ECLI:NL:RBOVE:2026:1250

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/08/344287 KG RK 26-68
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen mr. L.M. Rijksen, stellende dat de rechter partijdig zou zijn omdat hij weigerde de zaak aan te houden voor het aanvullen van het dossier. De rechter wilde de behandeling voortzetten om na de zitting te kunnen nadenken over een eventuele aanhouding.

De wrakingskamer oordeelde dat een procesbeslissing, zoals het niet direct beslissen over een aanhoudingsverzoek, geen grond voor wraking is, ook niet als de motivering daarvan als onjuist wordt ervaren. Er waren geen feiten of omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid opleverden.

Verzoekers kregen ook geen ontzegging van het wrakingsrecht voor de komende twee jaar, omdat er geen misbruik van het wrakingsmiddel was vastgesteld. De wrakingskamer verklaarde het verzoek ongegrond en sprak de beslissing openbaar uit op 9 maart 2026.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: C/08/344287 KG RK 26-68
Beslissing van 9 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker 1] en [verzoeker 2],
wonende te [woonplaats],
verzoekers tot wraking,
hierna te noemen: verzoekers.

1.De procedure

1.1.
Verzoekers hebben tijdens de zitting van 22 januari 2026 een verzoek tot wraking van mr. L.M. Rijksen (hierna: de rechter) gedaan.
1.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking.
1.3.
Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de zitting van 22 januari 2026, met bijlagen (aantekeningen verzoekers en het wrakingsverzoek);
  • de schriftelijke reactie van de rechter;
  • de op 19 februari 2026 binnengekomen brief van verzoekers.
1.4.
Het wrakingsverzoek van verzoekers is op 25 februari 2026 met gesloten deuren behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
  • [verzoeker 2], mede als gemachtigde van [verzoeker 1];
  • de rechter.
1.5.
Verzoekers hebben tijdens de mondelinge behandeling een pleitnotitie overgelegd, die is toegevoegd aan het dossier.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoekers hebben het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. Het dossier op basis waarvan de rechter moet beslissen is niet compleet. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat dit hun belangen schaadt. Op 21 mei 2024 hebben verzoekers al gewezen op deze gebreken en de rechtbank verzocht de heffingsambtenaar te gelasten dit te herstellen. Hieraan is geen gevolg gegeven. Tijdens de zitting van 22 januari 2026 hebben verzoekers daarom de rechter verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om eerst het dossier te completeren. Tijdens de zitting heeft de rechter laten weten de behandeling van de zaak te willen voortzetten omdat hij na de zitting nog wil kunnen nadenken over een eventuele aanhouding. De rechter kan zich volgens verzoekers zonder die stukken echter geen afgewogen oordeel vormen. De rechter gunt verzoekers geen vrije rechtsgang en geen eerlijk proces. De rechter toont zich daarmee partijdig, dan wel wekt de schijn van partijdigheid.

3.Het standpunt van de rechter

3.1.
De rechter verzoekt de wrakingskamer om het wrakingsverzoek af te wijzen. Volgens de rechter is zijn beslissing om niet direct tijdens de zitting te beslissen op het aanhoudingsverzoek van verzoekers, een procesbeslissing binnen het rechterlijk domein. Deze beslissing heeft volgens de rechter niets van doen met bejegening, integriteit of partijdigheid. De (correcte) bejegening van de rechter richting verzoekers tijdens de zitting en de mededeling dat de rechter nadenktijd nodig heeft, geven geen aanleiding om het wrakingsverzoek toe te wijzen.
3.2.
De rechter verzoekt op zijn beurt de wrakingskamer om verzoekers de komende twee jaar iedere wrakingsmogelijkheid te ontzeggen.

4.De beoordeling

4.1.
De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek van verzoekers ongegrond verklaren. Hierna wordt uitgelegd hoe de wrakingskamer tot deze beslissingen is gekomen.
4.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
4.3.
De wrakingskamer moet beoordelen of het feit dat de rechter tijdens de zitting heeft aangegeven de behandeling van de zaak te willen voortzetten omdat hij nog wil kunnen nadenken over een eventuele aanhouding, een concrete aanwijzing oplevert waaruit partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid, dan wel dat de bij verzoekers bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Die ‘uiterlijke schijn’ gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoekers, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoekers op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is.
4.4.
De beslissing van de rechter om tijdens de zitting nog geen beslissing te nemen op het aanhoudingsverzoek van verzoekers is een procesbeslissing. Een rechterlijke procesbeslissing is volgens vaste rechtspraak geen grond voor wraking. [1] Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van die procesbeslissing als grond voor wraking, óók als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als die motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid. De wrakingskamer is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Uit het proces-verbaal volgt dat de rechter zijn procesbeslissing motiveert door aan te geven dat hij nog wil nadenken over een eventuele aanhouding en dat dit tijd kost. De wrakingskamer is van oordeel dat uit deze motivering niet kan worden opgemaakt dat de rechter partijdig is of de schijn heeft gewekt van partijdigheid.
4.5.
Het wrakingsverzoek bevat verder ook geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechter partijdig of vooringenomen is.
4.6.
De wrakingskamer ziet geen grond om verzoekers de komende twee jaar de mogelijkheid om een wrakingsverzoek in te dienen te ontzeggen. De wrakingskamer is van oordeel dat er geen sprake is van misbruik van het middel. Niet gebleken is dat verzoekers het middel van wraking gebruikten voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren.

5.De beslissing

De wrakingskamer
5.1.
verklaart het verzoek van verzoekers ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. U. van Houten, R.F. van Aalst en B.C. van Haren in tegenwoordigheid van mr. K.J. de Jong, de griffier, en in openbaar uitgesproken op
9 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.