Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen mr. L.M. Rijksen, stellende dat de rechter partijdig zou zijn omdat hij weigerde de zaak aan te houden voor het aanvullen van het dossier. De rechter wilde de behandeling voortzetten om na de zitting te kunnen nadenken over een eventuele aanhouding.
De wrakingskamer oordeelde dat een procesbeslissing, zoals het niet direct beslissen over een aanhoudingsverzoek, geen grond voor wraking is, ook niet als de motivering daarvan als onjuist wordt ervaren. Er waren geen feiten of omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid opleverden.
Verzoekers kregen ook geen ontzegging van het wrakingsrecht voor de komende twee jaar, omdat er geen misbruik van het wrakingsmiddel was vastgesteld. De wrakingskamer verklaarde het verzoek ongegrond en sprak de beslissing openbaar uit op 9 maart 2026.