om feitelijke werkzaamheden uit te voeren en aangegeven in hoeverre aan die verzoeken wel of niet tegemoet wordt gekomen.
2.5
Per brief van 30 mei 2024 heeft Aannemingsbedrijf [bedrijf 1] B.V. omwonenden meegedeeld dat op 12 juni 2024 wordt begonnen met de realisatie van de [adres 1] tussen het woningbouwproject en de [adres 3]. Naar aanleiding hiervan heeft [eiser] op 4 juni 2024 aan het college vragen gesteld over de [adres 2] en/of de [adres 1]. Per e-mail van 6 juni 2024 heeft een medewerker van de gemeente antwoord gegeven op deze vragen. Naar aanleiding hiervan heeft [eiser] op 10 juni 2024 een bezwaarschrift ingediend bij het college.
2.6
Op 14 juni 2024 heeft [eiser] bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hierin heeft [eiser] de voorzieningenrechter gevraagd om de aanleg van de [adres 1] te schorsen en om het college op te dragen de aanleg van de [adres 1] alsnog te publiceren. Na 14 juni 2024 heeft [eiser] meerdere stukken ingediend ter onderbouwing van dit verzoek om voorlopige voorziening. Ook heeft hij na het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening bij het college nog nieuwe en/of aanvullende bezwaarschriften ingediend, waarin hij onder meer alsnog bezwaar maakt tegen het besluit van 24 november 2023.
2.7
Bij uitspraak van 23 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen (zaaknummer AWB 24/281).
2.8
Op 11 september 2024 heeft de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Tubbergen (hierna: de bezwaarcommissie) advies uitgebracht over de bezwaarschriften van [eiser]. Het college heeft dit advies en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen overgenomen en op basis daarvan bij besluit van 22 oktober 2024 (het bestreden besluit) de bezwaren van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard.
2.9
Hiertegen heeft [eiser] beroep ingesteld.
2.1
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.11
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hierbij was [eiser] aanwezig, vergezeld door zijn echtgenote [naam 1].
Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2].

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3.1
Met het overnemen van het advies en de overwegingen van de bezwaarcommissie, heeft het college zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de bezwaren van [eiser] zijn gericht tegen:
  • het besluit van 24 november 2023;
  • het mondelinge besluit over het (beginnen met het) verharden van de [adres 2];
  • het aanleggen en uitvoeren van een ontsluitingsweg;
  • het weigeren een inritwijziging te publiceren;
  • het (zonder opgaaf van redenen) afsluiten van de weg voor motorvoertuigen via het plaatsen van palen.
3.2
Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 24 november 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat, kort gezegd, [eiser] dat bezwaar pas na afloop van de termijn voor het maken van bezwaar tegen dat besluit heeft ingediend en deze termijn-overschrijding niet verschoonbaar is. De bezwaren tegen de overige onder 3.1 genoemde handelingen en beslissingen heeft het college niet-ontvankelijk verklaard, omdat die niet zijn gericht tegen besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Volgens het college liggen aan het aanleggen, aanpassen en/of verharden van de wegen geen besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb ten grondslag, maar zijn dat slechts feitelijke handelingen, waartegen geen bezwaar kan worden gemaakt.
Het beroep van [eiser]
4. [eiser] heeft in beroep meerdere gronden aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaren. Ook heeft hij inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het besluit van 24 november 2023. Die gronden hebben onder meer betrekking op de inrij-constructie op zijn perceel en het aanleggen en/of verharden van de [adres 2] en de [adres 1]. De aanleg en/of verharding van die wegen is volgens [eiser] in strijd met de bestemming van de gronden waarop die liggen. Ook is volgens hem van belang of de wegen en ook het woningbouwproject in het essenlandschap liggen en beschermde natuur- en/of landschapswaarden hebben. [eiser] is van mening dat dat zo is en dat om die reden Gedeputeerde Staten van Overijssel een besluit moeten nemen over de verharding en/of aanleg van de wegen. Hij wil dat het college bevestigt dat dit zo is. Ten slotte heeft [eiser] ook aangevoerd dat het verslag van de hoorzitting bij de bezwaarcommissie onvolledig is en dat de vertegenwoordigers van het college tijdens die hoorzitting onjuistheden hebben verteld.
