ECLI:NL:RBOVE:2026:125
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige aanslag zuiveringsheffing voor een kamerverhuurpand
In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil over een voorlopige aanslag in de zuiveringsheffing voor het jaar 2024. De belanghebbende, eigenaar van een kamerverhuurpand, heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslag van € 365,70, gebaseerd op vijf vervuilingseenheden. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard, waarna de belanghebbende beroep heeft ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 behandeld, waarbij beide partijen via Teams aanwezig waren.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar terecht heeft aangenomen dat het kamerverhuurpand niet als woonruimte kan worden aangemerkt, maar als bedrijfsruimte. Dit is gebaseerd op de definitie van woonruimte in de Verordening zuiveringsheffing en de Hoge Raad. De rechtbank concludeert dat de voorlopige aanslag van vijf vervuilingseenheden niet te hoog is, aangezien de geschatte vervuilingswaarde tussen de 5,5 en 6,6 vervuilingseenheden ligt, afhankelijk van het aantal ingeschreven bewoners. De rechtbank wijst erop dat de eerdere berekening van drie vervuilingseenheden geen betekenis heeft voor het huidige belastingjaar, omdat de huidige berekening correct is.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de voorlopige aanslag in stand blijft. De belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, en is op 23 januari 2026 bekendgemaakt aan de partijen.