ECLI:NL:RBOVE:2026:125

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
ak_24_2240
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige aanslag zuiveringsheffing voor een kamerverhuurpand

In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil over een voorlopige aanslag in de zuiveringsheffing voor het jaar 2024. De belanghebbende, eigenaar van een kamerverhuurpand, heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslag van € 365,70, gebaseerd op vijf vervuilingseenheden. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard, waarna de belanghebbende beroep heeft ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 behandeld, waarbij beide partijen via Teams aanwezig waren.

De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar terecht heeft aangenomen dat het kamerverhuurpand niet als woonruimte kan worden aangemerkt, maar als bedrijfsruimte. Dit is gebaseerd op de definitie van woonruimte in de Verordening zuiveringsheffing en de Hoge Raad. De rechtbank concludeert dat de voorlopige aanslag van vijf vervuilingseenheden niet te hoog is, aangezien de geschatte vervuilingswaarde tussen de 5,5 en 6,6 vervuilingseenheden ligt, afhankelijk van het aantal ingeschreven bewoners. De rechtbank wijst erop dat de eerdere berekening van drie vervuilingseenheden geen betekenis heeft voor het huidige belastingjaar, omdat de huidige berekening correct is.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de voorlopige aanslag in stand blijft. De belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, en is op 23 januari 2026 bekendgemaakt aan de partijen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2240

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van het GBLT.

(gemachtigde: [gemachtigde])

Inleiding

1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2024 een voorlopige aanslag in de zuiveringsheffing opgelegd voor het adres [adres 1] ten bedrage van € 365,70. Deze aanslag is gebaseerd op vijf vervuilingseenheden met een tarief van € 73,14 per vervuilingseenheid.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 15 maart 2024 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.2.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben beide partijen via Teams deelgenomen.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van het object [adres 1]. Het object betreft een door belanghebbende aan bewoners verhuurd kamerverhuurpand. Op de begane grond bevindt zich een grillroom. Ook deze wordt door belanghebbende verhuurd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht de voorlopige aanslag zuiveringsheffing heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag zuiveringsheffing voor te veel vervuilingseenheden is opgelegd. De gezamenlijke niet-gesplitste noch van een tussenmeter voorziene wateraansluiting is namelijk niet alleen voor het adres [adres 1], maar ook voor [adres 2]. Sinds 2004 wordt voor drie vervuilingseenheden een aanslag opgelegd. Dit is in lijn met de regel dat voor woonruimtes waar twee of meer personen wonen, de vervuilingswaarde wordt gesteld op drie vervuilingseenheden.
6. De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar terecht er vanuit gaat dat niet sprake is van woonruimte voor wat betreft het kamerverhuurbedrijf, maar van bedrijfsruimte. In de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2024 (hierna: de Verordening) is in artikel 1 een woonruimte, in lijn met de Waterschapswet gedefinieerd als “een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven”. Volgens ditzelfde artikel is een bedrijfsruimte “een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering”.
7. Een kamerverhuurpand wordt op grond van deze bepalingen aangeslagen als een bedrijfsruimte, omdat niet sprake is van zelfstandige woonruimten. Als niet sprake is van afzonderlijke woonruimte(s) in een pand moet volgens de Hoge Raad worden beoordeeld of het gehele pand als woonruimte kan worden aangemerkt. Dit is alleen het geval als het pand ten dienste staat van een gezin of daarmee gelijk te stellen andere leefeenheid [1] en niet als sprake is van kamerverhuur waarbij essentiële voorzieningen in het pand dienen voor gemeenschappelijk gebruik door individuele huurders.
8. Belanghebbende betwist niet dat sprake is van kamerverhuur. De aanslag zuiveringsheffing 2024 is daarom terecht voor een bedrijfsruimte opgelegd.
9. Op grond van artikel 12 van de Verordening wordt het aantal vervuilingseenheden voor een bedrijfsruimte berekend aan de hand van de in Bijlage II opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten. Het aantal vervuilingseenheden wordt berekend volgens de formule A x B, waarbij A het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water betreft, en B de afvalwatercoëfficiënt betreft, behorende bij de klasse van de in Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.
10. Uit het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 en de tabel in Bijlage II behorende bij de Verordening volgt dat de afvalwatercoëfficiënt voor een kamerverhuurpand 0,023 vervuilingseenheden per m3 ingenomen water bedraagt. Bij het berekenen (en het toegestaan schatten) van het aantal vervuilingseenheden gaat de heffingsambtenaar uit van 48 m3 hoeveelheid ingenomen water per bewoner. [2] Omdat in 2024 aanvankelijk zes en later vijf personen stonden ingeschreven op het adres, bedraagt de geschatte vervuilingswaarde tussen de 5,5 (= 5 x 48 x 0,023) en 6,6 (= 6 x 48 x 0,023). Deze getallen 5,5 en 6,6 corresponderen met respectievelijk vijf en zes personen. De heffingsambtenaar is bij de voorlopige aanslag van 5 vervuilingseenheden uitgegaan. Nu dit aantal eenheden minder is dan de geschatte vervuilingswaarde (die ligt tussen 5,5 en 6,6 afhankelijk van 5 of 6 personen), concludeert de rechtbank dat dat de voorlopige aanslag van 5 vervuilingseenheden niet te hoog is.
11. Aan de stelling van belanghebbende dat in het verleden met 3 vervuilingseenheden werd gerekend komt geen betekenis toe - in de zin van eventuele schending van het vertrouwensbeginsel - voor wat betreft het onderhavige belastingjaar, daargelaten hoe in het verleden is gerekend qua aantal personen, en omdat het nu het gaat om de thans vigerende, correcte berekening.
12. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de voorlopige aanslag in de zuiveringsheffing voor het jaar 2024 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken op
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1584.
2.Dit is berekend op grond van de tabel van artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009, waarbij de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water voor een kamerverhuurpand behoort tot de categorie ‘De niet in deze tabel vermelde bedrijfsruimten of onderdelen van bedrijfsruimten’ en daarmee 0,021 bedraagt: 1 / 0,021 = 48.