Beoordeling van het beroep
Omvang van het geschil
5. Zoals hiervoor al is aangegeven heeft het college de bezwaren van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard. Als gevolg daarvan heeft het college de bezwaren niet inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of het college in het bestreden besluit de bezwaren van [eiser] terecht en op basis van een juiste motivering niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 24 november 2023
6.1
Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven dat het besluit van
24 november 2023 diezelfde dag (uitsluitend) per aangetekende post via postbezorgings-bedrijf [bedrijf 2] B.V. [vestigingsplaats] (hierna: [bedrijf 2]) naar [eiser] is gestuurd. Hieruit volgt volgens het college dat [eiser] tot en met 4 januari 2024 (volgens de rechtbank had dit moeten zijn: tot en met 5 januari 2024) bezwaar kon maken tegen dat besluit, terwijl die zijn bezwaar daartegen pas op 28 juni 2024 heeft ingediend. Het college acht deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar, omdat het besluit van 24 november 2023 via [bedrijf 2] per aangetekende post naar het juiste adres is gestuurd en uit de website van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) blijkt dat [bedrijf 2] een geregistreerde onderneming is in de categorie ‘aanbieder van postvervoersdiensten’. Op 6 december 2023 heeft het college het besluit retour ontvangen van [bedrijf 2], met de vermelding dat het poststuk niet is afgehaald. Het college ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze vermelding en verder heeft [eiser] geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden betwijfeld dat [bedrijf 2] een afhaalbericht voor het poststuk bij hem heeft achtergelaten. Daarbij heeft het college er verder op gewezen dat de burgemeester [eiser] in de brief van 2 november 2023 heeft meegedeeld dat op zijn brief van 4 oktober 2023 zou worden gereageerd. Als bij [eiser] geen afhaalbericht zou zijn achtergelaten, zou [eiser] na een tijdje wel bij het college hebben aangegeven dat hij nog geen antwoord op zijn brief had gehad. Dat heeft [eiser] echter niet gedaan. Volgens het college komen de gevolgen van het niet afhalen van het poststuk bij het afhaalpunt van [bedrijf 2] voor rekening van [eiser].
6.2
[eiser] ontkent dat hij het besluit van 24 november 2023 kort na die datum heeft ontvangen en hij bestrijdt dat [bedrijf 2] daarvoor een afhaalbericht bij hem heeft achtergelaten. Volgens [eiser] is het besluit van 24 november 2023 niet correct aan hem uitgereikt. Ook kan [bedrijf 2] volgens hem niet worden vergeleken met PostNL en valt [bedrijf 2] niet onder hetzelfde juridische regime als PostNL. Verder is [eiser] gebleken dat er vaker dingen mis gaan bij de postbezorging door [bedrijf 2] en bestaan daar veel klachten over. Ook had het college, nadat dat het besluit van 24 november 2023 retour had ontvangen, daarover contact met hem kunnen opnemen of dat besluit op een andere wijze aan hem bekend kunnen maken.
6.3
Uit de Awb volgt dat de termijn voor het maken van bezwaar zes weken bedraagt en dat die termijn begint te lopen op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. [1]
6.4
Het is vaste rechtspraak dat, als een besluit aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het stuk door het postbezorgingsbedrijf op rechtmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Als het postbezorgingsbedrijf bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Verder blijkt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat poststukken ook via andere postaanbieders dan PostNL mogen worden verstuurd, als die andere postaanbieder een bij de ACM geregistreerd postvervoersbedrijf is. [2]
6.5
[eiser] heeft niet bestreden dat [bedrijf 2] bij de ACM is geregistreerd als postvervoersbedrijf en de rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen dat dat zo is.
