ECLI:NL:RBOVE:2026:1263

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
12084424 \ CV EXPL 26-211
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:265 BWRichtlijn 93/13/EEGBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokostenArtikel 2 Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand

Woningstichting Domijn verhuurt sinds 7 januari 2022 een woning aan de gedaagde. De gedaagde is in gebreke gebleven met het betalen van de huur, waardoor een aanzienlijke huurachterstand is ontstaan. Domijn vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand inclusief buitengerechtelijke incassokosten.

De gedaagde erkent de huurachterstand maar wijst op persoonlijke omstandigheden, waaronder een eerder bewind en financiële problemen. Desondanks oordeelt de kantonrechter dat deze omstandigheden geen overmacht vormen en dat de huurachterstand ernstig genoeg is om ontbinding te rechtvaardigen.

De kantonrechter wijst de vorderingen toe, inclusief een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en een gebruiksvergoeding voor de periode na ontbinding tot ontruiming. De gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, de gedaagde veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12084424 \ CV EXPL 26-211
Vonnis van 10 maart 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING DOMIJN,
te Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: Domijn,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Domijn verhuurt met ingang van 7 januari 2022 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 776,82 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[gedaagde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Domijn heeft [gedaagde] meerdere keren aangemaand om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.

3.Het geschil

3.1.
Domijn vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 6.205,60 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Domijn legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Domijn de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] erkent de gevorderde huurachterstand, maar is het niet eens moet hoe alles is gegaan. [gedaagde] heeft onder bewind gestaan. Haar bewindvoerder heeft het niet goed gedaan en zij is daardoor verder in de problemen gekomen. Het bewind is opgeheven, maar [gedaagde] heeft via de Stadsbank Oost Nederland opnieuw hulp gezocht en er zal opnieuw bewind worden aangevraagd. [gedaagde] wil op zich wel uit de woning, maar krijgt geen positieve verhuurdersverklaring waardoor zij niet in aanmerking komt voor een andere woning.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.2.
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde hoofdsom, de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
4.3.
[gedaagde] heeft de huurachterstand niet weersproken, zodat de gevorderde huurachterstand t/m januari 2026 van € 6.722,87 in beginsel toewijsbaar is.
4.4.
Domijn vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Domijn heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 682,73 worden toegewezen.
4.5.
[gedaagde] heeft tot het moment van dagvaarden € 1.200,00 aan de gemachtigde van Domijn betaald. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.205,60 aan Domijn (€ 6.722,87 aan hoofdsom + € 682,73 aan buitengerechtelijke kosten - € 1.200,00 aan betalingen).
4.6.
De gemachtigde van Domijn had tijdens de mondelinge behandeling geen machtiging of toestemming van Domijn om een regeling met [gedaagde] te treffen.
4.7.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Domijn heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.8.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
4.9.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand bijna acht maanden.
De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. De door [gedaagde] genoemde persoonlijke en financiële omstandigheden leveren geen overmacht op en ontslaan haar niet van de verplichting om de huurbedragen op tijd te betalen.
4.10.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
4.11.
Domijn wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 776,82, te rekenen vanaf de maand 1 februari 2026 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
4.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Domijn worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.576,02

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres],
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Domijn zijn, en de sleutels af te geven aan Domijn,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Domijn te betalen een bedrag van € 6.205,60 aan
achterstallige huur tot en met januari 2026;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag gelijk aan de geldende huurprijs (thans € 776,82) als huurbedrag c.q. vergoeding voor voortgezet gebruik voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] de woning vanaf de ontbinding in gebruik heeft tot en met de dag van ontruiming;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.576,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)