Uitspraak
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
1.De kern van de zaak
2.De procedure
3.De feiten
Het Schip wordt compleet met bescheiden en toebehoren (onder meer omschreven in de alsbijlage 1bij deze overeenkomst gehechte inventarislijst) en vaarklaar aan Kopers geleverd.”
4.1. Kopers hebben het Schip bezocht op 22 september 2024. Het Schip verkeerde in uitstekende en onbeschadigde staat. Mocht daar gelegenheid toe zijn, dan zullen Kopers het Schip nogmaals inspecteren als het op de kant staat.
Grootzeilen:
Heren,
Ankerbol
Kegel (varen op zeil en motor)
Verf van de romp (voor bijtippen plekjes)
Zonnetent voor over de giek
Extra huik
6 fenders+bal
5 lierhendels (2 x snelklik)
Extra lijnen tbv buitenschoot genua en downfuckers genaker
Zak in voorluik voor gennakerdrop (voor een droog bed)
Ankerrol op hekwerk achter
Houder voor buitenboordmotor
Reparatiedoek (oranje) gennaker
Reparatiedoek (plak) zwarte zeilen
Vlag en vlaggestok
4.Het geschil
5.De beoordeling
’moet worden gelezen in het licht van het gehele artikel 4. Uit de overige artikelleden volgt dat ‘toestand’ doelt op de constructieve staat van het schip en mogelijke beschadigingen en gebreken. Er zijn ook verder geen aanknopingspunten aangevoerd, waaruit volgt dat het begrip ‘toestand’ in artikel 4 ziet Pro op de onderdelen die wel of niet zouden worden geleverd.
Bijlage 2 betreft de zaken die jij als persoonlijke uitrusting beschouwt en van plan bent mee te nemen naar je volgende schip.’
Een lijst met wat ik meeneem naar de volgende boot is niet zo handig. Dat is een hele lange lijst omdat er altijd meer aan boord zit dan je verwacht. Mijn voorstel is om de lijst zoals in bijlage 2 staat te hanteren als over te dragen zaken naast de boot zelf.’
akkoord’.
de complete lijst met alles wat er aan boord achterblijft (bij de verkoop hoort) op het moment van de overdracht.’ Hij vervolgt: ‘
Een puts, een dekwasborstel of een zaklamp zijn persoonlijke items en gaan mee. Een lifeline, kussens etc. horen bij de boot en blijven achter. In onze optiek is de lijst nu compleet en goed af te vinken bij de overdracht.’ [gedaagde] eindigt de e-mail met de vraag: ‘
Willen jullie laten weten of dit zo past bij jullie beeld van een inventarislijst?’. [eisers] hebben hier niet meer op gereageerd. Wel is de bijlage die [gedaagde] op 17 maart per e-mail had toegestuurd uiteindelijk opgenomen in de koopovereenkomst. Door op 6 maart 2025 akkoord te gaan met het voorstel van [gedaagde] voor het hanteren van een lijst met wat er aan boord van het schip zou achterblijven en vervolgens niet meer te reageren op de e-mail en meegezonden inventarislijst van 17 maart 2025, hebben [eisers] bij [gedaagde] de verwachting gewekt dat alleen wat in die lijst genoemd stond op het schip zou achterblijven.
We kunnen de vrijdagavond 4 juli varen en dan is dat ook het moment van overdracht? Dan zorg ik dat ze leeg (conform inventarislijst) en schoon is.’ Een antwoord van [eisers] blijft uit. Op de e-mail van [gedaagde] van 11 juni 2025, waarin hij meldt nog een aantal zaken extra dan op de lijst staan achter te laten, volgt ook geen antwoord van [eisers] . Volgens [eisers] gaf dit bericht geen aanleiding om vragen te stellen, juist omdat zij in de veronderstelling verkeerde een compleet schip te hebben gekocht. Maar dit standpunt strookt niet met de stelling dat zij tijdens het verkoopproces [gedaagde] herhaaldelijk om een lijst hadden gevraagd over de zaken die [gedaagde] zou meenemen. Het bericht van 11 juni 2025 had daar door de bewoordingen “extra” “naast die op de lijst” had daar nogmaals aanleiding toe moeten geven. Ten slotte staat vast dat [gedaagde] tijdens het proefvaren op 4 juli 2025 op de opmerking van [eisers] dat het infucker-systeem van boord is gehaald, reageert met de mededeling dat deze weliswaar niet op de lijst stond, maar dat hij belooft deze na te zullen sturen. [gedaagde] blijft zich dus ook na de koopovereenkomst structureel tegenover [eisers] op de lijst beroepen, zonder dat [eisers] daar bij [gedaagde] expliciet bezwaar tegen maken. Pas in 14 juli 2024 hebben [eisers] bij [gedaagde] aangegeven dat er meer had moeten achterblijven op het schip. [eisers] hebben [gedaagde] daarmee ook na het sluiten van de koopovereenkomst in de veronderstelling laten verkeren dat de lijst van bijlage 1, aangevuld met de e-mail van 11 juni 2025, bepalend was voor wat er op het schip zou achterblijven.