De rechtbank volgt [eiser] dan ook niet in zijn stelling dat [bedrijf 2] niet onder hetzelfde juridische regime als PostNL zou vallen. Het in rechtsoverweging 6.4 vermelde uitgangspunt bij het aangetekend verzenden van besluiten is in dit geval dan ook onverkort van toepassing. Verder maakt de rechtbank uit het dossier op dat [bedrijf 2] de envelop waarin het besluit van 24 november 2023 zat op 5 december 2023 heeft teruggestuurd naar de gemeente en dat de gemeente die op 6 december 2023 heeft ontvangen, met de vermelding ‘Handtekening niet bij buren’. In het in beroep overgelegde verweerschrift heeft het college aangegeven dat bij [bedrijf 2] navraag is gedaan en dat [bedrijf 2] heeft verklaard dat op 27 november 2023 een bezorgpoging is gedaan en dat vervolgens een afhaalbericht bij [eiser] is achtergelaten. De rechtbank ziet ook geen reden om hieraan te twijfelen. Wat [eiser] daartegen in beroep heeft aangevoerd is daarvoor onvoldoende. Daarbij stelt de rechtbank vast dat [eiser] zijn stelling dat er bij de postbezorging van [bedrijf 2] regelmatig iets mis gaat, niet heeft onderbouwd. Verder heeft [eiser] ter zitting nog verklaard dat hij met betrekking tot het besluit van 24 november 2023 wel een afhaalbericht heeft ontvangen, maar dat dat afhaalbericht niet was ingevuld en bovendien te laat was bezorgd. Hiervan heeft [eiser] echter geen bewijs overgelegd, zodat ook die stelling niet slaagt.
6.6
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat [eiser] geen feiten aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. De gevolgen van het niet afhalen van het besluit van
24 november 2023 bij [bedrijf 2] moeten daarom voor rekening van [eiser] komen en het college heeft zijn bezwaar tegen dat besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Dit onderdeel van het beroep slaagt niet.
De niet-ontvankelijkverklaring van de overige bezwaren
7.1
Uit artikel 8:1 van Pro de Awb volgt dat een belanghebbende alleen beroep kan instellen tegen een besluit. Artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bepaalt kort gezegd dat, voordat een belanghebbende tegen een bepaald besluit beroep instelt, hij eerst bezwaar moet maken tegen dat besluit. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat dat onder ‘besluit’ wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
7.2
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat het college over:
  • het (beginnen met het) verharden van de [adres 2];
  • het aanleggen en uitvoeren van een ontsluitingsweg;
  • het weigeren een inritwijziging te publiceren; en
  • het (zonder opgaaf van redenen) afsluiten van de weg voor motorvoertuigen via het plaatsen van palen.
een schriftelijke beslissing heeft genomen. [eiser] heeft ook niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat het college over deze onderwerpen schriftelijke beslissingen heeft genomen. De vraag of het college over één of meerdere van die onderwerpen een besluit had moeten nemen, staat daar los van en ligt in deze zaak niet ter beoordeling aan de rechter voor. Alleen al hieruit volgt dat het college terecht heeft geconcludeerd dat de bezwaren van [eiser], voor zover die betrekking hebben op het aanleggen en/of verharden van wegen, de inritconstructie op zijn perceel en/of het plaatsen van palen of obstakels op wegen, niet zijn gericht tegen besluiten als bedoeld in de Awb. Het college heeft die bezwaren dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het verslag van de hoorzitting bij de bezwaarcommissie
8.1
Artikel 7:7 van Pro de Awb bepaalt dat van het horen in bezwaar een verslag moet worden gemaakt. In artikel 7:13, zesde lid, van de Awb staat dat het advies van de bezwaarcommissie een verslag van het horen moet bevatten. Daarbij kan worden volstaan met een zakelijke weergave van het verhandelde ter zitting. [3] Uit de Awb volgt niet dat een volledige weergave van de hoorzitting moet worden opgesteld.
8.2
De rechtbank stelt vast dat het advies van de bezwaarcommissie een (zakelijke) weergave bevat van wat er tijdens de hoorzitting op 11 september 2024 is besproken. Dat deze weergave zo onvolledig of onjuist is dat daarmee niet wordt voldaan aan de eisen uit artikel 7:7 en Pro artikel 7:13, zesde lid, van de Awb, is niet gebleken. Dat heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt. Die beroepsgrond slaagt daarom niet. Voor zover [eiser] heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat de vertegenwoordigers van het college tijdens de hoorzitting onjuistheden hebben verteld, slaagt dat ook niet. Ook die stelling heeft [eiser] onvoldoende inzichtelijk gemaakt en onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 3:41, eerste lid, artikel 6:7 en Pro artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:380 en 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1682.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3812, rechtsoverweging 7.1.